George Wilhelm (Bo) Keller

De Levensloop van een Indisch Nederlander
Geschreven door Menke de Groot
Aangepast door Ron Geenen aan zijn web

George Wilhem (Bo) Keller

Vroege jaren

George Wilhelm (Bo) Keller (Sawah-Lunto, 6 september 1928) werd op Sumatra geboren als zoon van Gerrit Keller, mijnopzichter bij de Ombilinkolenmijn. Deze mijn, in 1868 ontdekt door mijningenieur W.H. de Greve, lag in een afgelegen gebied van de Padangse Bovenlanden (Sumatra’s Westkust). De mijn werd bij wet van 28 december 1891 van staatswege geëxploiteerd. Gerrit Keller was een der weesjongens van Sumatra’s Westkust geweest, opgegroeid bij de Paters van Tilburg.

Ombilin Steenkoolmijn in Sawahlunto

Keller werd al jong naar zijn grootouders gezonden, waar hij opgroeide in een kampong. Toen hij in de derde klas van de lagere school zat werd hij teruggestuurd naar zijn ouders. Dat was een enorme overgang voor hem omdat hij van het vrije leven in de kampong terecht kwam in een streng Katholiek gezin, dat woonde in een stenen huis.

Niet lang hierna brak in Europa de Tweede Wereldoorlog uit en werd het moederland, Nederland, bezet. Deze gebeurtenissen leidden tot een enorme toename van patriottische, pro-Nederlandse, gevoelens in Indië.
Japanse bezetting

Als jonge jongen van 13 jaar aanschouwde Keller de restanten van het verslagen Engelse leger en het binnentrekken van van de Japanse overwinnaar in zijn geboorteplaats op Midden-Sumatra.

Toen de Japanners Nederlands-Indië begin 1942 veroverden maakte men de belangrijkste apparatuur van de Ombilinmijn onklaar door deze in het water af te laten zinken. Hierop werden veel mensen gearresteerd en in gijzeling genomen door de Japanners, waaronder ook de jonge Bo Keller.  Nadat hij echter, tot genoegen van zijn belagers, tot drie maal toe Banzai Nippon had geroepen liet men hem gaan.

Pakan Baru Herdenkingsteen

Intussen leed het gezin Keller armoede omdat de Ombilinmijn buiten werking was gesteld. Een poging om dan maar een fiets te verkopen leed schipbreuk omdat alle bezit nu eigendom was geworden van de Japanners. Korte tijd later werd Keller junior in een geblindeerde trein afgevoerd.

De periode tot zijn zeventiende levensjaar en het einde van de oorlog bracht hij door in diverse vrouwen- en mannenkampen, met als “tussendoortje” een eenjarig verblijf in de gevangenis van Padang. Ook in deze tijd werd hij door de Japanners gedwongen mee te graven aan een massagraf, dat in eerste instantie ook voor hem bestemd leek. De bombardementen van Hiroshima en Nagasaki kwamen maar net op tijd.
De Bersiapperiode: de Olo-affaire

Na de bevrijding van Nederlands-Indië kwam er geen rust maar begonnen op grote schaal moordpartijen plaats te vinden; Indo’s en Nederlanders werden zonder aanziens des persoon afgeslacht door bruut optredende bendes nationalisten, hiertoe eerder getraind door de Japanners. Een van de gelegenheden waarbij Keller veel familieleden verloor was de Bersiap-moordpartij op 18 november 1945 te Djalan Olo te Padang.

Monument van de Birma Spoorweg

Een van de (waarschijnlijke) redenen van de slachting aan de Olostraat 27 was dat de daders hoopten de sleutels die toegang gaven tot de Ombilinmijnen te vinden. Tijdens de verschrikkelijke gebeurtenissen werd het huis aan de Olo straat in brand gestoken. Tientallen mannen, vrouwen en kinderen werden gedwongen een grote, rechthoekige kuil te graven. Hierna werd hun keel doorgesneden en werden de lijken in de kuil gegooid. Een aantal jonge meisjes werd verkracht, de borsten afgesneden en hierna alsnog vermoord.

De grootvader van Keller werd tijdens de Bersiap periode elders op Java vermoord.
Politionele Acties

Keller trad, mede door al deze gebeurtenissen, al snel in militaire dienst bij het KNIL, waar zijn vader in middels benoemd was tot instructeur. Hij was echter nog te jong en werd weggezonden. Op 11 september 1946 verbond hij zich als vrijwilliger te Padang voor een jaar als vrijwilliger aan het KNIL. In de rang van soldaat der tweede klasse werd hij aldus als rekruut geplaatst bij het Depot Compagnie te Padang. Aldaar was hij een van de weinige soldaten met een Europese achtergrond.

