Mannen en Jongens

In dit verhaal tracht ik een overzicht te geven van de mannen en jongens kampen in Nederlands Indië gedurende de Japanse bezetting (1942-1945).  Dit doe ik naar aanleiding van de overgebleven namenlijsten, zowat de enigste documentatie die de oorlog overleefde. In vorige artikelen beschreef ik in het kort hoe de internering van Europeesche (totok) burgers verliep ― eerst de werkende mannen, daarna vrouwen met hun kinderen en oude mannen, en uiteindelijk gingen ook Indo’s en vreemdelingen het kamp in, maar lang niet overal. Erg veel hing af van de lokale omstandigheden. In het Tjimahi kamp complex bijvoorbeeld zaten velen met typische Chinese namen, zoals de heer Lim Oh Hoa, of een stel met de familie naam Lauw (de heren Djin Hing, Kim Seng, Oh , Pang Soei enz). Duitsers kwamen ook in de kampen terecht, ondanks de (gebrekkige) samenwerking tussen de twee heren H ― Hirohito en Hitler.

Zoals eerder verteld heeft de heer Henk Beekhuis destijds met veel pijn en moeite al de gerapporteerde namen samenbracht op zijn website : (https://www.japanseburgerkampen.nl/

Aan het einde van de oorlog zaten die 32 000, mannen en jongens gevangen in 23 kampen op Java, Sumatra, Borneo en Celebes. Namenlijsten zijn in de website alleen maar beschikbaar voor acht kampen, en die lijsten zijn gebrekkig van kwaliteit. Voor 15355 gevallen uit een totaal van 17806 namen zijn ook geboortegegevens of leeftijd beschikbaar. Andere informatie varieert enorm van lijst tot lijst.

Alle mogelijke reden zijn hiervoor verantwoordelijk. Potlood schrift in de tropen is gauw onleesbaar, de lijsten werden voor allerlei redenen bijgehouden. Het gevolg hiervan is dat het vraagteken zeer vaak door Henk Bekehuis gebruikt moest worden.   De gestorven kampbewoners worden soms wel en soms niet gemeld.

Ter wille van dit verhaal heb ik een poging gemaakt om één grootte lijst te maken van de zeven die Henk Beekhuis samengesteld had.  Het ging me om het lot van de jongens die in alle mannenkampen terecht kwamen. Alleen maar leeftijd identificeert deze groep. Voor het Baros 6, zogenaamde, jongens kamp, dat trouwens ook volwassene mannen hield, bestonden drie aparte lijsten, met vaak dezelfde naam op alle drie. Dat moest opgeruimd worden.

Toch valt er het een en ander uit zulk een grote lijst te halen. De oudste man J.H.A van Heeteren was geboren in 1858, en de jongste, F. Cairn, in 1940.  Ja, in de zogenaamde mannen kampen bevond zich een kleuter. De Heer van Heeteren is gestorven in het Bangkong kamp in Semarang, Java, op 21 november 1944 en was toen 87 jaar oud. De jonge F. Cairns (kamp nummer 825- Engels waarschijnlijk) zat met zijn veertig jarige vader (kamp nummer 826) in Bangkinang mannenkamp op midden Sumatra.  Hij is waarschijnlijk als jochie van drie of vier in een mannenkamp terecht gekomen. Hoe kwam dat? Geen spoor is te ontdekken van zijn moeder in het nabijgelegen vrouwenkamp, maar dat zegt niets. Andere kamp lijsten ontbreken volledig.

De selectie informatie die op namenlijsten bijgehouden werd was grotendeels afhankelijk van de lokale condities.  Sommige lijsten geven de kamp nummers, en andere datum van geboorte of datum van sterven, beroep, leeftijd, herkomst of nationaliteit. De mannen (en jongens) die op Celebes in Bolong kamp zaten kwamen van allerlei kleinere eilanden, zoals Timor, Ambon en Bali.

Een bijzonder aspect van deze kampen was het lot van jongens die plotseling en onverwacht hierin verschenen toen de Jappen de vrouwen en kinderen kampen zuiverde van mannen (ouder dan tien jaar!).  Waar de jongens terecht kwamen had niets te maken met familie verband.  Soms boften zij en troffen hun vader of oudere broer, soms niet. In het Baros 5 kamp zat een vader, Hr. A.H. Bracht, oud 55 jaar met zoon A.J. Bracht (oud 17) en zoon B. Bracht, oud 7 jaar. Die kinderen boften. In hetzelfde kamp zat een jochie, C.G. van Dooremaal, toen notabene zes jaar oud, bij zijn veertig jaar oude vader. Hoe kwam dat nu weer?

