Zorg voor kinderen

In een voorgaand verhaal richtte ik de aandacht op de vrouwen kampen, en dat betekent, zoals ik eerde beaamde, niet alleen het lot van vrouwen, maar ook van kinderen en oudere mannen die in het begin met de vrouwen (vaak hun dochters) meekwamen naar de honderden beschermde wijken. Aan het einde van de oorlog waren er vierentwintig vrouwenkampen, en voor tien daarvan bestaan naamlijsten, vrijwel allemaal gebrekkig, en geen twee met dezelfde reeks gegevens.

Tot het bittere einde bevatten de vrouwen kampen jongens van 1- 12 jaar.  Tjideng, Kramat, Kampong Makassar, Lampersari en Ambarawa 6 waren voorbeelden hiervan op Java. Een paar andere kampen hadden daarbij ook een stel zieken mannen, onder ander Ambarawa 7 en Mater Dolorosa. Hoe dat ook zij, de vrouwen kampen waren ingewikkeld.  Ik zal trachten om een overzicht te geven.

Snel na de overgave van Maart 1942 werden de nog steeds werkende mannen, meestal bestuursleden ontboden het gevang in te gaan.  Daarna moesten de mannen die werkeloos waren geworden ook het gevang in en zodoende bleven vrouwen met kinderen en gepensioneerde Europeanen achter in hun huizen.  Tegen het einde van 1942 kregen deze tot nu toe vrijblijvende Europeesche vrouwen, maar belast met de zorg voor kinderen en oudere familieleden, opdracht om naar de zogenaamde “beschermde wijken” te verhuizen.

Dit geschiedde op eigen kracht en werd door velen beschouwd als een soort gedwongen verhuizing, dus alle meubeltjes gingen mee. Voordat het volgende jaar (1943) uit was organiseerde het Japansche leger verhuizingen van vrouwen en kinderen, vooral uit Oost Java. Dit betekende de inzet van bus- en trein-transport naar een kleiner aantal verzamelkampen. In het daaropvolgende jaar begon het militaire gezag zich serieus in te spannen op concentratie van vrouwen en kinderen, nu met behulp van bussen en treinen en dat jaar vonden een stuk of zestig massa transporten plaats: Oost Java werd ontruimd.  Een trein kon typisch 600-700 mensen vervoeren in vierde klas, oftewel nogal laconiek maar zeer geschikt uitgedrukt door Indonesiërs als klas kambing wagons.  Kambing is het Maleis voor geit.

In 1944, toen de vrouwen kampen onder militair gezag kwamen steeg het aantal transporten tot 117. De vrouwen en kinderen werden omgetoverd in Prisoners of War, en kregen allemaal een kamp nummer. Deze gevangenen kregen nu een militaire rol in de verdediging van het overwonnen gebied.

In totaal waren er veel meer transporten want in deze volksverhuizing werden jongens en oudere mannen die tot dusverre nog bij de vrouwen zaten, ook afgevoerd naar mannen en jongens kampen, maar deze transporten maken niet deel uit van de bovengenoemde statistiek, dat ik uit de Kamp Atlassen (Uitgegeven door Asia Maior) gehaald heb. De totale inzet door het Japansche leger van transport van burgergeïnterneerde, en onder een rampzalig tekort aan brandstof, was enorm, en dat tempo werd volgehouden tot het bittere einde van de oorlog terwijl Japan zelf platgebombardeerd werd. Het was eigenlijk absurd.

Voor de vrouwelijke kampbewoners waren er drie grootte zorgen met deze transporten: om familie en de kennis kring zo veel mogelijk bij elkaar te houden, zonder enig idee te hebben waar het transport naar toe zou gaan en waarom. Hoe ooit het contact hersteld kon worden met familie leden die afgevoerd werden, en het gedwongen achterlaten van vrijwel alle familie bezittingen die ze zo zorgvuldig mee gesleept hadden. Families werden in feite verwoest. Het was een massale ramp.

Uit de namen lijsten, schemeren hier en daar aspecten door van deze gebeurtenissen.

De namenlijst van het Bangkinang vrouwen en kinderen kamp in Sumatra (2200 gevangenen) geeft bijzonderheden die nergens in andere kampen zijn vermeld maar die waarschijnlijk elders net zo vaak voorkwamen. In dat kamp zijn zeven en dertig baby’s geboren, en vijftien kinderen werden weesjes, verzorgd door andere vrouwen. Van de familie Krijgsman bleven vier weesjes over die allen onder de hoede kwamen van een mevrouw Portier die toen zes en dertig jaar oud was – een hele verantwoording inj tijd van hongersnood en toenemende ziektes.