Militaire staat van dienst

Op 5 november 1946 werd Keller overgeplaatst bij het Centraal Depot te Medan.  Met ingang van 3 september 1947 werd hij geplaatst bij het zesde Bataljon Infanterie en op 8 januari 1948 bevorderd tot soldaat der eerste klasse. Tijdens de Eerste Politionele Actie was Keller, onder overste Maris, met het zesde bataljon, actief op Noord-Sumatra.

Op 8 maart 1948 ging Keller, ter nadere indeling, over bij het Territoriale tevens Troepencommando Riouw en op 16 juli 1948 werd hij ingedeeld bij het tweede bataljon infanterie te Cheribon. Op 10 augustus 1948 ging hij over bij het Plaatselijk Militair Commando aldaar en wat later dat jaar werd hij geplaatst op de Infanterie Kaderschool te Tjimahi. Vlak voor de Tweede Politionele Actie begon vond de plaatsing bij het tweede bataljon infanterie plaats.

Deze periode van strijd was moeilijk voor Keller omdat hij zich, tijdens de Tweede Politionele Actie, min of meer gedwongen voelde tegen zijn eigen mensen te vechten. Dat was omdat het gevechtsterrein zich toen bevond in de geboortestreek van Keller.
Naar Nieuw-Guinea

Na de Politionele Acties werd Keller met ingang van 7 april 1950 overgeplaatst bij het Centraal Doorgangskamp te Batavia en met ingang van 24 juli 1950 verrichtte hij tijdelijke dienst bij de Koninklijke Landmacht. Twee dagen later werd hij, in verband met de reorganisatie van het KNIL na de soevereiniteitsoverdracht, eervol uit de militaire dienst van het KNIL ontslagen.

M.S. Waterman

Deze soevereiniteitsoverdracht had op 27 december 1949 plaatsgevonden. Alle Indo’s binnen het KNIL waren door de Nederlandse regering voorbestemd voor het Tentara Nasional Indonesia (TNI), het Indonesische Nationale leger. Deze lotsbestemming vernam Keller in Batavia, toen hij en andere militairen door Hollandse officieren tijdens een bijeenkomst hieromtrent werden voorgelicht. Er brak bijna een massale vechtpartij uit toen de altijd zeer loyaal gebleven KNIL-militairen van deze discutabele beslissing van de Nederlandse overheid kennis namen.

Uiteindelijk maakte generaal R.C. Luchsinger een einde aan de zeer dreigende situatie door mede te delen dat de KNIL-militairen naar Nieuw-Guinea zouden worden gezonden. De manschappen (2.000 mannen, vrouwen en kinderen, die daarnaast kippen, geiten en hak- en kapmateriaal) werden naar de Waterman gedirigeerd, waar zij hun wapens, die zij eerder niet hadden willen afgeven, in de riolen aldaar verstopten.  Aldus werd omstreeks 2.000 man naar Nieuw Guinea verscheept, waar hen een bestaan als kolonist zou wachten. Keller zelf kwam te wonen in Manokwari, waar hij RMWO Mauritz Christiaan Kokkelink ontmoette. Jaren later zou hij op Bronbeek met de nalatenschap van Kokkelink te maken krijgen.
De strijd in Korea

Keller werd met ingang van 26 juli 1950 bij het Regiment Van Heutsz als vrijwilliger voor onbepaalde tijd bij de Koninklijke Landmacht aangenomen en tewerk gesteld bij de Landmacht op Nieuw-Guinea. Met ingang van 16 augustus 1951 werd hij ontheven van deze tewerkstelling en ingedeeld bij het Nederlands Detachement Verenigde Naties, dat op die datum per vliegtuig vanuit Biak via Japan naar Puaan vertrok, waar het op 23 augustus aankwam.

