George Wilhelm (Bo) Keller

De Levensloop van een Indisch Nederlander
Geschreven door Menke de Groot
Aangepast door Ron Geenen aan zijn web

George Wilhem (Bo) Keller

Vroege jaren

George Wilhelm (Bo) Keller (Sawah-Lunto, 6 september 1928) werd op Sumatra geboren als zoon van Gerrit Keller, mijnopzichter bij de Ombilinkolenmijn. Deze mijn, in 1868 ontdekt door mijningenieur W.H. de Greve, lag in een afgelegen gebied van de Padangse Bovenlanden (Sumatra’s Westkust). De mijn werd bij wet van 28 december 1891 van staatswege geëxploiteerd. Gerrit Keller was een der weesjongens van Sumatra’s Westkust geweest, opgegroeid bij de Paters van Tilburg.

Ombilin Steenkoolmijn in Sawahlunto

Keller werd al jong naar zijn grootouders gezonden, waar hij opgroeide in een kampong. Toen hij in de derde klas van de lagere school zat werd hij teruggestuurd naar zijn ouders. Dat was een enorme overgang voor hem omdat hij van het vrije leven in de kampong terecht kwam in een streng Katholiek gezin, dat woonde in een stenen huis.

Niet lang hierna brak in Europa de Tweede Wereldoorlog uit en werd het moederland, Nederland, bezet. Deze gebeurtenissen leidden tot een enorme toename van patriottische, pro-Nederlandse, gevoelens in Indië.
Japanse bezetting

Als jonge jongen van 13 jaar aanschouwde Keller de restanten van het verslagen Engelse leger en het binnentrekken van van de Japanse overwinnaar in zijn geboorteplaats op Midden-Sumatra.

Toen de Japanners Nederlands-Indië begin 1942 veroverden maakte men de belangrijkste apparatuur van de Ombilinmijn onklaar door deze in het water af te laten zinken. Hierop werden veel mensen gearresteerd en in gijzeling genomen door de Japanners, waaronder ook de jonge Bo Keller.  Nadat hij echter, tot genoegen van zijn belagers, tot drie maal toe Banzai Nippon had geroepen liet men hem gaan.

Pakan Baru Herdenkingsteen

Intussen leed het gezin Keller armoede omdat de Ombilinmijn buiten werking was gesteld. Een poging om dan maar een fiets te verkopen leed schipbreuk omdat alle bezit nu eigendom was geworden van de Japanners. Korte tijd later werd Keller junior in een geblindeerde trein afgevoerd.

De periode tot zijn zeventiende levensjaar en het einde van de oorlog bracht hij door in diverse vrouwen- en mannenkampen, met als “tussendoortje” een eenjarig verblijf in de gevangenis van Padang. Ook in deze tijd werd hij door de Japanners gedwongen mee te graven aan een massagraf, dat in eerste instantie ook voor hem bestemd leek. De bombardementen van Hiroshima en Nagasaki kwamen maar net op tijd.
De Bersiapperiode: de Olo-affaire

Na de bevrijding van Nederlands-Indië kwam er geen rust maar begonnen op grote schaal moordpartijen plaats te vinden; Indo’s en Nederlanders werden zonder aanziens des persoon afgeslacht door bruut optredende bendes nationalisten, hiertoe eerder getraind door de Japanners. Een van de gelegenheden waarbij Keller veel familieleden verloor was de Bersiap-moordpartij op 18 november 1945 te Djalan Olo te Padang.

Monument van de Birma Spoorweg

Een van de (waarschijnlijke) redenen van de slachting aan de Olostraat 27 was dat de daders hoopten de sleutels die toegang gaven tot de Ombilinmijnen te vinden. Tijdens de verschrikkelijke gebeurtenissen werd het huis aan de Olo straat in brand gestoken. Tientallen mannen, vrouwen en kinderen werden gedwongen een grote, rechthoekige kuil te graven. Hierna werd hun keel doorgesneden en werden de lijken in de kuil gegooid. Een aantal jonge meisjes werd verkracht, de borsten afgesneden en hierna alsnog vermoord.

