Unfinished business & Trauma

Toen ik in 2008 , na veel zwoegen en met hulp van veel mensen, mijn boek “Tjideng Reunion” op de markt bracht, werd ik vrij snel verrast  door onverwachte, maar positieve reacties. Een van de eerste was van een piloot, gebaseerd in Hongkong die mij dankte voor het licht dat mijn boek wierp op de ervaring van zijn vader, gepensioneerd in Nieuw Zeeland. Zijn vader, schreef hij, was “vreemd.”   Zijn vader was van mijn leeftijd groep (geboren in 1939) en zat van het begin af aan in het beruchte Tjideng kamp. Mettertijd ontving ik meer van dergelijk reacties.

Ik kreeg ook een andere reactie. Mensen die mijn boek lazen en absoluut niets afwisten van het drama dat zich in Indië ontplooid had, vroegen mij: Hoe heeft die kamptijd jou aangetast? Die vraag kon ik niet toen beantwoorden. In mijn opvatting, had ik geboft. De familie bleef heel en in 1961 had ik het zo ver geschopt dat ik een Rhodes Scholarship kreeg.  Hierbij een foto van mijn tien andere bevoorrechte studenten op weg naar Oxford.


Beter kon het niet. En toch, terwijl ik op die trap stond ( vierde van onder) had ik een gevoel dat iets niet helemaal goed was met mij. Ik vond mezelf toen ook een beetje eigenaardig.

In Oxford heb ik toen bewust een poging gedaan om een van die eigenaardigheden te verslaan. Ik ging roeien en ik moet toen natuurlijk ook trainen. Dat had ik niet voorzien. Onder ander rende ik toen met mijn roeiploeg de stad rond. Tot mijn grote verbazing kon ik net zo goed rennen als ander studenten. Dat was toch vreemd niet waar? Ik was nota bene23 jaar oud toen ik die vreemde ontdekking maakte. Ik kon rennen!

Hoe zou de kamp tijd een geestelijk litteken achter kunnen laten? Ja, dat hangt ervan af.

Er zijn natuurlijk hele duidelijke situaties die eenieder zal beschouwen als traumatisch voor jong zowel als oud en die de rest van hun leven kunnen beïnvloedden. Ik beperk me in dit verhaal tot de jongere generatie- geboren tussen 1927 en 1939. Dit is de generatie die na de oorlog alle gelegenheid hadden om een gezond welvarend leven te leiden. Bij het eindigen van de oorlog waren zij minstens zes jaar oud, en konden een begin maken met basisonderwijs, of waren achttien , moesten misschien een onderbroken middelbare schoolopleiding afmaken, maar konden dan weer verder.

Ik kende toevallig een man die bij twaalfjarige leeftijd, honden dood moest slaan. Dat was in Tjideng. Kampcommandant, Sonei, vond dat huisdieren niet meer geduld konden worden   en beval dat alle honden het kamp uit moesten. Jongens van twaalf – dertien jaar waren in zijn ogen geschikt om deze orde uit te voeren. Zij moesten de honden in jutte zakken stoppen en dan net zo lang op die zakken slaan met stokken tot dat het gekerm, gegil en gehuil van de honden ophield. Deze ervaring heeft, onder ander, Jac S. zijn leven lang achtervolgd. Hij is een jaar of tien geleden in Victoria gestorven, een gebroken man, tot groot verdriet van vrouw en dochter.

Er zijn ook jongens geweest die in een mannenkamp terecht kwamen en daar het een en ander meemaakte dat niet leuk was. Mannen trachtten, vooral in het begin, te vluchtten, werden gepakt, ten dood veroordeeld door de Japanse commandant, maar de kogeltoevoer vanuit Japan was gebrekkig, en men moest zuinig zijn. Een andere oplossing voor het doodsvonnis was het gebruik van een bajonet. Dat valt niet mee. De misdadigers moeten vastgebonden worden aan een hek en dan moeten de soldaten de bajonet door de maagholten omhoogsteken, achter de ribben, en dan flink heen en weer zodat longen en hart en aderen vernield worden. De Commandant beschouwde deze gelegenheid als een goede oefening voor zijn soldaten, zowel als een flinke les voor zijn gevangenen. Een les is alleen maar van betekenis voor de overlevenden, dus toeschouwers waren hard nodig, anders had dit spektakel geen nut. En niemand kan het je kwalijk nemen dat jij, als achttienjarige zoiets met moeite in je latere leven kan verwerken.

