Indonesië droeg bij aan wederopbouw Nederland (1950-1957)

Op 27 december 1949 kwam, door de ondertekening van de soevereiniteitsoverdracht van koningin Juliana in het paleis op de Dam, een einde aan het bestaan van Nederlands Indië. Indonesië was van nu af een zelfstandige staat. Er is echter veel en maanden lang onderhandeld op de Ronde Tafel Conferentie (RTC) in Den Haag.

Vier partijen namen er aan deel, namelijk een Nederlandse delegatie, een delegatie van de Republiek die op 17 augustus 1945 door Soekarno was uitgeroepen, een delegatie van Federalisten uit de Indonesische deelstaten en een United Nations Committee for Indonesia (Unci) van de Verenigde Naties.

Vergaderingen waren langdurig; voorstellen werden vervangen en afgewezen.
Een onderwerp waarover langdurig werd onderhandeld en dat door Nederland naar voren werd gebracht, was de schuldenkwestie. Nederland eiste en bedong de status als meest bevoorrechte handelspartner.

Dit betekende dat alle voordelen aan investeringen en winsten uit de ongeveer 3 miljard guldens van particuliere beleggingen Nederlands bezit bleven en tegen een aantrekkelijke koers naar Nederland overgemaakt moest worden.
Dit werd vastgelegd in een financiële regeling; de Finec!

Nederland was echter nog niet tevreden. Zij wilde geen afstand doen van het eiland Nieuw-Guinea. Want Nederland wilde dat Nieuw-Guinea in haar bezit bleef en diende als kolonisatiegebied voor o.a. de Indische mensen.
Nederland speculeerde ook op de rijke bodemschatten van Nieuw-Guinea zoals bauxiet, koper, goud en olie.

Direct na de soevereiniteitsoverdracht groeide echter het wantrouwen tussen de partners van de unie. Men wilde elkaar niet begrijpen en zowel Drees als Luns hadden hun eigen beleid uitgestippeld zonder rekening te houden met hun Indonesische partners.
De Indonesiërs bleven volhouden en maakten Nieuw-Guinea het hoofdthema van allerlei redevoeringen.
Nederland had daarentegen bij een grondwetherziening van 1956 bepaald dat Nieuw-Guinea Nederlands grondgebied was.

O.a. door het gevoelloze optreden van de heer Luns werd deze Geneefse conferentie een complete mislukking. De getergd Indonesische delegatie ging huiswaarts. De Unie werd opgezegd en op 4 augustus 1956 stopte de Indonesische regering de betaling van de schulden aan Nederland. Ruim een jaar later vielen ook alle Nederlandse bedrijven door de kwestie Nieuw Guinea aan Indonesie.

Wat echter in Nederland niet bekend was, is dat toen Indonesië in 1956 stopte met het betalen van haar schuld, er reeds bijna 4 miljard gulden was afgelost. De rest schuld was nog 650 miljoen guldens. Over de periode 1948-1953 kreeg Nederland ook 1127 miljard dollar Marshall hulp als lening.

Menigeen liep met de gedachte rond dat Nederland met zijn naoorlogse wederopbouw alleen aan de Marshallhulp had te danken.
De Indonesische schuld betaling werd geheel over het hoofd gezien.

Ook werden alle kapitaalopbrengsten, pensioenen en spaargelden werden van uit Indonesië naar Nederland overgemaakt. Ook alle inkomsten van Nederlandse bedrijven vloeiden naar Nederland en dekten de schrale jaren 50. Deze jaarlijkse bijdrage was gemiddeld 8% en de Nieuw-Guinea kwestie maakte daar een eind aan.

Indonesië heeft gedurende de periode 1950 tot 1957 bijgedragen aan de snelle naoorlogse industrialisatie van Nederland, die “Le miracle Hollandais” werd genoemd.

Bovenstaande informatie is voor een deel ontleend aan een artikel in de Groene Amsterdammer van Lambert Giebels.

Speak Your Mind

*