De grootvader van Keller werd tijdens de Bersiap periode elders op Java vermoord.
Politionele Acties

Keller trad, mede door al deze gebeurtenissen, al snel in militaire dienst bij het KNIL, waar zijn vader in middels benoemd was tot instructeur. Hij was echter nog te jong en werd weggezonden. Op 11 september 1946 verbond hij zich als vrijwilliger te Padang voor een jaar als vrijwilliger aan het KNIL. In de rang van soldaat der tweede klasse werd hij aldus als rekruut geplaatst bij het Depot Compagnie te Padang. Aldaar was hij een van de weinige soldaten met een Europese achtergrond.

Militaire staat van dienst

Op 5 november 1946 werd Keller overgeplaatst bij het Centraal Depot te Medan.  Met ingang van 3 september 1947 werd hij geplaatst bij het zesde Bataljon Infanterie en op 8 januari 1948 bevorderd tot soldaat der eerste klasse. Tijdens de Eerste Politionele Actie was Keller, onder overste Maris, met het zesde bataljon, actief op Noord-Sumatra.

Op 8 maart 1948 ging Keller, ter nadere indeling, over bij het Territoriale tevens Troepencommando Riouw en op 16 juli 1948 werd hij ingedeeld bij het tweede bataljon infanterie te Cheribon. Op 10 augustus 1948 ging hij over bij het Plaatselijk Militair Commando aldaar en wat later dat jaar werd hij geplaatst op de Infanterie Kaderschool te Tjimahi. Vlak voor de Tweede Politionele Actie begon vond de plaatsing bij het tweede bataljon infanterie plaats.

Deze periode van strijd was moeilijk voor Keller omdat hij zich, tijdens de Tweede Politionele Actie, min of meer gedwongen voelde tegen zijn eigen mensen te vechten. Dat was omdat het gevechtsterrein zich toen bevond in de geboortestreek van Keller.
Naar Nieuw-Guinea

Na de Politionele Acties werd Keller met ingang van 7 april 1950 overgeplaatst bij het Centraal Doorgangskamp te Batavia en met ingang van 24 juli 1950 verrichtte hij tijdelijke dienst bij de Koninklijke Landmacht. Twee dagen later werd hij, in verband met de reorganisatie van het KNIL na de soevereiniteitsoverdracht, eervol uit de militaire dienst van het KNIL ontslagen.

M.S. Waterman

Deze soevereiniteitsoverdracht had op 27 december 1949 plaatsgevonden. Alle Indo’s binnen het KNIL waren door de Nederlandse regering voorbestemd voor het Tentara Nasional Indonesia (TNI), het Indonesische Nationale leger. Deze lotsbestemming vernam Keller in Batavia, toen hij en andere militairen door Hollandse officieren tijdens een bijeenkomst hieromtrent werden voorgelicht. Er brak bijna een massale vechtpartij uit toen de altijd zeer loyaal gebleven KNIL-militairen van deze discutabele beslissing van de Nederlandse overheid kennis namen.

Uiteindelijk maakte generaal R.C. Luchsinger een einde aan de zeer dreigende situatie door mede te delen dat de KNIL-militairen naar Nieuw-Guinea zouden worden gezonden. De manschappen (2.000 mannen, vrouwen en kinderen, die daarnaast kippen, geiten en hak- en kapmateriaal) werden naar de Waterman gedirigeerd, waar zij hun wapens, die zij eerder niet hadden willen afgeven, in de riolen aldaar verstopten.  Aldus werd omstreeks 2.000 man naar Nieuw Guinea verscheept, waar hen een bestaan als kolonist zou wachten. Keller zelf kwam te wonen in Manokwari, waar hij RMWO Mauritz Christiaan Kokkelink ontmoette. Jaren later zou hij op Bronbeek met de nalatenschap van Kokkelink te maken krijgen.
De strijd in Korea

Keller werd met ingang van 26 juli 1950 bij het Regiment Van Heutsz als vrijwilliger voor onbepaalde tijd bij de Koninklijke Landmacht aangenomen en tewerk gesteld bij de Landmacht op Nieuw-Guinea. Met ingang van 16 augustus 1951 werd hij ontheven van deze tewerkstelling en ingedeeld bij het Nederlands Detachement Verenigde Naties, dat op die datum per vliegtuig vanuit Biak via Japan naar Puaan vertrok, waar het op 23 augustus aankwam.