Bovengenoemde voorbeelden zijn nogal extreem, maar het idee van straf voorbeeld kwam regelmatig voor in de Jappenkampen, en is trouwens ook een aspect van onze samenleving.  Gevangenisstraf of doodstraf dient als afschrikkend te werken. Dat onze samenleving steeds geteisterd wordt door moord, verkrachting en diefstal, suggereert dat het afschrikkende voordeel van zulke strafmaatregelen het een en ander te wensen laat. Maar een spektakel laat beslist sporen achter.

“Ik heb het zelf, als zeven jarige, meegemaakt dat vrouwen, moeders vooral, afgeranseld werden, zodat ze niet meer konden lopen, en waarom? Zij hadden gesmokkeld– kleren voor eten. Voor kampkinderen was dit een normaal beeld.

De kampen waren voor de meerderheid, streng gescheiden qua geslacht. In mannen kampen waren vrijwel geen vrouwen, en in de vrouwen en kinderen kampen waren vrijwel geen Europeesche mannen. De enige mannen die een kind zag waren Japanse soldaten of hun heiho, Indische “hulp soldaten,” die wel mochten stelen en ranselen maar die het Japansche leger niet vertrouwde met geweren. Het was een uiterst vreemde samenleving waaruit kinderen tevoorschijn kwamen in oktober 1945. Voor de volwassene waren de kampen een gruwelijke afwijking van hun vooroorlogse leven, maar kinderen hadden een heel ander blik. Zij wisten niet beter.

En als je in een dergelijke vreemde samenleving opgroeit dan is het wel even wennen aan de normale samenleving. Geen enkele poging werd na de oorlog gedaan om de kinderen bij deze overgang te helpen. Ze moesten het zelf maar uitzoeken. Daarbij kwam dat ouders hun eigen aanpassingsproblemen hadden – moeilijkheden met het huwelijk en vooral gebrek aan huisvesting en werk.

Het is dus niet verbazingwekkend dat de kamptijd langdurige sporen achterliet. Dit beperkte zich niet tot diegenen die de kamptijd als kind meemaakte, maar beïnvloedde ook de volgende generaties. De joodse bevolking heeft ook iets dergelijks meegemaakt.

En hoe ging het met mij?

Mijn drie jaar in Oxford waren fantastisch, maar ondertussen stierf mijn moeder in een vreselijk auto-ongeluk, en mijn vader hertrouwde. Ik trouwde ook maar ondanks mijn schitterend academische achtergrond, een veel belovend begin met mijn carrière   ging mijn leven de duisternis in. Ik trouwde slecht.

In 1985 verscheen een verhaal in het Nederlands tijdschrift voor geneeskunde waarin de auteurs aandacht vestigde op een stel Psychotherapisten  onderhandelingen sinds 1980 van 58 mannen en vrouwen die tussen 1927 en 1942 waren geboren. Dit bevestigde een eerder gepubliceerde waarneming “De Japanse kampen, nog geen verleden tijd”. [1] Hoe die problemen tot stand kwamen werd niet beschreven

In 1988 vond mijn echtscheiding plaats en maakte ik een nieuw begin. Het overleiden van mijn vader in 1990 spoorde mij aan om een begin te maken met mijn opsomming van ons verleden. Mijn boek, Tjideng Reunion,  dat ik toen begon te schrijven, had niets te maken met mijn eigen ervaring, en alles met die van mijn ouders en hoe zij de oorlog overleefd hadden en een begin hadden gemaakt met het naoorlogs leven. Ik besteedde geen aandacht aan mijn eigen gefaalde verleden.

Maar publicatie in 2008 bracht mij in contact met een generatie die mijn na -oorlogsgeschiedenis enigszins deelde, en langzamerhand begon ik een patroon te zien, hoe mijn levensloop aspecten deelde met die van andere kamp genoten van mijn leeftijd- vooral jongens. Vier jaar geleden begon ik een begrip te vormen van mijn eigen ontwikkeling, en waarom het misliep in 1962, toen in feite een riante toekomst mij te wachten had moeten liggen. En dat is het boek dat ik nu schrijf.

Boudewijn van Oort

Victoria , Canada October 2020

[1] Kinderen in de Japanse kampen, de Bersiap en daarna, ( P.G. Bekkering em M. Bekkering-Merens-Ne. Tijdschr Geneeskune 1985;129: nr 32)

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Up