Heuvel in Korea

Aldaar werd Keller tijdelijk, met ingang van 15 oktober 1951, benoemd tot korporaal. Tijdens een gevecht op 18 februari 1952 raakte hij (niet ernstig) gewond. Een paar maanden later, 6 juli 1952, vertrok Keller per Generaal le Roy Eltinge naar Japan, vanwaar hij per vliegtuig terugkeerde naar Nieuw-Guinea. Op 16 juli 1952 werd hij eervol ontheven van zijn tewerkstelling bij het Nederlandse Detachement Verenigde Naties en met ingang van die datum tewerk gesteld bij de landmacht op Nieuw-Guinea.
Werkzaamheden in Nederland

Keller werd met ingang van 21 februari 1954 ontheven van zijn tewerkstelling bij de Landmacht Nieuw-Guinea en vertrok per vliegtuig naar Nederland, waar hij werd opgevangen in de paardenstal in de legerplaats te Oldebroek. In de rang van soldaat der eerste klasse werd hij geplaatst bij het Bewakingskorps Koninklijke Landmacht (24 maart 1954). Met ingang van 5 november van dat jaar volgde de bevordering tot korporaal.

Brief van Keller aan de Koningin

Begin januari 1955 ging Keller over naar het Regiment van Heutsz, waar hij werd ingedeeld bij het twaalfde regiment. Enige jaren later deed hij de onderofficierenschool om opgeleid te worden voor de rang van sergeant der infanterie (1957) en in 1958 volgde een detachering bij de Opleidingsschool voor administratief kader. Pas op 8 augustus 1959 verkreeg hij bij wet de “hoedanigheid van Nederlander”.
Nieuw-Guinea en latere loopbaan

In mei 1962 keerde Keller naar Nieuw-Guinea terug, waar hij met ingang van 1 juni 1962 benoemd werd tot pelotonssergeant. Dat was wegens de militaire confrontatie in West-Papoea.  In deze functie bleef hij werkzaam tot november van dat jaar, toen hij terugkeerde naar Nederland, waar hij op 4 november 1962 aankwam. In de loop van de jaren die volgden werd hij diverse malen overgeplaatst en volgde verschillende opleidingen. Hij nam verder onder meer deel aan de parate- en wachtdiensten in Nederland en Duitsland.

Keller verliet de militaire dienst in 1983 in de rang van adjudant-onderofficier.
Gids op Bronbeek

Keller was gedurende vele jaren na zijn pensionering als vrijwilliger werkzaam als gids van Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek. In 2010/2011 zorgde hij er persoonlijk voor dat de Kokkelink-vlag, symbool voor het verzetswerk van de groep Kokkelink tijdens de bezetting van Nieuw-Guinea door Japan, een meer eervolle plaats, in een eigen vitrine, in de permanente tentoonstelling “Het verhaal van Indië” kreeg.

Bo Keller notities rondleiding Bronbeek

Hij heeft in de loop der jaren, helaas met wisselend succes, bij de collectiebeheerders van Bronbeek, steeds met argumenten en feiten onderbouwd, vasthoudend en volhardend gewezen op ergerlijke fouten en onjuistheden in de opstellingen.

Wat moet Nederland trots zijn op deze man, die zowel in de Oost, als op Nieuw-Guinea, op Korea, in Nederland, maar ook na zijn pensionering, de naam van ons leger hoog hield. Die zelfs nu hij de tachtig ver gepasseerd is de vinger aan de pols van de presentatie daarvan op Bronbeek en elders houdt. Die ook digitaal steeds een belangrijke verdediger van onze militaire eer is. Hulde aan adjudant onderofficier bd. George Wilhelm Keller!


Decoraties (selectie)

Ereteken voor Orde en Vrede
Kruis voor Recht en Veiligheid met de gesp Korea (12 augustus 1952)
Koreaanse Oorlogsmedaille, toegekend door de Zuid-Koreaanse regering (7 november 1952)
United Nations Service Medal met de gesp Korea (15 december 1952)
Bronzen Medaille (25 december 1952)
Onderscheidingsteken verbonden aan de Koreaanse Presidential Unit Citation (24 maart 1954)
Nieuw-Guinea Herinneringskruis met gesp 1962 (1 oktober 1962)
Zilveren Medaille (11 september 1964)
Gouden Medaille (25 oktober 1974)

 

Bersiap is een nooit erkend trauma

PAULA BRUNSVELD-VAN HULTEN is geboren in Surabaya, Indonesie en kwam in 1961 naar Nederland
29 november 2013 – De Volkskrant.

Nederlands-Indië
Dat nu, met grote wijsheid en betweterigheid achteraf, de moordende Indonesische vigilantes ‘vrijheidsstrijders’ worden genoemd, is onverteerbaar.