In het Kampili kamp op Celebes (het huidige Sulawesi), een voormalig krankzinnigengesticht vijf en twintig km verwijderd van de stad Makassar, verzamelde het leger de Europeesche vrouwen en kinderen uit de kleinere eilanden, zoals Ambon en Timor. Velen van hun waren zendelingen.  Dit kamp bestond uit “loodsen” gemaakt van bamboe, werd in Juli 1945 tweemaal gebombardeerd door de Amerikanen, maar ondanks alles werd dit geacht een beter kamp te zijn, dankzij de houding van de Japansche commandant.

Loods twaalf behuisde 36 families, een begrip dat vrij breed geïnterpreteerd werd. De “Familie  Binsbergen”, bijvoorbeeld, zo aangeduid op de namenlijst,   bestond uit de volgende leden.

Binsbergen, Cornelis van 12-2-1896  
Binsbergen-Jansen, Elisabeth van 14-9-1896  
Boer, Karel Adriaan de 16-3-1899  
Boer-Sassen, Estelle de 16-7-1897  
Goudkuil, Dirk    
Jansen, Rudolf 19-5-1934 pleegzoon

 

Loods negen scheen een dergelijke groep mensen te huizen, maar het begrip familie werd hier niet toegepast.  Zowel mannen als vrouwen waren hier aanwezig.  Dit idee van families speelde zeer zeker ook een rol met al de transporten die uit het enorm grootte Tjihapit kamp ontstonden, maar inspecties van namenlijsten uit Ambarawa of Tjideng, waar de meesten terecht kwamen, geven daar geen enkel teken van. Dankzij de ijverige inspanning van mijn moeder en een stel vriendinnen, gelukte het ons om min of meer tezamen te blijven: mijn moeder, mijn tante Emmy van Gendt, mijn grootmoeder Eisenberger, en mijzelf, Ank de Ridder en Els Baljon. Wij gingen tezamen op transport en bleven tezamen in het Tjideng kamp.

Her snel samenstellen van transport lijsten in opdracht van de commandant terwijl aan deze verzoeken gehoor te geven, was een hele klus. Maar behoud van relaties was een enorme steun om de misère te overleven. Veelal werd het woord Kongsi gebruikt om deze losse maar belangrijke relaties te beschrijven.

Leeftijden werden soms vermeld maar de rol van deze gegevens is verre van duidelijk. Voor jongens leken ze uiterst belangrijk, toen, onder het militaire bestuur de aandacht werd gevestigd op de militaire regeling dat jongens ouder dan tien jaar niet thuishoorde in burger vrouwenkampen. De bekendmaking van deze regeling veroorzaakte ontsteltenis bij betrokken moeders. Tot zekere mate was de afvoer van knullen van 16 jaar en ouder niet geheel ongewenst, niet alleen uit het standpunt van moeders met dochters, maar vaak ook in de mening van opgeschoten jongens die zich in een vrouwen en kinderen kamp niet thuis voelde. Maar toen een leeftijd van elf jaar werd toegepast werd dit een ander zaak.

De leeftijden die in de namenlijsten vermeld werden zijn veelal hoogst onbetrouwbaar. Velen moeders, mijn moeder onder hun, hebben gelogen. Een mogelijkheid om de gegevens te controleren bestond niet, dus er werd met de pet naar gegooid. Hierbij een voorbeeld uit het enorme Tjihapit kamp.

Naam Geslacht Geboorte datum Kamp nummer
Kous-Broere, E.M. F 1909-09-06 26902
Kous, C.F. M 1938-07-30 40390
Kous, A. F 1939-02-29 26903
Kous, W.N. M 1939-04-09 26904

 

Je moet er eigenlijk om lachen. Dat mevrouw Kous-Broere haar eigen geboortedatum correct invulde is hoogstwaarschijnlijk. Toevallig weet ik dat de geboortedatum van Frits (30 juli 1938) ook correct is ― dat heeft hij mij persoonlijk verteld, maar het een en ander mankeert aan de geboortedata van dochter Alida, zowel als zoon Wilco, de laatste nu helaas gestorven. Alida is weliswaar op 29 Februari geboren, maar niet in 1939. Die datum bestaat niet. Zij is van 1932. En Wilco?  Zijn vervroegde overleiden heeft waarschijnlijk iets te maken met hele nare ervaringen die hij in 1945 opliep in het Tjideng kamp, toen hij tien jaar oud was.

