Trauma’s bij oorlogskinderen

Traumatische problemen van kinderen opgelopen gedurende een oorlog.

De psychiater J.N. Schreuder stelt dat alle kinderen van de oorlog, ongeacht het gezin waaruit zij voortkomen, een aantal kenmerken vertonen:

1. Het verlies van het basis vertrouwen.
‘Juist het vertrouwen in de goedheid van alle mensen, juist dat wat we het basis vertrouwen van elk mens zouden kunnen noemen, ontbreekt vaak bij volwassenen die kind in de oorlog zijn geweest.’
2. De afhankelijkheid van machtsstructuren.
Schreuder haalt Keilson aan die alle kinderen van de oorlog onder de gemeenschappelijke noemer brengt van de afhankelijkheid van de maatschappelijke machtsstructuur. Dat geldt voor alle kinderen in alle situaties, maar in oorlogstijd is die machtsstructuur tevens destructief.
De Tweede Wereldoorlog leert ons, ‘dat kinderen overgeleverd zijn aan de wereld der volwassenen, die in menig opzicht kind vijandig is en sprakeloos maakt.’
3. Problemen met het leren begrijpen wat hun sociaal-culturele achtergrond is.
‘Alle kinderen van de oorlog zaten met het onontkoombare en onoplosbare dilemma dat ze door een verstoorde ontwikkeling onvoldoende in staat waren te leren en te begrijpen wat hun sociaal-culturele achtergrond was, terwijl zij en hun ouders daarentegen op uitzonderlijke en tevoren niet gekende wijze juist om deze reden werden vervolgd.’
4. De oorlog is ‘afwezig’ of hinderlijk present.
Kinderen worden vaak onwetend gehouden over wat er gebeurd is of er juist overmatig mee geconfronteerd.
‘In beide gevallen verloopt het proces waardoor kinderen iets leren te begrijpen van de hen omgevende werkelijkheid onevenwichtig.’
5. Emotionele beperking.
Mensen kunnen op twee manieren op een trauma reageren, namelijk met vermijding of overspoeld worden. Beide processen staan lange tijd een evenwichtig functioneren in de weg.
‘Het was vaak niet mogelijk op een vrije wijze emotioneel bij anderen betrokken te zijn. Die emotionele beperking was vaak noodzakelijk om staande te blijven, maar werd lang niet altijd doelbewust gekozen.’
6. Vernietiging van de betekenis in het leven.
Schreuder verwijst naar Shamai Davidson, die zegt:
De traumatische ervaring in de binnen- en buitenwereld van het individu veranderde op een manier, dat resulteerde in het verbreken van het besef van de continuïteit van het leven, de vernietiging van het begrip van betekenis in het leven en een ondermijning van het gevoel van veiligheid en van het basis vertrouwen.’
7. Het ontbreken van een goede basis voor opvoeding.
‘Kinderen van de oorlog werden groot te midden van volwassenen van wie de individuele en maatschappelijke existentie in de meest fundamentele zin werd aangetast.’
8. Het afgesneden raken van jeugd en wortels.
Door het vermijden van herinneringen aan het trauma gaan ook de herinneringen aan de tijd ervoor verloren:
‘Op deze wijze werden de kinderen van de oorlog van hun eerste jeugdjaren of van hun wortels afgesneden.’
9. Identiteitsproblemen.
Schreuder noemt een aantal factoren die een belangrijke rol spelen bij het tot stand komen van de identiteit.
‘In het prille begin van het leven zijn voor de ontwikkeling van de identiteit beide ouders onmisbaar. Later gaan andere volwassenen, maar ook oudere broers en zussen meedoen in dat model staan.’ Door de oorlog zijn de meeste gezinnen, tijdelijk of voorgoed, uiteen gevallen.
‘Het moment waarop het geweld en de verstoring van de ontwikkeling plaatsvonden, is bepalend voor de problemen die in de identiteit later worden ervaren.’
‘De twijfel aan de eigen identiteit ondermijnt de waardering voor jezelf, de zekerheid om beslissingen te nemen, het vermogen met anderen een relatie aan te gaan en het kunnen beleven van intimiteit.’
10. Onbeantwoorde vragen beïnvloeden het kind negatief.
‘Wanneer die vragen niet worden beantwoord, niet mogen worden beantwoord, misschien zelfs niet mogen worden gesteld, dan wordt de mogelijkheid om die eigen innerlijke werkelijkheid en de externe werkelijkheid te organiseren, belemmerd. Tijdelijk kan dat zover gaan dat ook het vermogen om vragen te stellen verloren raakt.’
Het kind ontwikkelt hierdoor angst, die later tot depressieve klachten kan leiden.

Zeer jonge kinderen
Over traumatisering bij jonge kinderen merkt Bruggeman op:
‘Door de oorlogstrauma’s werden vooral de zeer jonge kinderen het sterkst getroffen. In iedere ontwikkelingsfase van een kind moeten mogelijkheden geboden worden om fasespecifieke ervaringen op te doen. Door de scheiding van de ouders tijdens onderduik – of kampomstandigheden, met daarbij ondervoeding en ziekte werden de vroegste ontwikkelingsfasen meestal ernstig geschaad, hetgeen een basis vormde voor latere stoornissen in de karakterontwikkeling.’

Verder merkt hij op dat de jongste kinderen geen herinneringsgebonden materiaal hebben, hooguit wat vage indrukken van bijvoorbeeld kleuren. Vaak zeggen ouders dat zij te klein waren om iets van de oorlog te weten, terwijl zijzelf alles bewust hebben meegemaakt. De ervaringen van de ouders tellen, die van het kind niet. Hier ligt een kernconflict voor kinderen van de oorlog. Het basis-gevoel wordt tevens gekrenkt omdat de ouders net doen of er geen akelige dingen gebeurd zijn of dat het kind geen angsten heeft doorstaan vanwege het feit dat de kinderen het zich niet herinneren, terwijl dat wel degelijk het geval is.
Bovenstaand is ontleent uit Kombi, waarbij uitgebreide beschrijvingen van algemene en specifieke problematiek bij oorlogskinderen, door een tiental deskundigen en professionele hulpverleners wordt beschreven.