Heuvel in Korea

Aldaar werd Keller tijdelijk, met ingang van 15 oktober 1951, benoemd tot korporaal. Tijdens een gevecht op 18 februari 1952 raakte hij (niet ernstig) gewond. Een paar maanden later, 6 juli 1952, vertrok Keller per Generaal le Roy Eltinge naar Japan, vanwaar hij per vliegtuig terugkeerde naar Nieuw-Guinea. Op 16 juli 1952 werd hij eervol ontheven van zijn tewerkstelling bij het Nederlandse Detachement Verenigde Naties en met ingang van die datum tewerk gesteld bij de landmacht op Nieuw-Guinea.
Werkzaamheden in Nederland

Keller werd met ingang van 21 februari 1954 ontheven van zijn tewerkstelling bij de Landmacht Nieuw-Guinea en vertrok per vliegtuig naar Nederland, waar hij werd opgevangen in de paardenstal in de legerplaats te Oldebroek. In de rang van soldaat der eerste klasse werd hij geplaatst bij het Bewakingskorps Koninklijke Landmacht (24 maart 1954). Met ingang van 5 november van dat jaar volgde de bevordering tot korporaal.

Brief van Keller aan de Koningin

Begin januari 1955 ging Keller over naar het Regiment van Heutsz, waar hij werd ingedeeld bij het twaalfde regiment. Enige jaren later deed hij de onderofficierenschool om opgeleid te worden voor de rang van sergeant der infanterie (1957) en in 1958 volgde een detachering bij de Opleidingsschool voor administratief kader. Pas op 8 augustus 1959 verkreeg hij bij wet de “hoedanigheid van Nederlander”.
Nieuw-Guinea en latere loopbaan

In mei 1962 keerde Keller naar Nieuw-Guinea terug, waar hij met ingang van 1 juni 1962 benoemd werd tot pelotonssergeant. Dat was wegens de militaire confrontatie in West-Papoea.  In deze functie bleef hij werkzaam tot november van dat jaar, toen hij terugkeerde naar Nederland, waar hij op 4 november 1962 aankwam. In de loop van de jaren die volgden werd hij diverse malen overgeplaatst en volgde verschillende opleidingen. Hij nam verder onder meer deel aan de parate- en wachtdiensten in Nederland en Duitsland.

Keller verliet de militaire dienst in 1983 in de rang van adjudant-onderofficier.
Gids op Bronbeek

Keller was gedurende vele jaren na zijn pensionering als vrijwilliger werkzaam als gids van Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek. In 2010/2011 zorgde hij er persoonlijk voor dat de Kokkelink-vlag, symbool voor het verzetswerk van de groep Kokkelink tijdens de bezetting van Nieuw-Guinea door Japan, een meer eervolle plaats, in een eigen vitrine, in de permanente tentoonstelling “Het verhaal van Indië” kreeg.

Bo Keller notities rondleiding Bronbeek

Hij heeft in de loop der jaren, helaas met wisselend succes, bij de collectiebeheerders van Bronbeek, steeds met argumenten en feiten onderbouwd, vasthoudend en volhardend gewezen op ergerlijke fouten en onjuistheden in de opstellingen.

Wat moet Nederland trots zijn op deze man, die zowel in de Oost, als op Nieuw-Guinea, op Korea, in Nederland, maar ook na zijn pensionering, de naam van ons leger hoog hield. Die zelfs nu hij de tachtig ver gepasseerd is de vinger aan de pols van de presentatie daarvan op Bronbeek en elders houdt. Die ook digitaal steeds een belangrijke verdediger van onze militaire eer is. Hulde aan adjudant onderofficier bd. George Wilhelm Keller!