Zodoende keken de mannen, die in Si Rengorengo zaten (midden Sumatra, helemaal afgelegen in een moerassig landbouwgebied)  op 29 mei 1945 verbaasd op toen zij de volgende aanvoer van mannen verwelkomde.  De heer J.J. van de Velde, een journalist beschreef het zo: “verleden week op een avond liet de Japansche luitenant ons weten dat de volgende dag een transport met twee honderd mannen zou binnekomen. Wij moesten onze (slaap) planken dichter naar elkaar toeschuiven om slaapplaatsen voor de nieuwkomers gereed te maken.  Wat wij de volgende dag zagen was ongelofelijk: een lange rij van tweehonderd kleine scharminkeltjes van jongetjes kwam de poort binnen, jongentjes van tien jaar die bij de moeders in de vrouwen kampen waren weggehaald.”[1] (onder hun een familie kennis van mij die nu op Vancouver Island woont). De oudere mannen trachten zo goed en zo kwaad als het ging het stel op te vangen.

Maar wat bij zo een gelegenheid binnen kwam was al na drie jaar bezetting vaak al zwaar beschadigd, geestelijk zowel als lichamelijk. Zo kwam Jack Stibbe op dertienjarige leeftijd in Tjimahi terecht na een hele slechte ervaring in Tjideng. Hij had als laatste taak in Tjideng, tezamen met wat andere jongens, een dag besteed met het dood slaan van honden, onder het toezicht van de beruchte Kapitein Sonei.  Dat viel niet mee, en die ervaring heeft hem zijn leven lang achtervolgd. En hoe kon hij zich dan in een mannenkamp redden?  Daar zijn andere dingen gebeurd die hij verborgen hield. Ik heb Jack leren kennen als een volkomen gebroken man.

In een van de Tjimahi mannen kampen werd een poging gedaan om in het geheim de jongens die daar terecht kwamen wat onderwijs te geven. In de Baros 6 lijst bevinden zich onder de 1258 namen van mannen, vijf die “leraar” genoemd worden en een professor H.R Woltjer. Zij maakten een poging om de 865 jongens wat onderwijs bij te brengen.

De Mannen kampen in Tjimahi werden door de Jappen uitgebuit voor propaganda.

 Hierbij een typische photo (links) om te laten zien hoe goed de ziekenverzorging was.
De tweede photo genomen in een hospitaal bij Semarang geeft een ander beeld- dat van een levend skelet.
Vrouwen kampen werden daarentegen niet gebruikt voor propaganda. Het idee van een vrouwen en kinderen kamp was moeilijk te nutten als propaganda materiaal.

Die mannen kampen waren voor de Japanners een bron van werkkrachten, en Jongens waren nog zogenaamd sterk. De jongens van het Bangka kamp (eerder genoemd) waren dus uiterst geschikt om in de bossen te werken als houthakkers. Er was een schreeuwend tekort aan brandstof. Dr. John Stutterheim schrijft het een en ander hierover in zijn boek.[2] Hij was zeventien jaar oud, bijna twee meter lang toen hij moest helpen met het zagen van het hout met een geïmproviseerde handzaag en hij woog toen 95 pond (43 kilo). Na de oorlog heeft hij zijn twee jaar jongere broer van Bangka, twee kilometer ver moeten dragen naar het kamp waar zijn moeder op sterven lag.

Onder de verzameling namen hier bij elkaar gehaald waren er 2321 schooljongens die na de oorlog moeite hadden om onderwijs in te halen om dan met een normaal leven door te gaan. Voor erg veel is dat niet gelukt.  Als wij veronderstellen dat dit een representatief fractie is van de totale bevolking van de mannen kampen, dan waren er tegen de 5000 jongens die na de oorlog moeite hadden om hun middelbare schoolonderwijs in te halen.  Chris, een familie kennis, die in Si  Rengorengo op Sumatra zat,  moest bij twaalf jarige leeftijd een begin maken met onderwijs, waar niets van terecht kwam. Op eenentwintigjarige leeftijd kwam hij, vrijwel ongeschoold in Canada, en bofte enorm toen de Canadese luchtmacht hem een baantje aanbood. En dankzij jaren dienst in het hoge noorden kon hij eindelijk in Comox of Vancouver Island op pensioen gaan. Hij heeft nog geboft.

[1] Oorlogs Reportages uit Nederlands Indie, samengesteld door Addie Schulte ( Prometheus)

[2] The Diary of Prisoner 17326. John K. Stutterheim , Fordham Univeesity press 2010.

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Up