Mevrouw Kous heeft die opgave van leeftijd kennelijk nogal luchtigjes opgenomen. Maar waarom was de geboortedatum van Frits juist?  Toen de Tjihapit kampbewoners zich moesten registreren, lag Jonge Frits in een noodhospitaal en werd verzorgd door nonnetjes, die deze opgave nogal serieus namen. Zij konden gewoonweg niet liegen.  Dat Frits afzonderlijk geregistreerd werd is ook duidelijk van zijn kampnummer. In het algemeen begon men met de jongste en dan per leeftijd naar de oudste van het gezin, of omgekeerd, maar de nummers zijn vrijwel altijd in volgorde. Deze moeder is het gelukt om haar twee knaapjes bij zich te houden tot het einde van de oorlog. In de jongens kampen was het vaak ook een doffe ellende. De jappen zelf hadden hun eigen opinie over het toepassen op de vrouwen kampen van deze jongens-zeef, maar daar zal ik in een later verhaal op in gaan.

In sommige kampen was de situatie bij het einde van de oorlog zo slecht dat andere hulpbronnen ingeschakeld moesten worden met de verzorging van kinderen. Lampersari, een afschuwelijk kamp, gelegen ten zuiden van Semarang was daar een voorbeeld van. Het bestond uit 240 kleine nogal verwaarloosde bamboe en billik (muren van gevlochten bamboe reepjes) huisjes van een zogenaamd “model kampong”. Hier werden ook een stel stenen huizen toegevoegd en het kamp kreeg een totale bevolking van 8000. De condities waren, zover als ik kan nagaan ongeveer gelijk aan die van Tjideng, met ander woorden, uiterst slecht, behalve dat het een tijd duurde voordat de geallieerden na de Japansche overgave gewaar werden van dit kamp.

Een behoorlijke kamp naamlijst bestaat niet, maar op de website “Japanse burger kampen” zijn twee naam lijsten: een lijst werd kennelijk bijgehouden door een dame die als Hancho dienst deed, en duidelijk verantwoording had voor 1263 zielen inclusief twee-en-veertig nonnetjes en een stuk of drie honderd kinderen.  Vooroorlogse Rode kruis medewerkers, trachtte onmiddellijk na de overgave van 23 Augustus, 1945 (toen de overgave bekend werd), orde te scheppen, en maakte een tweede lijst met alleen maar de benoeming van volwassene, maar in die lijst worden zestien kinderen genoemd voor wie de moeder niet meer in staat was te zorgen. Hierbij een voorbeeld:

 

Kooi, kind 1 bij A. Zuidema
Kooi, kind 2 bij A. Zuidema
Diederich (kind) bij Danner M.O.
Tannenbaum (kind) bij E. Wagenaar
Rombouts baby bij Zr. J. Brouwer

Enz.

Mevrouw Biezeveld (familie kennis), die twee kinderen onder haar hoedde had, wordt op de Rode Kruis lijst aangeduid zonder vermelding dat zij twee kinderen had. Volgens de Rode Kruis kon zij het kennelijk wel redden. Kinderen waren een enorme zorg maar telde niet mee met de administratie tenzij hoogstnoodzakelijk.

De namenlijsten die de oorlog overleefd hebben zijn onvolledig, maar geven een indruk van de wanorde die toen bestond onder de burger kampen. Het is waarschijnlijk het geval dat het ontbreken van naamlijsten van vele kampen, zoals Kampong Makassar een indicatie is van nog slechtere toestanden.

In de naoorlogse jaren werd deze overlevende bevolking kampbewoners over de gehele wereld verspreid en maakte het praktisch onmogelijk om nog een indruk te krijgen van het na-oorlogse lot van de overlevenden. Kregen ze met succes eindelijk weer voet aan wal in hun nieuwe omgeving of bleef de misère?  Documentatie bestaat haast niet en het antwoord op die vraag zal afwezig blijven.

In een volgend verhaal zal ik het een en ander zeggen over de mannen en jongens kampen.

Boudewyn van Oort, Victoria ( www.boudewynvanoort.com)

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Up