Decoraties (selectie)

Ereteken voor Orde en Vrede
Kruis voor Recht en Veiligheid met de gesp Korea (12 augustus 1952)
Koreaanse Oorlogsmedaille, toegekend door de Zuid-Koreaanse regering (7 november 1952)
United Nations Service Medal met de gesp Korea (15 december 1952)
Bronzen Medaille (25 december 1952)
Onderscheidingsteken verbonden aan de Koreaanse Presidential Unit Citation (24 maart 1954)
Nieuw-Guinea Herinneringskruis met gesp 1962 (1 oktober 1962)
Zilveren Medaille (11 september 1964)
Gouden Medaille (25 oktober 1974)

 

We are Indische Nederlanders, not Indonesians

Daan van Lent of the Dutch newspaper NRC.nl wrote on April 13, 2017 the following article:

“It must be right first time ‘
Wendelien of Oldenborgh represents the Netherlands next month at the Venice Biennale with the project “Cinema Olanda”. She made a new film.
“One of the subjects of that movie was about and I quote:”
—————— “A third story, the Indonesian migrants who came to the Netherlands after World War II. ”300,000 Eurasians and Moluccans. Now, in 2017, they seems to have been seamless integrated and have become almost pet immigrants. But they were not then. ”

Many “Indische Nederlanders” in the Netherlands and other parts of the world, like California are not please because of the constant stupidity and arrogant attitude shown by many Dutch people, especially those from the press and politicians.

Here below is the story written by Anneke van de Casteele on the same sickening topic.
The Dutch version from her hand
: http://annekevdcasteele.blogspot.nl/2017/03/wij-zijn-indische-nederlanders-geen.html

‘We are Indische Nederlanders, not Indonesians!’