Bersiap: klaar staan… Een traumatische, zwarte herinnering voor oudere Indische Nederlanders, deze moordperiode op de blanda’s, de Nederlanders, kwetsbaar vlak na hun bevrijding in 1945 uit vier jaar honger en ellende in de jappenkampen. Indonesische vigilantes, opgehitste jongelui, overvielen en vermoordden zomaar, vaak ‘s nachts, Nederlanders met bamboe roentjing (bamboe spiesen) of ander wapentuig. Bij duizenden zijn ze vermoord, mannen, vrouwen, kinderen… ‘De kali was rood van het bloed, er dreven altijd wel lijken in, ook van kinderen, verschrikkelijk’, vertelden ook mijn ouders later aan hun kinderen. Waar we moord en brand over schreeuwen als het in Afrika of Azië gebeurt, daar doen wij hier koeltjes over. Sterker nog, dat de Nederlandse militairen toen hardhandig in actie kwamen tegen de desa’s en kampongs (de vigilantes waren altijd anoniem, net als de moslimfundamentalisten in Irak) is begrijpelijk, al is overschrijding van de grenzen van menselijkheid nooit goed te praten. Maar de heftigheid van sommige soldatenoptreden, gevoed door emoties als wraak en ontzetting over wat met eigen ogen was gezien, is begrijpelijk. Ook in deze oorlog – want dat was het – gebeurden over en weer verschrikkelijke dingen.

Voor de mensen die het hebben meegemaakt is het onverteerbaar dat wereldverbeteraars zonder historisch geheugen het Nederlandse optreden nu met betweterigheid en grote wijsheid achteraf afdoen als ‘oorlogsmisdaden’, de berichtgeving van toen betitelen als ‘propaganda’ en de moordende Indonesische vigilantes als ‘vrijheidsstrijders’. Ook is het onverteerbaar voor hun kinderen en kindskinderen, die dit als een nooit herkend en erkend trauma van hun ouders hebben meegekregen.

‘De moord op duizenden (Indische) Nederlanders in de Bersiaptijd is door Nederland altijd gelaten geaccepteerd, terwijl het zich het best laat omschrijven als volkerenmoord’, aldus de Amerikaanse historicus William H. Frederick in een interview op 18 november in Trouw. Hij spreekt van ‘postkoloniaal geheugenverlies’ van de Nederlandse autoriteiten.

Indonesië zit niet te wachten op al die zelfincriminatie door Nederland over zijn acties destijds, waarmee allerlei mensenrechtelijke claims worden gestimuleerd bij de lokale bevolking, die – zo blijkt na Rawagedeh – het smartengeld aan de enkele overlevenden op bevel van de dorpsoudste verdeelt onder de hele gemeenschap (niet onterecht, vind ik). Indonesië ziet de bui al hangen: al die nabestaanden van de Bersiap-genocide – zo noemt historicus Frederick die periode – gaan de Indonesische staat aanklagen.

Ik ben niet anti-Indonesië, integendeel. Het vrijheidsstreven en het succes van Indonesië met Soekarno als grote man, heb ik altijd bewonderd. Zo ben ik ook opgevoed.

Ik ben blank en blond, geboren in Surabaya op dag één van de Tweede Politionele Actie; mijn vader had moeite om naar het ziekenhuis te komen door de acties. Pas op mijn 13de, eind 1961, ben ik in Nederland gekomen. In de jaren vijftig had Soekarno verordonneerd dat Nederlanders moesten kiezen: vertrekken naar Nederland of blijven, maar dan Indonesisch staatsburger worden. Mijn ouders kozen voor het laatste, en ik wist niet beter dan dat Indonesië mijn land was. Ik zat ook op een Indonesische school, leerde en sprak daar Bahasa, zong op het schoolplein met alle kinderen het volkslied Indonesia Raja. Met Nederland had ik niets te maken, daar kwam de Bijenkorfbrochure voor Sinterklaas vandaan. Opa’s en oma’s waren in het jappenkamp gestorven.

Indonesië begon eind jaren vijftig met het terug claimen van Papoea Nieuw-Guinea, immers het ontbrekende deel van de archipel, dat ook door de Nederlandse kolonisator was bezet. In mijn ogen – ik was 11, 12 – was dat volkomen terecht en was Nederland de bad guy, die wilde blijven vasthouden. Luns, met zijn belachelijke snorretje, was de personificatie van dat foute Nederland voor mij en voor de rest van Indonesië. Wij stonden helemaal aan de Indonesische kant in ons gevoel.

