Ze waren erger dan beesten

Sumatra
Voorwoord: De Nederlandse kolonialen in het voormalig Nederlands-Indië mochten dan door een deel van de in het vaderland verblijvende Nederlanders als onderdrukkers worden gekwalificeerd, die kwalificatie viel verreweg in het niet vergeleken bij het optreden van de Japanse bevrijders.
Het wellicht opvallendste mentaliteitsverschil tussen de oude kolonisator en de glorieuze bevrijder, de Nip, is het treffendst omschreven in Henk Hovinga zijn boek “Eindstation Pakanbaroe 1943-1945”, waarin hij de wrede, onbarmhartige gedrag van de moordende Japanse meesters ten opzichte van hun bruine Aziatische bruine broeders de romusha’s, beschrijft.
“Naast de originele eilandbewoners hebben alle import-Sumatranen het onder het regime van de Showa Tenno nogal te verduren gekregen.
In het betrokken gebied werd ongeveer 95% van de door de Kempeitai behandelden geëxecuteerd of door uithongering, marteling of een combinatie ervan ter dood gebracht. Dankzij het snelle effect van de A-bommen op Japan bleef er zowaar nog een aantal van hen in leven.
Tussen de 50% en 60% van de door de Gunseibukan gevangengehouden politieke gevangenen stierf in de daarvoor gebruikte strafgevangenissen, merendeels als gevolg van de voorafgaand toegepaste verhoormethoden door de Tokko-experts en de vervolgbehandeling van inheems gevangenispersoneel”.

Het totale aantal doden is niet exact vast te stellen, maar de individuele en verzamelgraven in de Sumatraanse plaatsen Bandarboeat, Bangkinang, Fort de Kock, Fort van der Capellen, Goeroenlawas, Padang, Padangpandjang, Painan, Soegaipenoeh en Tandjoeng Gadai (Gadoet) geven een aantal van tussen de 1300 en 1500. De lokale en aangevoerde inheemse romusha’s hebben als gravers bij de aanleg van de tunnels in Fort de Kock, Lobang Jepang, het grootste percentage aan mensenlevens verloren, namelijk 100%; en dat waren omstreeks 4000 man.

Op 4 en 7 oktober 1943 werden 30 mannen uit de Boei – Moeara gevangenis, die daar sinds 3 september 1943 gevangen zaten, door een paar figuren van de Tokko gehaald, die vergezeld waren van een eenheid Japanse soldaten met twee vrachtwagens. Ze werden op een vrachtauto geschreeuwd, kregen een jutezak over het hoofd en werden naar het MV-huis, Padang, het verzamelpand van de Tokko, gebracht. Zij hadden geen flauw idee wat het te wachten stonden.
Diverse van deze Ombilin-mannen waren vaders en hun kinderen zaten bij hun in het gevang. De rust werd van de ene dag op de andere verstoord door dat Pa onder valse voorwendselen van de Jap werd weggevoerd met de laatste hoop:”Wij halen jullie zo gauw mogelijk op”. Bijna een jaar lang vroegen deze kinderen waar Pa met zijn belofte bleef. In dat jaar werd de gevangenis ontruimd en met het weinige bagage midden in de nacht werden de gevangenen, mannen en kinderen, op mars gezet naar het station onder luid gejoel van de nu pro-Japanse Indonesiers en luidkeels gillende vrouwen van het vrouwenkamp waar ze langs kwamen. In geblindeerde wagons en open vrachtwagens kilometersver het Sumatraans oerwoud in en gedropt op een terrein van droogloodsen van een verlaten rubber plantage; Bangkinang.

Van daaruit zagen deze jongens de overlevenden voorbij trekken van Nederlandse/Engelse krijgsgevangenen naar hun nieuwe verschrikkingsoord “de Pakan Baroe spoorweg”. In het laatste oorlogsjaar (1945) zagen enkele jongens hun zwaar mishandelde/getraumatiseerde vaders terug in dit oord Bangkinang en kregen te horen wat hun en mede Ombilin mensen was overkomen na hun vertrek uit de Padangse gevangenis dat een hel was van vernedering en mishandeling, zoals hier beneden beschreven.
Maar wat was de reden, dat deze zwaar gemartelde Japanse gevangenen plotseling naar Bangkinang werden getransporteerd. Men kon het alleen maar raden, maar waarschijnlijk was het volgende de oorzaak. De echtgenote van de Japanse commandant van Bangkinang werd ziek en moest direct geopereerd worden aan een blindedarm ontsteking. Een van de gevangenen in dit kamp was dokter Vis, voordien arts in Sawah Lunto en van het personeel van de Ombilin mijnen, die bekend stond als een goede chirurg. Tijdens de operatie werd er ook gejaagd op wild en kregen de kamp gevangen vlees (tijger, zwijnen) te eten.
Vlak daarna kwamen de gemartelde overlevenden, wel met jarenlange gevangenisstraffen, in Bangkinang aan.