Last Tuesday night, February 28, 2017, Dutch D66 democrat party leader Alexander Pechtold was one of the guests on TV talkshow ‘Pauw and Jinek’. We saw him verbally wipe out a competitor in the upcoming Dutch elections, because of his contradictory statements, rightly so. However, we also heard him make a mistake, which he later described on Twitter as ‘careless’. He referred to the group of approximately 1.7 million Indische Nederlanders (Dutch Indos) living in the Netherlands today, as ‘Indonesians’. The Dutch Indo community was in an uproar. Also rightly so.
Did I cringe when I heard it? You know me, so yes. Was I surprised? Well, no. Pechtold is not the first and certainly not the only one who calls us ‘Indonesians’ (or worse: Dutch Indians).
Is it Dutch ignorance? Well, that could be very well possible. Were it not that even Dutch Indos often make the same mistake, especially the younger generation often describes itself as ‘Indonesian’ or even uses both terms, carelessly. This is where education comes in.
Is it just an innocent slip of the tongue? A slip of the tongue could be easily forgiven. However, ‘innocent’ it certainly is not. With the use of only one single word, the largest and oldest group ‘Dutch with a migration background’, as it is called nowadays, is put into a box where it does not belong. For many Dutch Indos this ‘slip of the tongue’ has grave connotations.
After almost 75 years of our presence in the Netherlands, The Hague still does not see us. It is the well-known blind spot. They know full well that we are there, but they do not want to see it, for then they would obviously have to address the never fully realized restitution of justice for the Dutch Indo community. From us, they expect ‘silence’ and ‘assimilation’: the ancient misconception that The Hague should really have to get rid of after all this time.
Hey, what’s that? These Dutch Indos no longer remain silent. What the hell. They make themselves heard. “We are not Indonesians!” It was as if I heard my father speak out some 40 years ago, when an office worker of Civil Affairs, while renewing my Dad’s passport, stated that my Dad was born in Indonesia.
“I was born in the former Dutch East Indies, Madam, not in Indonesia.”
The blonde innocence itself behind the desk replied, “But that’s completely the same thing?” She was being a bit dumb, sorry Alex (Pechtold, not Willy).
What our democratic people’s representative does not realize – and anyone who makes the same mistake – is that that the one word ‘Indonesians’ is the whole reason that we Dutch Indos are here in this country and not in Indonesia.
I am not going to explain for the 1000th time what a ‘Indische Nederlander’ is. What I will do, is indicate why it is not an innocent slip of the tongue to refer to us as Indonesians, but an error, which holds a denial – and in public – of our existence, of our identity and our history, of our Dutch citizenship.
In a nutshell: to use the label ‘Indonesians’ is not only technically wrong, it is also laden. It rips open old wounds. Using this label ‘stands for’ the bersiap, the rapes and massacres, the revolution, the ‘sale guerre’ which the Netherlands led until 1949. It stands for the insults, threats, poverty, and unemployment due to the Indonesian government nationalizing Dutch companies.
It stands for fleeing to the country of the nationality stated in everyone’s passport, it meant forever leaving your native land, home and hearth. It stands for anxiety and trauma. It stands for the scandalous reception in the Netherlands, boarding houses, skyrocketing debts and the never heard war trauma, starting all over again from scratch.
It stands for the never materialized restitution of justice, such as the never paid KNIL wages and salaries (the back pay issue). It stands for the suffering of our parents and grandparents. It stands for forced assimilation, racism and discrimination.
So, For many Indische Nederlanders so very much is concealed in the ‘careless’ choice of words of Dutch politician Mr. Pechtold.
But perhaps even more important in Pechtold’s decision to call us Indonesians is the absence of the ‘Indisch’ (Dutch Indo) story in Dutch education. When I say ‘Indisch’, I mean Indisch. Our story needs to be told by us, not through the rose colored glasses with the white lenses, worn by The Hague. We are perfectly capable to tell our own story and we have been doing so for years and years. If you would have been paying attention, you would have seen it, Mr. Pechtold.

If Dutch education had not made us invisible, the Dutch people would have known their own country’s history, including Dutch colonial history. Then the Dutch – including Mr Pechtold – would have known who we are, why we are here and that we are not Indonesians.

Please Note: Dutch citizens with roots in the former Dutch East Indies have a large variety of ethnicities, far more than only the Indo-Europeans or Indos. The words ‘Indische Nederlanders’ or ‘Dutch Indos’ popped up extensively in the discussion and I used these for simplification.

Geplaatst door Anneke van de Casteele op 17:37 op haar blog

This article is placed with the permission from Anneke van de Casteele

 

Indo Ga Weg!

indosgaweg27mei2006

De laatste tijd wordt er via Nederlandse websites en het internet door zowel de pers als het schrijvend publiek ook het een en ander over ons Indo’s geschreven en gepubliceerd.

Het volgende zullen waarschijnlijk alleen de ouderen herinneren.

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw verschenen regelmatig op muren de geverfde boodschappen aan ons Indische Nederlanders gericht. Indo Ga Weg!

Ook vele variaties op dat thema zoals “Rot op naar je apenland” en “Ga terug naar je klapperbomen”. Er werd van alles over ons op muren en kaden gekalkt en geschilderd. Vooral in Den Haag was dit schering en inslag.

Hoe kwam het dat een deel van de Nederlandse bevolking zich zo kwaadaardig gedroeg?

Misschien niet te geloven, maar de bronnen waren een deel van de politici, de wetenschappers en zij die het toen voor het zeggen hadden.

Zij schilderden geen leuzen op muren en scholden ons niet uit. Nee, dat niet.

De toenmalige regering en de tweede kamer kwamen wel met voorstellen en regels naar buiten om te voorkomen dat de Indische Nederlanders naar Nederland kwamen. En de pers nam toen dat allemaal over en publiceerden dat in hun kranten.

