Commissie Werner discrimineerde

DE RAPPORTEN VAN DE COMMISSIE WERNER EN DE DISCRIMINERENDE GEVOLGEN DAARVAN.

In 1950/1951 werd het eerste discriminerende eindrapport van de Commissie Werner aan het Nederlandse kabinet aangeboden. In dit eindrapport, dat is vernoemd naar de voorzitter ervan, secretaris-generaal P.H.M. Werner, die als jurist op het ministerie van Maatschappelijk Werk werkzaam was,  stond het advies voor het te voeren beleid ten aanzien van de Indische Nederlanders waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen westers (blanke totok) en oosters (bruine) georiënteerde Indische Nederlanders. De oosters georiënteerde Indische Nederlanders zouden door hun lage arbeidstempo geen kans van slagen hebben op de Nederlandse arbeidsmarkt. Ook op andere terreinen zou er weinig hoop zijn voor een succesvolle integratie in de Nederlandse samenleving. De verwachting was dat deze mensen tot de asociale elementen van de Nederlandse samenleving zouden gaan behoren. In een rede die Werner hield noemde hij het dwaasheid om de Indische Nederlanders naar Nederland te laten komen. Nederland was overbevolkt, er was geen werk en huisvesting voor hen. Nederland had geen financiële middelen om zo´n omvangrijke operatie te betalen.
De Nederlanders die toen nog in Nederlands-Indië woonden, werden door de commissie opgesplitst in blanken met het recht van overtocht en de Indische Nederlanders, die dat recht niet hadden.

In regeringsstukken uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw staat de uitlating van de KVP-er (welke party nu in het CDA is opgegaan) van Thiel te lezen: “De regering heeft de overtuiging dat de belangen van het overgrote deel van de in Indië geboren en getogen personen van Nederlandse Nationaliteit (ongeveer 350.000) het beste gediend zou zijn met een voortgezet verblijf in Indonesië. De ervaring heeft geleerd, dat de overkomst naar Nederland van Indische Nederlanders, zowel voor ouderen als voor jongeren vaak een ontworteling betekend die onherstelbaar is.(deze bewering was natte vinger werk van de Nederlandse regering).

Dhr. J. Verboom van de Stichting “Pelita” oordeelde, dat de bedoeling van het rapport van de commissie Werner etc. was, om op zo´n goedkoop mogelijke manier van het probleem van Indische Nederlanders uit het voormalig Nederlands Oost Indië af te komen.
Nederland wist dat deze groep van circa 350.000 Indische Nederlanders in ruim 400 Indonesische kampen geïnterneerd waren geweest, waarbij ze al hun bezit verloren, werden mishandeld, honger leden en zelfs werden gedood, dat de kans op hun verblijf in Indonesië na de overdracht van het land daarom al was uitgesloten.

In 1950 werd door mijn moeder Claire Elisabeth Geenen, weduwe doordat haar man Eddie Geenen door de mishandelingen gepleegd door Japanners en Indonesiërs in Japanse concentratie kamp, al was overleden, een aanvraag ingediend om naar Nederland te mogen verhuizen. In 1950 ontvingen we een brief met goedkeuring, maar ruim een maand later werd via een tweede schrijven van de Nederlandse Staat de goedkeuring naar Nederland te mogen vertrekken, ingetrokken, want de Nederlandse overheid acht het beter voor mevrouw Geenen en haar 4 kinderen om te blijven en Indonesiërs te worden. Dit was volledig tegen haar wil, want ook meeste van onze familieleden zaten al in Nederland. De familie Geenen was een van de eerste slachtoffers van het beleid van de toenmalige regering.

Nederland en haar ambassades in Indonesië bleven de repatriëring van Indische Nederlanders met alle middelen (ook via krantenberichten) tegenwerken. De Indische Nederlanders werden aan het lijntje gehouden, foutief geïnformeerd en in de richting van het Warga Negara Indonesia schap gedreven met beloften die Nederland nooit zou kunnen waar maken.
Het Hoge Commissariaat had van Den Haag duidelijk instructies gekregen er bij de Indo-Europeanen op aan te dringen vooral niet naar het koude en overbevolkte Nederland te komen, waar de woningnood nog steeds ‘volksvijand no. 1’ was. Bovendien kostte de komst en de opvang van die tienduizenden repatrianten de staat veel te veel geld. Zo cru werd het dan wel niet gezegd, maar voor iedereen was dit impliciete argument volkomen duidelijk.
De propaganda – een woord dat in notawisselingen tussen Den Haag en het Hoge Commissariaat regelmatig gebruikt werd – had niet het beoogde resultaat.
De verwachting van Den Haag en de Hoge Commissaris in Jakarta was dat 75 procent van de Indo-Europeanen eind 1951 voor het Indonesische staatsburgerschap zou hebben geopteerd, maar in de praktijk bleken dat er niet meer dan 31 duizend te zijn, dus maar zo’n vijftien procent.

Toen bleek dat het gestroomlijnde omsmelten van Indo-Europeanen in Indonesische staatsburgers op een fiasco was uitgelopen diende het ontmoedigingsbeleid voor een enkele reis naar Nederland te worden voortgezet. Dat nieuwe beleid was grotendeels gebaseerd op een zeer vertrouwelijk rapport uit 1953 (het tweede Werner Rapport). Het bevatte een verslag en aanbevelingen van een commissie die onder leiding stond van P.H.M. Werner, het
hoofd van het Rijksarbeidsbureau van Sociale Zaken. De Commissie Werner had in 1952 een bezoek aan Indonesië gebracht ‘ter bestudering van het Indo-Europese vraagstuk’. De Commissie maakte zonder scrupules onderscheid tussen wat zij noemde ‘sociaal gewenste’ en ‘sociaal ongewenste’ Indo-Europeanen. Tot de tweede categorie behoorden mensen die de Commissie aanduidde als ‘oosterse Nederlanders’.

In 1956 zegde Indonesië het verdrag tussen Indonesië en Nederland eenzijdig op, en stopte alle betalingen.
Dit was voor minister Marga Klompe het sein om omstreeks begin 1957 het ontmoedigingsbeleid van de Nederlandse regering om te zetten in aan actieve repatriëringspolitiek.
Iedere Indische Nederlander kreeg een laatste kans met een voorschot voor de kosten van repatriëring naar Nederland te vertrekken. In die periode was de informatievoorziening in Indonesië over dit nieuwe beleid mede door gebrek aan communicatiemiddelen zeer summier. Vele Indische Nederlanders waren door onwetendheid, sociale motieven, ziekte en andere oorzaken niet bij machte om van deze mogelijkheid te vernemen.
Ongeveer 6000 Indische Nederlanders bleven hierdoor in Indonesië achter en werden gedwongen WNI-ers te worden. Onder het bewind van president Soekarno hebben zij hun namen moeten vervangen door Indonesische namen en werden ook zo geregistreerd in de bevolkingsregisters.
Het was gewoon kadaver-politiek tegen de Indische Nederlanders van zowel de Nederlandse regering onder leiding van Den Uyl als de Indonesische onder leiding van Soekarno.

 

Comments

  1. Dank voor het toezenden van het politiek gevoelig verslag. Het blijft een politiek hangijzer.

Trackbacks

  1. […] 1952 boog de Commissie Werner (op internet is hierover al het een en ander over gezegd) zich over de kwestie van de komst en ‘moeilijke omstandigheden van de Indo-Europese […]