Toch heeft dit conflict geleid tot ons vertrek uit Indonesië, het land waar ik dacht mijn hele leven te leven, naar dat koude, vijandige Nederland. Ik heb nog steeds begrip voor de vijandigheid van de bevolking tegen ons; we zagen er erg ‘blanda’ uit. Die vijandigheid nam bedreigende vormen aan, zowel fysiek als sociaal. Wij zijn uiteindelijk eind 1961 als spijtoptanten in Nederland gekomen.

Hier werd ik geconfronteerd met een heel ander beeld van dat conflict. Hier was Soekarno de grote boosdoener, Nederland de vermoorde onschuld. Ik heb daarvan voor het leven geleerd dat de waarheid zoals je die in de media en politiek ziet en hoort relatief is. Er zijn meer waarheden.

Dit geldt ook voor de oplaaiende discussie rond de Nederlandse oorlogsacties na de Tweede Wereldoorlog in Indonesië.

 

“Vodje van Luns” bleek helemaal niets waard

Robert Beckman Lapré uit Zoetermeer, Nederland, geeft antwoord op de vraag waarom Nederland vasthield aan het bezit van Nieuw-Guinea.
Nederland zocht ruimte voor hen die Indonesië na 1949 wilden
verlaten.

Bruut moslimregime vernietigt de Papoea’s” en “Nederland wilde per se Indonesië dwarszitten” waren een paar commentaren.
Na decennia wordt nu de vraag opgeworpen waarom Nederland bij de onafhankelijkheid van Indonesië op 27 december 1949 zo graag Nieuw-Guinea wilde behouden. Het antwoord is onverwacht simpel. Nederland, nog niet hersteld van de vijf oorlogsjaren en een honderden miljoenen kostend “herstel van recht en orde” in Indonesië (het oostelijk deel van het Koninkrijk der Nederlanden), wilde Nieuw-Guinea tijdelijk benutten om de te verwachten stroom van Nederlanders en Indische Nederlanders, die na de onafhankelijkheid van Indonesië op gang kwam, in het gebied onder te brengen.

Hoe hoog de nood was bij de aanvraag van paspoorten en reis bescheiden bij het Hoge Commissariaat der Nederlanden, beschrijft Hans Meyer in zijn boek “In Indië geworteld”. Daarin valt met name deze zin op: “Zelfs al had men de vereiste papieren die het Nederlanderschap aannemelijk maakten, men kreeg geen paspoort.

Premier Drees zou zelfs hebben voorgesteld Indische Nederlanders, zelfs die met een Nederlands paspoort, stelselmatig de overtocht naar Nederland te weigeren. De Nederlandse regering dacht in haar onschuld dat men bij het behouden van Nieuw-Guinea op de steun van Amerika kon rekenen.  Maar de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Foster Dulles scheepte onze minister Luns af met een stukje papier waarop hij de Amerikaanse belofte zette.

Later werd dit bekend onder de naam “het vodje van Luns”.

En nu, decennia later, zijn de Papoea’s de dupe van de grote wereldpolitiek.

Dezelfde politiek die Amerika deed kiezen voor de Republiek Indonesia, die Nederland uit Nieuw-Guinea verdreef en de Papoea’s met de regels van Indonesië opzadelde. Ruim 70 procent van de bevolking in de steden bestaat inmiddels uit niet Papoea’s. Daarbij gaat het voornamelijk om immigranten uit Java en Sulawesi. Rust en Orde worden op Nieuw-Guinea door zo’n 40.000 Indonesische militairen gehandhaafd.

De auteur, Robert Beckman Lapré, diende van augustus 1960 tot oktober 1961 in Nieuw-Guinea.

Geen woorden maar daden van Jacq. Z. Brijl

Zowel de Koninklijke Marine, als de Marine Luchtvaartdienst en de Nederlandse Koopvaardij zijn beslist trots op de familie van Jacq. Z Brijl.

Zijn oom Luitenant ter Zee 1 Naas Chömpff was bij het uitbreken van de wereld oorlog met Japan commandant op de Torpeodbootjager Piet Hein. Tijdens de zeeslag met een Japans vlooteskader verloor hij in 1942 het leven, waarvoor hij postuim de Militaire Willemsorde 4# de klasse kreeg toegekend.

Een oudere broer van vader Brijl was gezagvoerder bij de Koninklijke Pakketvaart Maatschappy.

De KPM werd ingezet voor het vervoer van militaire troepen en hum materiaal. Boy Brijl kreeg in 1947 postuum het Kruis van Verdienste toegekend.

Jacq. Z. Brijl, Luitenant Kolonel bd.

Jacq. Z. Brijl, Luitenant Kolonel bd.