Zo was er een professor Dr. W.F. Wertheim, hoogleraar, die tijdens een rede het o.a. het volgende zei: “Indische Nederlanders behoorden tot de klasse van inwoners van Indonesië”. Door Nederland te beschouwen als hun moederland – zij waren nota bene Nederlanders vanaf de 19de eeuw! – verkeerden ze in psychische nood”. Maar via psychoanalyse zouden ze leren beseffen dat zij niet in Nederland thuis hoorden, maar in Indonesië.

Secretaris-generaal P.H.M. Werner, die als jurist op het ministerie van Maatschappelijk Werk werkzaam was,  stond het advies voor het te voeren beleid ten aanzien van de Indische Nederlanders waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen westers (blanke totok) en oosters (bruine) georiënteerde Indische Nederlanders. De oosters georiënteerde Indische Nederlanders zouden door hun lage arbeidstempo geen kans van slagen hebben op de Nederlandse arbeidsmarkt. Hij stelde een rapport (rapport Commissie-Werner) samen over de Indo-Europeanen, dat de toenmalige minister president Dr. Drees typeringen en meningen over de aard der Indo’s aantrof die hem deed denken aan “in nazi-tijd gehanteerde terminologieën”.

Daarop verdween het rapport in een lade en keek hij er niet meer naar.

Echter het kwaad was al geschied. Indo’s waren te oosters en zouden zich niet kunnen aanpassen aan de Nederlandse maatschappij. Daarnaast aten ze rijst en geen aardappelen. Bovendien konden ze deze aardappels niet naar zich toe schillen, maar van zich af.

En wat deed de pers? Die namen alles klakkeloos over!

De Nieuwe Nederlanders uit Nederland Indie

Blijf waar je bent. Nederland zit vol! De boodschap van de Nederlandse Overheid: Als u overweegt naar Nederland te komen, het is beter dat u niet komt! U als Indische Nederlanders zullen en kunnen in Nederland het nooit redden. De meeste van U hebben niet dat doorzettingsvermogen. Deze nieuwe Nederlanders hebben nooit geleerd en waren niet gewend de handen uit de mouwen te steken. Ook zijn er voor hen in Nederland geen rieele bestaansmogelijkheden.

Wie waren die Indische Nederlanders? En het bovenstaande is niet verzonnen.

In de jaren na de Japanse tweede wereldoorlog werden door de toenmalige Nederlandse regeringen, waaronder ministers, hoge ambtenaren en studiecommissies documenten en rapporten met bovenstaande vermeldingen opgesteld.

Bovenstaande visie geeft aan hoe de overheid toen over de Indische Nederlanders dacht die toen nog in het voormalig Nederlands Indie bevonden.

Juridisch waren ze gewoon Nederlander, maar toch niet welkom in Nederland.

De overheid heeft daadwerkelijk het bovenstaande geprobeerd en getracht het uittevoeren.

Onder andere door een rijksvoorschot voor de overtocht van repatrianten te weigeren of te vertragen. Ook werden de quota’s voor het verstrekken van visa’s voor spijtoptanten enorm vertraagd.

Een betrokken minister, die mede verantwoordelijk was voor de Overzeese Rijksdelen en waarvan bekend was, dat hij niet veel kennis had van Indische zaken, verkondigde dat het verstandiger was voor de Indische Nederlander om te kiezen voor het Indonesisch staatsburgerschap. Bovendien zag hij problemen met de aanpassing van de Indos binnen de arbeidsmarkt in Nederland, want ze kunnen het Nederlandse arbeidstempo toch niet aan.

Deze denkbeelden heeft in een schrijven gericht aan alle ministers en staatsecretarissen.

Eind 1950 werd in een rapport bekend over de Indische ambtenaren en andere werkkrachten. Het kwam er op neer, dat er geen toekomst voor hen was, want zelf na aanvaarding van het Indonesisch staatsburgerschap werden ze ontslagen. Echter diverse ministers waren daar niet mee eens met de gemaakte analyse en de op tafel gebrachte cijfers.

