Kinderen uit de Jappenkampen

De kinderen, die in de laatste maanden van 1945 uit de Jappenkampen tevoorschijn kwamen, konden niet weten wat de toekomst voor hun inhield. Hun ouders hadden een dergelijk probleem, maar in hun geval dachten zij het te weten—heel eenvoudig, je draait de klok drie-en-een-half jaar terug. Zo ver terug was dat ook weer niet; de films die toen in de bioscopen draaiden maar voor de oorlog gemaakt waren, leken nog nieuw. In Nederland duurde de Duitse bezetting een beetje langer – vijf jaar.

Toch waren de verschillen, afgezien van het lot van de Joden, tussen de bezetting in Indië en Nederland diepgaande, maar dat begreep men niet, nog de Nederlandse bevolking die repatrianten verwelkomde in hun verwaarloosd land, nog de vluchtelingen die uit de verre oost kwamen. Deze laatste beseften zelf vaak niet de gevolgen van hun oorlogslot, en dus bij extrapolatie, ook niet die van hun kinderen, vooral de jongere onder hun. Iedereen beseft dat een onderbroken middelbare schoolopleiding ernstige gevolgen kon hebben, maar de meesten waren opgelucht dat ze de misère overleefd hadden.

Een periode dat kinderen normalerwijze benutte om zich te bereiden voor het leven als volwassene, werd besteed aan overleving in een afgesloten, eenzijdige, bekrompen, uitzichtloze sociale gemeenschap dat niets in het gemeen had met de normale westerse wereld terwijl gedwongen zich aan te passen aan vreemde oosterse ideeën van gedrag. De kinderen zaten opgesloten en gepropt in een samenleving dat vrijwel voor 100% uit een geslacht bestond, hetzij mannelijk of vrouwelijk, terwijl hun familie leven, de sleutel voor een goede toekomst als volwassene, geheel ontbrak. Dergelijk toestanden vind je misschien in een typische gevangenis, maar niet voor een gehele burgerbevolking, inclusief kinderen.

Maar de persoonlijk ontwikkelingsklok stond niet stil en toen die kinderen eenmaal het kamp verlieten, moesten zij de schade van onderbroken en ontwrichte ontwikkeling maar zien te achterhalen en dat ging daarbij veelal tegelijkertijd gepaard met pogingen van hun ouders om hun vooroorlogs leven ook te hervatten maar nu in een sterk veranderde wereld. Een Indische diaspora ontstond in deze zoektocht naar werk en bestaan, waarbij de uitdaging die de kinderen te wachten stond van tweede belang waren.

Typisch van dit verschijnsel is de inhoud van het boek de Japanse Burgerkampen, geschreven door Drs. D. van Delden, dat in 1963 verscheen en trachtte een overzicht te geven van het drama dat, gedurende de oorlogsjaren, zich in oost Azië afspeelde. Het boek beschrijft uitvoerig de internering, en de ontbering, maar zuiver vanuit het gezichtspunt van de volwassen kampbevolking. Typisch is de opmerking op pagina 376, aan het begin van een hoofdstuk gewijd aan Psychologische Reacties:”

“Heeft iemand zich niet aan het kamp leven kunnen aanpassen, er niets geleerd, is hij er slechts als verbitterde mens uitgekomen, dan moeten de naoorlogs jaren hem moeilijker zijn gevallen dan degenen, die de poort uit konden gaan als een wijzer en mogelijk blijmoediger mens.”

Drs. van Delden had met deze opvatting het oog verloren op het feit dat bijna de helft van de burgerkamp bevolking bestond uit kinderen, voor win de kamptijd het begin was van hun leven. Het woord “kind” wordt vaak in haar boek vermeld, maar niet als een onafhankelijk menselijk figuur, met gedachten en vrezen, maar als een tabula rasa, die weliswaar een bron van zorg waren voor hun moeders (of in sommige gevallen, vaders). De oorlog was voorbij en hun toekomst, anders dan dat van hun ouders, lachten hun toe. Maar zo soepel liep dat niet.

Tegen 1980 kreeg een medische praktijk in de gaten dat de kampjaren onder de jeugdige, langdurig sporen had nagelaten. Vijf jaar later verscheen in het Nederlandsch Geneeskundig Tijdschrift een verslag met de titel: Kinderen in de Japanse kampen, de Bersiap en daarna.”