De heer Jacq. Brijl heeft zelf in Nieuw Guinea en Suriname samengewerkt met de MLD, Marine Luchtvaart Dienst en het Korps Mariniers. Ook was er later een goede relatie met het 320 Squadron van vliegkamp Valkenburg. Hij was toen voorzitter van de medische hulporganisatie Horizon Holland Foundation.

Na zijn pensionering en reeds de 80 gepasseerd zette Jacq. Z Brijl zich in voor de enkele honderden vergeten militairen in het voormalig Nederlands Indie alsnog aan een eervolle onderscheiding te helpen. Immers zei die toen bereidt waren zich op te offeren voor het vaderland, verdienen die erkenning.

Bovenstaande contacten komen daarbij goed van pas. Velen hebben voor het vaderland hun leven gegeven, anderen hebben het overleefd, maar al deze moedige mensen en hun families verdienen op z’n minst de Erkenning. Hun land Nederland moet hen daar dankbaar voor zijn.

In de vijf plus jaren dat dat hij hier mee bezig is, heeft Jacq. Brijl zeker al 100 veteranen en/of hun families aan een onderscheiding geholpen. Een paar dikke mappen thuis getuigen van zijn vele successen zowel in Nederland als in de vele andere landen, zoals Australie, Canada en de Verenigde Staten. Van recenter datum ziet u hier beneden een paar voorbeelden en de heer Brijl weet niet van ophouden.

Robert Karel Diks, geboren te Balikpapan, Borneo/Kalimantan, op 29 augustus 1923.

Mobilisatie Oorlogskruis

Mobilisatie Oorlogskruis

Oorlogsherinneringskruis

Oorlogsherinneringskruis

Ereteken voor Orde en Vrede

Ereteken voor Orde en Vrede

Rang: militie soldaat 1ste klasse Genietroepen, voor de oorlog 3de Bat. Genietroepen, na de oorlog o.a. bij Genie veldcie en MT te Palembang.

Hij overleed op 7 april 1989 in Duarte, Californie. De heer BH Crawford te Zwijndrecht had de eer het Mobilisatie Oorlogskruis postuum te mogen ontvangen.

De heer Brijl met echtgenote hebben een bezoek gebracht aan Etten-Leur, waar hij, namens de minister van Defensie Jeanne Hennis-Plasschaert, in het Indisch restaurant Ruma Dani 3 onderscheidingen uitgereikt heeft aan Ritmeester bd. Frans Snip en Mw. Frances Snip-Middleton, die alsnog waren toegekend aan landstorm soldaat Infanterie KNIL Hendrik Frederick Middleton,  teweten:

Het Mobilisatie Oorlogskruis
Het Ereteken voor Orde en Vrede
Het Demobilisatie Insigne KNIL

Intussen is bekend geworden dat de uitreiking van het MOK aan wijlen militaire Sergeant 1ste klasse Jan Nieuwdorp op 29 september 2016 aanstaande in het ZMA te Washington door de militaire attache, kolonel Marcel Buis, aan zijn kleinzoon en zijn dochter, mevrouw Ela Work-Nieuwdorp, worden uitgereikt.

Daarnaast heeft luitenant-kolonel bd. Brijl en trotse drager van het Bronzen Leeuw, de op een na hoogste dapperheidsonderscheiding van Nederland, nog diverse onvoltooide aanvragen onderhanden, zoals van Peggy Lesquillier namens haar vader, die de atoombomaanval op Japan heeft overleefd.

Ook Willy Fransz namens haar echtgenoot, die in de oorlog door de Jappen als gevangene gedwongen werd slavenarbeid te plegen aan de Pakan Baru Spoor te Sumatra.Hij overleed in April 1945. Willy Fransz zelf al 95 jaren oud, woont in Greenville, North Carolina.

Het is veel werk, maar zolang hij het kan doen, doet hij het met liefde. Het motto van de heer Brijl: “Ieder mens heeft het recht op waardering”.

Trauma en Nostalgie

(De Indische ervaringen in de perioden voor de Tweede wereld oorlog, tijdens, er na en de bersiap tijd, de Nieuw Guinea tijd en na de gedwongen emigratie, de ontvangst in Nederland)

Een goede kennis, die psychiater is, heeft mij o.a. in een beperkte vorm uitgelegd wat trauma’s kunnen zijn en veroorzaken.
Daarbij gaf hij toe dat trauma en nostalgie dicht bij elkaar liggen, met het verschil dat de een vaak problemen veroorzaakt en de ander je sentimenten oproept.