Intussen kregen de Indische Nederlanders tot 27 december 1951 de tijd om hun keuze te bepalen. Naar Nederland of het Indonesische staatdburgerschap.

De Nederlandse regering besloot tot steun aan de Indische Nederlanders in Indonesie. Dit werd echter niet gedaan uit sociale overwegingen. Immers als er geen steun in Indonesie werd verleend, dan zouden deze mensen naar Nederland willen verterekken.

Intussen was de toestand dusdanig dat het extra levensmiddelen werden verstrekt aan de armlastige Indische Nederlanders. Tot en met het jaar 1953 werd vanuit het Hoge Commissariaat constant gepoogd met name de Indo-Europeanen af te zien van repatriering naar Nederland.

Intussen werden steeds meer Indische Nederlanders ontslagen en vervangen door Indonesiers.

Daarnaast was het met de Indonesische economie heel slecht gesteld.

Intussen waren al heel wat familieleden en vrienden reeds naar Nederland vertrokken en begonnen de achterblijvers zich eenzaam en alleen te voelen. Ook werd de omgeving er niet vriendelijker op.

De werkelijkheid gaf aan dat de meesten ook niet lang hoefden na te denken en de keuze naar Nederland te vertrekken was reeds een uitgemaakte zaak.

Echter de Nederlandse overheid gaf niet op, alleen werden nu vooral de laaggeschoolden duidelijk benadert en duidelijk gemaakt dat het voor hun beter was het Indonesisch staatsburgerschap te kiezen.

Intussen werd er van Indonesische kant bij de Nederlandse bedrijven op aangedrongen om Indonesiers aantenemen. Hierdoor verloren de Nederlanders hun baan.

Op ambtelijk niveau was men in Nederland nauwelijks geneigd om de Indo-Europeanen in hun benarde positie te steunen. Het Nederlands belang was nog steeds de Indo in Indonesie te houden, want de kosten voor de overtocht waren te hoog.

De Nederlandse bevolking zag het ook niet meer zitten om meer Indo-Nederlanders toetelaten.

Een commissie onder leiding van de heer Werner werd naar Indonesie gestuurd om rapport op te stellen. De commissie zag voor de Europees ingestelden een mogelijkheid tot repatriering naar Nederland, maar voor de oosterse georienterenden was het beter om in Indonesie te blijven. Immers zijn Indonesische landskinderen al waren ze politiek en juridisch Nederlands staatsburger. Ze waren door hun trage arbeidstempo ook niet geschikt voor de Nederlandse samenleving en zouden in nederland kansloos zijn.

Intussen was het rapport van Werner in Nederland bekend. De nederlandse kerken en de tweede kamer hadden veel kritiek op de bevindingen van Werner.

Echter de overheid handhaafde haar standpunt, dat de Indische Nedrlanders in Indonesie moesten blijven.

Premier Drees stelde zich op het standpunt dat Indische Nederlanders niet in aanmerking kwamen voor een rijksvoorschot op de reiskosten.

Echter die zelfde Nederlandse regering kon de Indische Nederlanders, die al hun hebben en houden verkochten en daarmee hun reis zelf konden betalen, niet tegen houden. Het waren namelijk ook Nederlanders. Echter ook deze mensen, om hun tegen te werken, Deze mensen kregen bij aankomst in Nederland een verzorgingsregeling van een lager niveau.

Naast de verslechterde omstandigheden voor de Indische Nederlanders, werd de verhouding tussen Indonesie en Nederland er ook niet beter op.

In 1957 had het Indonesisch leger een staat van beleg afgekondigd.

In 1958 moesten buitenlanders een werkvergunning hebben en Indonesiers hadden voorrang.

In Nederland begon men in te zien, dat de toestand in Indonesie zodanig was, dat men wel verplicht was de Indische Nederlanders te helpen. De versoepeling van het beleid werd niet door het hele kabinet ondersteund. Vooral de heren Suurhof en Drees hebben zich hier tegen verzet.