Dr. P.G. Bekkering en M. Bekkering-Merens gebruikte een concept dat zes jaar eerder ontworpen was voor de traumatisering classificatie van Joodse wees kinderen. Zij vonden dit ook nuttig voor de psychische klachten van achtenvijftig patiënten (mannen zowel als vrouwen), en zagen daarbij een samenhang tussen de aard van de klachten en geboortejaar, verdeelt in drie groepen (1927-1933, 1934-1938, 1939-1942), dat grof weg overeen kwam met de ontwikkeling stadia van het kind en de kamp omstandigheden. Een kwart eeuw later verscheen een tweede artikel: “The Significances Of Experiencs Of War And Migration In Older Age: Longterm Consequences In Child Surivors Of The Dutch East Indies” door Trudy T.M. Mooren en Rolf. J. Kleber.[1] Met behulp van gegevens verzameld van 939 personen, kwamen zij dankzij een statistieke analyse tot de conclusie dat over het algemeen, kinderen uit de Japanse kampen meer langdurige last hadden van trauma dan de overlevende van de Holocaust kampen.

De Nederlandse Staat voelde zich genoodzaakt om actie te nemen; Staats hulpverlening voor deze groep was de doelstelling van de WUBO (Wet Uitkering Burger Oorlogsslachtoffers 1940-1945) dat in Maart 1984 ingesteld werd, maar eerst niet toepasselijk was voor kampkinderen. Dat gebeurde pas later, in 1993.

Ik heb in 2017 aanvraag hierop gedaan en werd in 2018 geaccepteerd. In mijn geval is dat alleen maar van potentieel belang voor de toekomst. Ik heb last gehad maar heb het eindelijk na vijftig jaar) achter me kunnen leggen. Ik heb geboft. Die periode heeft ook verdriet veroorzaakt voor mijn kinderen.

Dat ik een rare vogel was besefte ik maar half voor het merendeel van mijn leven na de oorlog, en dat ik deel zou uitmaken van een groep mensen met dergelijk klachten had ik toen helemaal niet in de gaten. Daglicht op dit onderwerp begon bij mij langzaam door te schemeren toen ik positieve reacties ontving voor mijn boek (Tjideng Reunion) dat ik pas in 2008 op de markt bracht. Hierbij een van de eerste van dergelijk brieven

I very much appreciate the effort you have gone to, to include in your book the global events that surrounded you and your family, so that your experiences could be seen in context of what was unfolding around you. Your book is very readable, very informative, very descriptive, pleasingly accurate, and is exactly the glimpse into my father’s life that I was hoping for.

Peter Teutscher, HongKong

De heer Teutscher, een pilot, toen gestationeerd in Hongkong, was een van mijn eerste klanten. In een volgende brief wees hij mij erop dat zijn vader, woon achtend in Nieuw-Zeeland, vreemd was. Zijn grootmoeder, Mevrouw Teutscher-Vis zat met haar twee kinderen in Tjideng, terwijl zijn grootvader in Tjimahi zat. De vader van Peter werd in 1939 geboren, dus was van mijn leeftijd. Ja, achteraf gezien was ik ook vreemd, misschien net zo vreemd als zijn Pa.

In de daaropvolgende jaren ontving ik veel meer van dergelijke brieven. Tegenwoordig zijn het brieven van kleinkinderen die zich afvragen wat met Opa of Oma aan de hand was. Het merendeel van die ongeluksverhalen betrof mannen die als jongens de oorlog doormaakte. Ik heb ook trieste, hartverscheurende verhalen gehoord van meisjes, maar lang niet zo veel. Waarom dat zo is weet ik niet.

Van de drie en veertig vorige jonge kampbewoners die ik over de jaren heb leren kennen, kan ik zeggen dat maar de helft redelijk goed terecht zijn gekomen. Voor de andere werd het een eenzaam bestaan, vaak begeleid met drankproblemen, depressie, echtscheiding en werkeloosheid. Ik woon in Victoria en heb persoonlijk in deze kleine stad twee zeer tragische slachtoffers gekend.

Nu begon ik me aftevragen: hoeveel kinderen kwamen uit de kampen en waarom ging het mis met zo veel? Twee moeilijke vragen. Voor de eerste vraag zocht ik een statisch antwoord, en voor de tweede vraag beschrijf ik mijn eigen verleden zo goed en zo kwaad als het ging, alleen maar om mezelf en mijn kinderen een begrip te geven van wat gebeurde.

Hoeveel kamp kinderen waren er?

Om te beginnen moest ik het begrip kampkind definiëren, en gebruikte hiervoor de classificatie van Dr. Bekkering—iemand geboren tussen 1927 en 1944.

Kinderen van 1927, hadden aan het einde van de oorlog een leeftijd van 18 jaar, en waren minstens vier jaar middelbare schoolopleiding misgelopen. Hun staarden een onderwijs aanpassingsprobleem tegemoet, afgezien van het psychische trauma die het kampleven hun achtervolgde.

Naarmate dalende leeftijd, veranderde de aard van de aanpassing problemen. Kinderen die na 1933 werden geboren waren niet alleen hun basisonderwijs misgelopen, dat op zichzelf misschien niet zo belangrijk was, maar ook sociale ontwikkeling.

