Boudewijn van Oort, de Krant,  1 mei, 2020

De mensheid is gefascineerd door geschiedenis, vooral ons eigen verleden. Genealogie is nu een boeiende hobby voor zij die meer jaren achter zich dan voor zich hebben, en het genot hebben van tijd voor deze vorm van ontspanning zowel als toegang tot het internet beschikken. Overleving van wereldschokkende gebeurtenissen draagt daar enorm bij, vooral als duidelijk blijkt dat die belevenissen nog naschokken leveren, gelijk een aardbeving.

Ik heb zelf, als kind, de tweede wereldoorlog meegemaakt, in het verre oosten. Ik ben bewust dat het zogenaamde oorlogseinde van 15 Augustus 1945, in feite vele zaken onafgewerkt na liet―unfinished business.  De toestanden in Europa, na het einde van de tweede wereldoorlog, staan in sterk contrast hiermee.

De naschokken van de Pacific War gelden nog steeds voor toentertijd betrokken landen zoals China, Korea en Nederland. In Hong Kong spookt het, er is ruzie tussen Japan en zuid Korea, terwijl Noord- en Zuid- Korea gescheiden blijven. Nederland maakt zich nog druk over haar koloniale verleden. De naschokken gelden ook voor de generatie die de ellende meemaakte en met trauma’s opgescheept blijven zitten.

Trauma is een verschijnsel van ons geheugen en heeft dus betekenis voor ons als mens. Wat is de mens geestelijk, afgezien van zijn geheugen? Is dat de ziel, de geest, het bewustzijn? Het geheugen ligt buiten het bereik van observaties en kan niet gecorrigeerd worden. Trauma kan je niet zomaar, kwijtraken: het brein is geen computer waar je zo maar een correctie invoert.

Behulpzaam zou zijn begrip te hebben van de oorzaak van trauma: wat geschiedde er in het verleden dat zo aangrijpend was? Hier komt een enorm probleem ter sprake: gebrek aan documentatie, gebrek aan verstand van historische feite.

Oorlogsdocumentatie vooral slaande op de burgerbevolking in Nederlands-Indië werd op grote schaal vernietigt.  Het begrip burgerbevolking slaat hier op dat deel van de bevolking van allerlei etnische achtergronden dat voorheen deel maakte van het westersgezinde maar uiterst multiculturele samenleving. Het adresboek van Bandoeng van 1940 geeft daar een goed blik op.

Hoewel oorlogen gevochten worden door legers, werden in het voormalige Nederlands Indië, drie maal zo veel burgers getroffen door de ramp als soldaten, ondanks het feit dat de oorlog nauwelijks twee maanden duurde. De eerste aanval op Indië vond plaats op 10 januari, 1942, en op 8 maart, was het bekeken. Daarna volgde een gruwelijke tijd van bezetting, economische verwaarlozing en terreur. Het land werd nooit bevrijdt maar verzonk na het zogenaamde einde van de wereldoorlog in een nieuw stadium van chaos.

Het wordt geschat dat meer dan 70,000 overlevende burgers – mannen vrouwen en kinderen, tijdens de Japanse bezetting gevangen werden genomen, en vrijwel al hun bezittingen kwijtraakten. De buitenkampers gelukte het misschien om meer bezittingen te beveiligen, maar daar bleef het bij.

Hoe veel mensen in de kampen stierven is onbekend. Het allergeringste bewijs dat een persoon toen bestond en die ellende meemaakte was het vermelden van dat persoon in een kampnamenlijst, maar de overgebleven naamlijsten noemen maar 32,937 namen van mannen, vrouwen en kinderen.  Voor 37,000 overlevenden bestaat geen enkel bewijs dat zij voor September 1945 deel maakten van een samenleving.  Slechts hun geheugens kwamen uit het kamp.

De bevrijde kampbewoners bezaten na de oorlog herinneringen, vrijwel uitsluitend akelig, en haast niets anders.  Alle andere indicaties van een vooroorlogs bestaan―paspoorten, de familiebijbel, foto’s, geboorte en huwelijks bewijzen waren weg. Voor velen was het als of zij uit een verwarde, verwarrende nachtmerrie tevoorschijn kwamen- moeilijk om daarna hier nog over te spreken. Een nachtmerrie is uiteindelijk een verzinsel. Waren de kamp jaren niet eender?

Wat er is overgebleven aan bewijs van bestaan zijn de kamp naamlijsten, met veel moeite bijeengebracht door Henk Beekhuis, en dankzij hem nu beschikbaar op www.japanseburgerkampen.nl..

De lijsten met kamp nummers zou voor diegene die in de kampen zaten een kleine indicatie zijn dat zij inderdaad bestonden, dat zij inderdaad in dit of dat kamp gevangen zaten. Maar voor velen kampen is zelfs dat bewijs van leven verdwenen dankzij de rotzooi die ontstond na de Japansche overgave. Er zijn dus velen geweest die de oorlog overleefden, met alleen maar hun herinneringen.

Met die gebrekkige naamlijsten van overgebleven kampbewoners hou ik me nu bezig. Wat het doel van die lijsten was, laat ik terzijde. Die 32,937 namen komen uit twee verschillende lijsten: die voor 16,631 mannen en jongens (zeven uit een totaal van zestien kampen), en voor 16,306 vrouwen en kinderen (vijf uit een totaal van achttien kampen).  Jongens van boven de tien jaar waren, in de ogen van het Japansche leger, mannen, en hoorden niet in een vrouwen en kinderenkamp. De jongens die bij hun vaders terecht kwamen bofte. Voor negen mannen en jongens kampen, en dertien vrouwen en kinderen kampen is alle documentatie, over gevangenen die de oorlog overleefden, spoorloos verdwenen. Het was als of die kampen nooit hebben bestaan.