Uiteindelijk werd de Nieuw Guinea kwestie Nederland en de Indische Nederlanders fataal. Nederlandse bedrijven werden genationaliseerd en Nederlanders moesten het land verlaten.

Stille gedwongen integratie in Nederland

Wel integreren, nooit assimileren!

In Nederland is de laatste tijd het woord “racisme” weer een heet hang ijzer aan het worden. Dit vooral veroorzaakt door de veelal in Nederland geborenen van Marokkaanse, Turkse afkomst en van de West Indies. Vooral zwarte Pieten van het kinderfeest Sinterklaas moeten het ontgelden.

Het bovenstaande is des te meer opmerkelijk, omdat in de begin jaren 50 tot 1968 de Indische Nederlanders zowel door een deel van het Nederlandse volk als de overheid behoorlijk gediscrimineerd werden en dat toen heel normaal werd gevonden. Apen, pinda-poep-chinees, ze kunnen ook Nederlands praten, waar hebben jullie dat geleerd?
Het is daarom des te opmerkelijker dat vanuit de Indische hoek er ook weinig over werd geschreven en zelf werd er niets over gerept over de stille dwangmatige integratie.
Heden ten dage wordt de stille integratie van toen door Nederland misbruikt om het welslagen van haar minderheden dan wel multiculturele retoriek te rechtvaardigen.

Weet U nog van toen na dat wij in Holland aankwamen en van boord stappen.
————Het was altijd steenkoud
————Je mocht maar een keer baden en heel kort
————Het pension was te gierig om vlees op tafel te serveren
————Soep dat werd verdund met water
———–Ik dacht altijd dat het een gunst was om hier te komen
———–Ik was goed bezig en niemand had last van mij
———-Wij werden zomaar ergens geplaatst en hadden geen inbreng
———-Het meubel voorschot moest besteed worden door de sociale dienst, die een paar winkels had geselecteerd. Later bleek dat de gemeenten commissie betaalden aan de meubelzaken en de sociale diensten
———Wij wisten pas later dat we het meubelvoorschot moesten terug betalen
———Kledingpakketten kosten 300 gulden, een groot bedrag in die tijd en voor dat geld mochten we zelf niets kopen
——–We werden gediscrimineerd en gekleineerd door allerlei instanties

De eerste jaren in Nederland waren voor ons Indische mensen een verschrikkelijke tijd. Er was niemand die echt in opstand kwam, want we waren hier net en we moesten ons toch aanpassen.
De DMZ of te wel Dienst Maatschappelijke Zorg gedroeg zich als een een gecombineerde eenheid van de GESTAPO en de Kempeitai.
Ondanks dat de meeste Indische Nederlanders erg koninklijk gezind waren en velen hun leven hebben opgeofferd voor een vaderland, dat ze nog nooit hebben gezien, moesten ze vaak bewijzen dat ze hun Nederlanderschap bezaten. Daarnaast moesten zij in het nieuwe vaderland de meest vernederende behandelingen ondergaan.

Als een Indische afhankelijk is van een gunstige beoordeling van een maatschappelijk werker voor het verkrijgen van huisvesting en van een baan, dan ga je je toch aanpassen en dan laat je je toch vernederen!
Je hebt geen keuze, nietwaar.
Maar ondanks het overweldigend succes van de zwijgzame aanpassing van ons Indo’s, tenminste in de ogen van de overheid, vertrokken ruim 60000 Indo’s als door-emigranten naar Amerika,Brazilië, Canada en Australië.
Blijkbaar wordt het in Nederland als normaal beschouwd dat ongeveer 24% van de emigranten/Indische Nederlanders/apen/pinda poep chinees of hoe ze ook werden genoemd, zomaar de Nederlandse gastvrijheid opgaven en naar een nog onbekender vaderland zijn vertrokken en niet zijn terug gegaan.
Eenmaal in Amerika kregen diverse Indo’s wel een schrijven van de Nederlandse overheid om het meubel voorschot alsnog terug te betalen.