Mevrouw Campioni, kampleidster in het Grogol kamp, maakte zich jaren later bezorgd over haar zoontje en schreef in 1980:

Ergens waren bijna alle kinderen geestelijk of lichamelijk blijven staan. Bij Jos heb ik als kampleidster het meest gefaald als moeder. Ik was de hele dag bezig en Jos kon zich geestelijk weinig ontwikkelen. Dit kind heeft beslist het meest in de oorlog geleden…… De geestelijke ontwikkeling, die hij in zijn eerste kleuterjaren had moeten hebben, heeft hij totaal gemist.

Deze kinderen kwamen na de oorlog met eigenaardige opvattingen op school en moesten zich redden tussen klasgenoten die absoluut geen verstand hadden van het verleden van hun makkers en minder geduld voor vreemde figuren. Het was beter als kind, je mond te houden.

Kinderen die gedurende de kamp tijd op de wereld kwamen hadden niet zo zeer sociale tekortkomingen, maar waren vaak wel verzwakt door ondervoeding. Hoe het ook zij, de kinderen gingen, na de oorlog een geheel vreemd leven tegemoet, geestelijk verzwakt door de handicap van hun kamptijd. Hoeveel kinderen waren dat?

Betrouwbare gegevens bestaan niet. Ik heb met behulp van de naamlijsten die de oorlog overleefden een benadering trachten te maken.

Volgens de website gemaakt en onderhouden door de heer Henk Beekhuis (www.Japanseburgerkampen.nl), bevatten interneringkampen in August 1945 omtrent 87,000 zielen

  Mannen  en jongens kampen Vrouwen en kinderen kampen Totaal
Java 27,470 44,624 72,094
Sumata 4,018 7,464 11,482
Borneo 319 273 592
Celebes 830 1,933 2,763
Totaal 32,637 54,294 86,931

Het grootte verschil tussen de hoeveelheid mannen en vrouwen is deels te wijten aan het feit dat velen vrouwen getrouwd waren met KNIL-personeel, die elders in Azië gevangen zaten.

Hoeveel kinderen zaten in Vrouwen-en-Kinderkampen?

Ik schat dat 38% van de vrouwen kamp-bevoking in augustus 1945 uit kinderen bestond. Dit is de fractie kinderen die ik in twee kampen kon vastleggen: ADEK in Batavia en Tjihapit in Bandoeng. Deze twee kampen hadden hetzelfde demografische profiel.

Als wij deze fractie toepassen aan de totalen bevolking van vrouwen kampen in Indië, dan blijkt dat ronduit 20,500 kinderen in die vrouwen kampen zaten.

Maar kinderen (geboren tussen 1927 en 1933 (zelfs een paar uit latere jaren) bevonden zich ook in de zogenaamde mannen kampen. Goede leeftijd informatie is alleen beschikbaar voor vier kampen op Java en een kamp op Sumatra. Van de 17,576 namen op die lijsten kunnen 3,575 jongens genoemd worden, oftewel 20%. Het totaal aantal jongens in Indië dat zich aan het einde van de oorlog in mannen of jongens kampen bevond is dus geschat op 6,500. Bij elkaar waren 27,000 kinderen benadeeld in hun later leven door de kampervaring.

Voor een aantal redenen was het lot van de jongens wat betreft hun latere leven over het algemeen, erger dan van de meisjes. De jongens, elf jaar en ouder, werden afgevoerd en vaak als slaven benut. De meisjes bleven bij hun moeders. Van de reacties die ik op mijn boek kreeg blijkt ook dat verreweg het merendeel van na-oorlogsverdriet onder de mannelijk deel van de bevolking viel. Ik zelf kan daarvan meepraten.

Nu is de vraag: hoeveel jongens waren dat? Het zou niet onredelijk zijn om het aantal te schatten als 50% van de totale kinderbevolking, oftewel 13,500.

Oorzaak van trauma

  • Gestoord onderwijs, vooral voor jongens die in 1945 ouder waren dan twaalf jaar en zonder basisonderwijs middelbare school moesten betreden
  • Gestoorde relaties met vaders die een hele andere kampervaring gehad hadden
  • Gruwel karweien die door “sterke “jongens verricht moesten worden: doodslaan van honden, bijvoorbeeld of het behandelen van gestorven kamp genoten.
  • Moeite met het vormen van sociale relaties op school dankzij hun vreemde jeugd. Het werden vaak straatbengels.

In sommige gevallen verschenen na de oorlog jongere broers en zusjes die de kamp tijd niet hadden meegemaakt. Dit veroorzaakte vaak een permanente breuk in de familie.

Sociale problemen zijn niet uitsluitend te wijde aan de kampen van de tweede wereldoorlog. Het is waarschijnlijk een blijvend verschijnsel dat bijvoorbeeld de grootschalige emigratie uit Syrië ook zal aantastten.

Boudewijn van Oort

Auteur van Tjideng Reunion

Victoria, Canada

12-01- 2020

 

[1] International Journal of Psycho geriatrics (2013)

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Up