Deze groep mannen bestond uit drie mijningenieurs, zeventien mijnbouwkundigen, twee elektrotechnici, de chef magazijnen, en twee anderen, allen van de OSM (Ombilin Steenkool Mijnen te Sawah Lunto), aangevuld met vijf uit Padang afkomstige schier willekeurige Europese en Molukse jongemannen.

Eddie Geenen voor de oorlog

De volgende mannen uit Sawah Lunto waren:
W. van Ameyden van Duyn, L.P. Apitule, C.R. Brouwer von Gonzenbach, E.J.A. Cosijn, H.C. van Don, B. Filet, C.J. Foss, E. Geenen (mijn vader), W.C. Goldman, O. Hisgen, J.H.G. Keim, G. Keller, F. Kretzer, F.J. Keuskamp, W.J.R. Lanzing, F. Maidman, C.D.J. Marges, A.W.F. Molensky, F.A. van Ommen, J.A. van Ommen, C. H. van Raalten, A. Schlameisen, J.J. Thenu, F. Urban, A. Uyleman Anthonijs (particulier archief) en nog twee personen.

Bij binnenkomst werden ze van hun bagage afgeholpen en geboeid. Daarna kregen ze een zitplaats op de grond in de toneelzaal aangewezen, waar zij met gekruiste benen doodstil en met de ogen naar de grond gericht moesten blijven zitten. Iedere vorm van onderlinge communicatie was op straffe van buitenproportioneel slaag verboden. In deze houding moesten zij hun beurt afwachten. Deze beurt hield in dat men door de Japanse Tokko-luitenants Sugibayashi en Miyauchi, de Tokko-gunzo’s Watari Tsurukichi en Yamashita en de Indonesische tolken Bakri, Sjafei, Hartin en nog anderen zou worden “verhoord”.

Zo’n verhoor bestond hoofdzakelijk uit het met de hand, vuist, zweep, bullenpees, stoel of delen van, een eind hout, touw of elektriciteitskabel dan wel een speciaal ervoor geconstrueerd slaginstrument inslaan op de gewenste politieke gevangene, die wel uit voorzorg geboeid was.
Een speciaal voor het doel geconstrueerd slaginstrument kon zijn een zweep van staaldraad of de “spiked rattan”, een in vieren gespleten eind rotan voorzien van van binnenuit aangebrachte nageltjes waarmee het slachtoffer van kleding en huid ontdaan kan worden.
Wanneer het slachtoffer al dan niet met opzet, op de grond kwam te liggen werd door schoppen of springen, liefst kwetsbare plekken van het lichaam de pijn bewust verhoogd en werden blessures met opzet aangebracht.
Velen werden tijdens de ondervraging gedwongen te knielen met een stuk hout in hun knieholten. Lang genoeg in deze houding zakt men vanzelf terug zodat door eigen gewicht abnormale kracht op de knieën werd uitgeoefend en men zichzelf pijnigde, tenzij men rechtop bleef. Het hoge pijngehalte van brandletsel werd vanzelfsprekend niet onbenut gelaten.

Veelal werden in combinatie met het bovenvermelde slag- en schopwerk door middel van brandende sigaretten, kaarsen, olielantaarns, of roodgloeiend metaal schroei- of brand- wonden aangebracht.
Ook de martelende werking door de toepassing van elektriciteit was niet onbekend; de kwetsbare hangende positie werd bijna plichtmatig toegepast, vaak met voorkeur voor omgekeerde ophanging.
De fantasieën van deze Japanse en Indonesische beulen waren oneindig.
Minstens tien dagen duurde dit gebeul en gezeul tot aan de berechting.