Maar daar blijft het niet bij. Een nadere studie van die naamlijsten laat blijken, dat in velen gevallen, kinderen van geen betekenis waren- hooguit een hoeveelheid monden die gevoerd moesten worden. Het Tjideng kamp in Batavia (huidige Jakarta), bijvoorbeeld had 11,000 gevangenen, maar de naam lijst vermeld maar 4911 namen, vrijwel uitsluitend de naam van het “hoofd van het gezin”. Of het begrip gezin nu bestond uit kinderen, of anderen verwanten, werd niet vermeld.  Mijn moeder was het hoofd van een gezin van twee, punt uit. Mijn naam, en dus mijn bestaan, is spoorloos verdwenen wat betreft de overblijvende documentatie. In het beruchte Lampersari kamp, ontbrak zelfs die aanduiding van gezinsleden. De overblijvende Rode Kruis namenlijst geeft alleen maar het bestaan van kinderen aan, wanneer het onmogelijk werd voor de moeder om iets voor haar kinderen te doen. Zo wordt bijvoorbeeld vermeld dat mevrouw D. de Ryke twee kinderen had die tijdelijk verzorgd werden door een Mevrouw Noorda. Er zijn ettelijk voorbeelden van dit verschijnsel. Mevr. Biezeveld had twee kinderen, maar van hun bestaan is geen teken. Het Rode Kruis was kennelijk onder de indruk dat Mevrouw Biezeveld in staat was om haar kinderen te verzorgen

Lieutenant Nicholas Read-Collins, arriveerde in September 1945 op Java om poolshoogte te nemen van de humanitaire toestanden, en om repatriatie, voor zover noodzakelijk, op gang te brengen. Op 23 december 1946 beschreef hij voor de International Military Tribunal for the Far East, wat hij zag in de burger internering kampen.

  1. What was your first impression?
  2. My first impression of these camps was as of a man who has been translated to another planet and of talking to people who had died before. My feeling was that these people were subnormal and their reactions were not what one would have expected from mature people.
  3. What was the behaviour of the men?
  4. The men, on the whole, behaved only slightly abnormally. Physically they showed the signs of prolonged starvation. They were suffering from beri-beri and from malaria and generally suffered from tropical ulcers.

They found it difficult to coordinate their thought and their body movements in some cases ~ were extremely talkative ~ but in general their condition was not as bad as that of the women.

This, I think, was due to two causes: first, that military discipline had been effectively exercised by the Allied camp commanders and this had resulted in a higher state of morale than in the women’s camps.

  1. And what was the behaviour of the women?
  2. The physical condition of the women was similar to that of the men but their mental state was, in my opinion, more acute. I formed the impression that their entire existence was motivated by a single urgent and violent hunger drive.

In conversation I felt that the women in general were not responsive and, perhaps, unaware of the presentation of the normal stimuli with which they were confronted in the camp at that time, and they showed no clear response to any stimulus which was not directly related to the satisfaction of the pangs of hunger. I found that every leaf and every flower, every insect, every spider, every rat was critically examined by most women with regard to its calorific potential.

The second abnormality I noticed was the drive to possess and acquire small things. For example, a piece of string, an old cigarette packet, a piece of cellophane paper were possessions in a very real sense.

  1. In what condition were the children?
  2. The children showed signs of starvation, of malnutrition, some appeared not to be greatly affected. Others, however, had the appearance of children who had grown up as plants grow up when kept without light. The bodies of many were emaciated and they had the pallor which one associates with repeated attacks of malaria. I was told that the majority of children had had dysentery and that the majority suffered from an intense fear of the Japanese guards to the camp.

I think this was due not to any brutality shown by the guards toward the children but due to the beatings which the mothers had received.

The children were at first generally silent and were very slow to laugh.

Deze mensen waren diep verward, aldus Lieutenant Nicholas D. J Read-Collins, die verder ook voedsel voorziening en hygiënische toestanden in geuren en kleuren beschrijft. [1]

Voor diegene, die schriftelijk bewijs hebben dat zij die ellende doorleefd hadden was het mogelijk om met geloofwaardigheid jaren later hierover te praten. “Ja,” kan je dan zeggen, “ik zat in die groep, en dat was mijn kamp nummer”.

Maar als zelfs jouw bestaan in dergelijke kampen alleen maar een kwestie van verward geheugen is, misschien een afschuwelijke droom, zonder enig houvast op een bewezen geschiedenis, is het vrijwel onmogelijk om hier ooit afstand van te nemen. De nachtmerrie blijft je achtervolgen in een geestelijk doolhof. Duizenden kamp kinderen, hun echtgenoten en hun kinderen en zelfs klein kinderen zitten vandaag nog hiermee te tobben, verspreid over de wereld als verdwaalde geesten.  Familieleden weten dat iets mankeert met een zwijgende opa of oma, maar uit wanhoop zwijgen ze zelf mee over de verzwegen en onbekende, hartverscheurende geschiedenis. Alleen de dood brengt verlossing.

[1] Het hele document is beschikbaar : http://www.boudewynvanoort.com/2019/08/tokyo-tribunal/

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Up