Nostalgie is een vorm van heimwee. Het drukt een algemeen verlangen naar vroeger uit, naar ‘de goede oude tijd’. Vaak gaan nostalgische gevoelens gepaard met een bepaald jeugd sentiment.

Een (onbewuste) trauma is een lichamelijke of psychische verwonding na een schokkende gebeurtenis, waardoor blijvende psychische problemen kunnen ontstaan.

U en ik, wij allen hebben beiden, zowel de nostalgie als de onbewuste trauma.
Zowel de nostalgie als de trauma zijn opgeslagen in een deel van je hersenen en worden op een latere leeftijd vrijwillig of onvrijwillig naar boven gehaald.
Echter de onbewuste trauma is de killer. Trauma’s uit het verleden bepalen je toekomst.

Hoe ‘gevaarlijk’ is het wanneer je wél een onbewust trauma hebt maar niet weet dat je dit hebt?
Een onbewuste trauma heeft een grote impact op zowel je fysiek als geestelijke gesteldheid. Het levert spanningen en stress op. Gevolg?
Allerlei fysieke en/of geestelijke klachten. Dit is niets nieuws. Maar vaak weten we niet dat we trauma’s hebben opgelopen. Met alle gevolgen van dien.

Definitie (onbewust) Trauma:
PTSS (Post Traumatische Stress Stoornis) wordt gezien als een angststoornis die zich ontwikkelt uit een of meerdere niet verwerkte traumata: uit ernstige stressgevende situaties, waarbij soms sprake is van levensbedreiging, ernstig lichamelijk letsel of een bedreiging van de fysieke integriteit. Voorbeelden zijn: – oorlog, burgeroorlog en andere gewapende conflicten – gewelddadige aanvallen – verkrachting en seksueel misbruik – emotioneel of lichamelijk misbruik in de vroege jeugd.
Velen van de ouderen onder ons, die de Jappen periode en/of hun concentratiekampen hebben meegemaakt, herkennen de hierboven vermelde voorbeelden. Gelukkig kunnen velen van ons het naast ons neerleggen en doorgaan met ons leven. Helaas ook velen niet en die hebben PTSS.

Wie zijn er de veroorzakers van en dragen de verantwoordelijk van bovengenoemde perioden?

  1. Alle politieke leiders en regeerders en machthebbers van o.a. Nederland, Engeland, Japan en ook Indonesië.
  2. De christelijke geloven, het moslim geloof en vele bij-geloven.

De Nieuwe Nederlanders uit Nederland Indie

Blijf waar je bent. Nederland zit vol! De boodschap van de Nederlandse Overheid: Als u overweegt naar Nederland te komen, het is beter dat u niet komt! U als Indische Nederlanders zullen en kunnen in Nederland het nooit redden. De meeste van U hebben niet dat doorzettingsvermogen. Deze nieuwe Nederlanders hebben nooit geleerd en waren niet gewend de handen uit de mouwen te steken. Ook zijn er voor hen in Nederland geen rieele bestaansmogelijkheden.

Wie waren die Indische Nederlanders? En het bovenstaande is niet verzonnen.

In de jaren na de Japanse tweede wereldoorlog werden door de toenmalige Nederlandse regeringen, waaronder ministers, hoge ambtenaren en studiecommissies documenten en rapporten met bovenstaande vermeldingen opgesteld.

Bovenstaande visie geeft aan hoe de overheid toen over de Indische Nederlanders dacht die toen nog in het voormalig Nederlands Indie bevonden.

Juridisch waren ze gewoon Nederlander, maar toch niet welkom in Nederland.

De overheid heeft daadwerkelijk het bovenstaande geprobeerd en getracht het uittevoeren.

Onder andere door een rijksvoorschot voor de overtocht van repatrianten te weigeren of te vertragen. Ook werden de quota’s voor het verstrekken van visa’s voor spijtoptanten enorm vertraagd.

Een betrokken minister, die mede verantwoordelijk was voor de Overzeese Rijksdelen en waarvan bekend was, dat hij niet veel kennis had van Indische zaken, verkondigde dat het verstandiger was voor de Indische Nederlander om te kiezen voor het Indonesisch staatsburgerschap. Bovendien zag hij problemen met de aanpassing van de Indos binnen de arbeidsmarkt in Nederland, want ze kunnen het Nederlandse arbeidstempo toch niet aan.

Deze denkbeelden heeft in een schrijven gericht aan alle ministers en staatsecretarissen.