Men moest zich wel onopvallend aan de regels houden. Dat was moeilijk. Het is onmogelijk niet te reageren op gebeurtenissen in de directe omgeving, vooral wanneer bekenden intens onder handen worden genomen. Doordat men constant naar de grond moest kijken kon men visie meer of minder uitbannen, maar gehoor of reuk buiten werking stellen is veel moeilijker, zo niet onmogelijk.
De Japanse martelkundigen pasten alle middelen toe om aan de gewenste informatie te komen.
Er liepen ook ter assistentie pembantu’s (helpers) in de gevangenis rond. Deze waren inheemse kandidaat-Kempei’s. Hun taken waren het rondbrengen van het schaarse voedsel, het verwijderen van vuil en het afvoeren van ontzielde lichamen.

Maar hen werd ook wel ander werk opgedragen en daarbij waren alle denkbare handelingen van pijn en vernedering ten aanzien van derden niet uitgesloten.

Van de ongeveer 150 in oktober 1943 te Padang tot lange gevangenisstraf (15 jaar) veroordeelden stierf binnen 2 jaar omstreeks 60%.

De groep veroordeelden waar mijn vader Eddie Geenen toebehoorde werden uiteindelijk bijna een jaar later overgebracht naar het mannenkamp in Bangkinang.
Veertien van de dertig man kwamen op 1 september 1945 nog levend uit de diverse gevangenissen, twee van hen stierven binnen twee maanden, terwijl de anderen nog op tijd konden worden opgevangen.

Nawoord: Mijn vader Eddie Geenen werd met zijn gezin in zeer zieke toestand met de Sibajak naar het toenmalige Batavia (Jakarta) gebracht om verpleegd te worden in het CBZ ziekenhuis. Hij overleed in het ziekenhuis aan pleuritis en bloedvergiftiging op 18 augustus 1948. Moeder vertelde mij later dat pa ook gecastreerd was geworden.

Grafsteen Pappa Eddie Geenen


De Japanse beulen van de Kempeitai werden na de oorlog beschuldigd van de volgende inhumane handelingen op hun slachtoffers, zowel de Indonesiërs als de Indo-Nederlanders en alle anderen:

  1. Het onophoudelijk en langdurig slaan met stokken, staven, bullenpezen, ploertendoders, knuppels, speciaal voor dat doel vervaardigde karwatsen (touwwerk of staal – of elektriciteitsdraad)
  2. Het tegen de grond werpen door toepassing van jujitsu-grepen
  3. Het met brandende sigaretten, of met open vlam aanbrengen van brandwonden
  4. Het laten ondergaan van diverse vormen van de waterkuur met flankerende mishandelingen
  5. Het op de meest gevoelige plaatsen van het vooraf nat gemaakte lichaam onder stroom zetten
  6. Het op welke wijze dan ook verwondingen op het lichaam aanbrengen
  7. Het lichaam met handen en voeten aan de rugzijde gebonden en waartussen een draagstok gestoken werd, aan twee steunpunten op te hangen
  8. Indien vrouw, in deze toestand te verkrachten
  9. het met opzet van grote hoogte te laten vallen
  10. het met zwaar geschoeide voeten springen op verschillende delen van het lichaam
  11. het steken van naalden onder de nagels
  12. het steken van potloden tussen de vingers, deze samenknijpen en vervolgens de potloden te draaien
  13. het laten knielen op de scherpe kanten van driehoekige balken geplaatst ter hoogte van de knieën en op de overgang van de schenen naar de voeten, terwijl op de plank over de kuiten geplaatst kempei’s gingen staan of springen
  14. het dagenlang zonder eten of drinken in de zon of elders laten staan
  15. het aan de benen ophangen met het hoofd omlaag
  16. het met een ijzeren staaf op de handen slaan
  17. het opzettelijk ontzeggen van voedsel, drinken, medicijnen of medische hulp
  18. het dagenlang in overvolle lokalen opsluiten, zodanig dat het onmogelijk was het lichaam uit te strekken.

Het uitoefenen van deze systematische terreur en folteringen door de Nips had veelal de dood tot gevolg of veroorzaakte zwaar lichamelijk of geestelijk letsel en leverde de gevangenen zwaar lichamelijk en geestelijk lijden.

Gegevens o.a. van het boek KURA! van Lou Lanzing, Mannenkampen Padang en Bangkinang (Sumatra’s westkust) van H. van den Bos en ook van de heer W. Keller.

Speak Your Mind

*