Eind 1950 werd in een rapport bekend over de Indische ambtenaren en andere werkkrachten. Het kwam er op neer, dat er geen toekomst voor hen was, want zelf na aanvaarding van het Indonesisch staatsburgerschap werden ze ontslagen. Echter diverse ministers waren daar niet mee eens met de gemaakte analyse en de op tafel gebrachte cijfers.

Intussen kregen de Indische Nederlanders tot 27 december 1951 de tijd om hun keuze te bepalen. Naar Nederland of het Indonesische staatdburgerschap.

De Nederlandse regering besloot tot steun aan de Indische Nederlanders in Indonesie. Dit werd echter niet gedaan uit sociale overwegingen. Immers als er geen steun in Indonesie werd verleend, dan zouden deze mensen naar Nederland willen verterekken.

Intussen was de toestand dusdanig dat het extra levensmiddelen werden verstrekt aan de armlastige Indische Nederlanders. Tot en met het jaar 1953 werd vanuit het Hoge Commissariaat constant gepoogd met name de Indo-Europeanen af te zien van repatriering naar Nederland.

Intussen werden steeds meer Indische Nederlanders ontslagen en vervangen door Indonesiers.

Daarnaast was het met de Indonesische economie heel slecht gesteld.

Intussen waren al heel wat familieleden en vrienden reeds naar Nederland vertrokken en begonnen de achterblijvers zich eenzaam en alleen te voelen. Ook werd de omgeving er niet vriendelijker op.

De werkelijkheid gaf aan dat de meesten ook niet lang hoefden na te denken en de keuze naar Nederland te vertrekken was reeds een uitgemaakte zaak.

Echter de Nederlandse overheid gaf niet op, alleen werden nu vooral de laaggeschoolden duidelijk benadert en duidelijk gemaakt dat het voor hun beter was het Indonesisch staatsburgerschap te kiezen.

Intussen werd er van Indonesische kant bij de Nederlandse bedrijven op aangedrongen om Indonesiers aantenemen. Hierdoor verloren de Nederlanders hun baan.

Op ambtelijk niveau was men in Nederland nauwelijks geneigd om de Indo-Europeanen in hun benarde positie te steunen. Het Nederlands belang was nog steeds de Indo in Indonesie te houden, want de kosten voor de overtocht waren te hoog.

De Nederlandse bevolking zag het ook niet meer zitten om meer Indo-Nederlanders toetelaten.

Een commissie onder leiding van de heer Werner werd naar Indonesie gestuurd om rapport op te stellen. De commissie zag voor de Europees ingestelden een mogelijkheid tot repatriering naar Nederland, maar voor de oosterse georienterenden was het beter om in Indonesie te blijven. Immers zijn Indonesische landskinderen al waren ze politiek en juridisch Nederlands staatsburger. Ze waren door hun trage arbeidstempo ook niet geschikt voor de Nederlandse samenleving en zouden in nederland kansloos zijn.

Intussen was het rapport van Werner in Nederland bekend. De nederlandse kerken en de tweede kamer hadden veel kritiek op de bevindingen van Werner.

Echter de overheid handhaafde haar standpunt, dat de Indische Nedrlanders in Indonesie moesten blijven.

Premier Drees stelde zich op het standpunt dat Indische Nederlanders niet in aanmerking kwamen voor een rijksvoorschot op de reiskosten.

Echter die zelfde Nederlandse regering kon de Indische Nederlanders, die al hun hebben en houden verkochten en daarmee hun reis zelf konden betalen, niet tegen houden. Het waren namelijk ook Nederlanders. Echter ook deze mensen, om hun tegen te werken, Deze mensen kregen bij aankomst in Nederland een verzorgingsregeling van een lager niveau.

Naast de verslechterde omstandigheden voor de Indische Nederlanders, werd de verhouding tussen Indonesie en Nederland er ook niet beter op.

In 1957 had het Indonesisch leger een staat van beleg afgekondigd.

In 1958 moesten buitenlanders een werkvergunning hebben en Indonesiers hadden voorrang.

In Nederland begon men in te zien, dat de toestand in Indonesie zodanig was, dat men wel verplicht was de Indische Nederlanders te helpen. De versoepeling van het beleid werd niet door het hele kabinet ondersteund. Vooral de heren Suurhof en Drees hebben zich hier tegen verzet.

Uiteindelijk werd de Nieuw Guinea kwestie Nederland en de Indische Nederlanders fataal. Nederlandse bedrijven werden genationaliseerd en Nederlanders moesten het land verlaten.