Column van Fridus Steijlen
Verschenen op Museum Maluku website
Eind vorig jaar zag ik een lijstje met namen van Molukse oud KNIL-militairen die in aanmerking zouden kunnen komen voor Backpay. Een mooi bedrag van 25.000 euro ter compensatie van het salaris dat zij tijdens de Japanse bezetting niet van het Nederlands Indische Gouvernement hadden gekregen. Het namenlijstje zorgde voor een ongemakkelijk gevoel. Mede door de hoge leeftijd van de mannen: allen 90 plus. Natuurlijk mogen we blij zijn voor de mannen die dat mooie bedrag krijgen, maar wat is de betekenis van deze ‘geste’ van de Nederlandse overheid? Vooral nu, na zovele jaren? Een ‘afkoopsom’? Voor wie? Voor de laatste der Mohikanen, een groepje Soldadoe Toea’s (oude soldaten) dat op twee handen te tellen is?

Dat staatssecretaris Van Rijn in oktober aankondigde opnieuw naar de Backpay te kijken en daarover met het Indisch Platform in november een overeenkomst wist te sluiten, kwam als een verrassing. Al decennialang probeerde Indisch Nederland deze kwestie, met ander geleden schade tijdens de Japanse bezetting en dekolonisatie, op de agenda te zetten. In de hoop dat de Nederlandse overheid de schade zou vergoeden en het achterstallige loon zou uitbetalen. In 1977 posten zelfs gedurende enkele weken KNIL-militairen in uniform op dinsdagmiddag op Het Binnenhof om die eis kracht bij te zetten. Dat leverde iconische foto’s op, maar geen vergoeding. Stelselmatig wees de overheid de verzoeken af met het argument dat Indonesië de verplichtingen van het Nederlands Indisch Gouvernement had overgenomen, dus ook aansprakelijk was voor de Backpay. Ook stevige rapporten over de geleden schade, waaronder een geschreven door de Molukse onderzoeker Peter Keppy, die aan het begin van deze eeuw in het kader van Het Gebaar tot stand kwamen, haalden niets uit. De toenmalige regering, die wel geld voor die onderzoeken had gegeven, had bij voorbaat gezegd dat de studies niet zouden leiden tot welke tegemoetkoming dan ook.
Toenemende druk vanuit Indisch Nederland om toch iets te doen aan wat de Indische Kwestie was gaan heten, leidde uiteindelijk tot de opmerkelijke toezegging van Van Rijn. De staatssecretaris wilde uit morele overwegingen de mensen die tijdens de oorlog in Nederlands-Indië in dienst waren geweest tegemoetkomen. Neen, hij was dat niet juridisch verplicht, dus het was ook niet hun recht. Het is een financiële regeling op MORELE gronden. Waarmee hij uiteraard hoopte dat een einde aan de Indische Kwestie zou komen.

In de beweging die vocht voor de Backpay, speelden Molukkers niet echt een rol. Molukkers hadden hun eigen gevecht voor de erkenning van hun inzet voor Nederland gehad. In 1986 had dat geresulteerd in de historische overeenkomst met de jaarlijkse uitkering aan de eerste generatie en de Rietkerkpenning ‘uit waardering voor uw inzet’. Hoewel niet alle Molukkers er toen tevreden mee waren, was het wel een erkenning voor iedereen en geen selectief moreel gebaar. De paar Molukse KNIL-militairen die nu in aanmerking komen voor de morele Backpay zijn allemaal Soldadoe Toea’s, zoals de generatie Molukse militairen die voor de oorlog in dienst waren getreden ook wel werd genoemd. Ooit berekende ik dat van de Molukse KNIL-militairen die naar Nederland waren gekomen er 40% voor de oorlog in dienst was getreden. Ofwel 1.400 van de 3.500, die toen geen salaris hebben gekregen omdat ze krijgsgevangen waren en dwangarbeid verricht hebben. Van die 1.400 krijgt nu een, met alle respect, ‘handjevol’ alsnog Backpay, achteraf betaald? Hoewel! Eigenlijk is het niet eens Backpay, het is immers een MOREEL gebaar. Het is een afkoop. Maar van wat en ván wie of vóór wie? Die onduidelijkheid voelt wel heel erg ongemakkelijk voor alle betrokkenen, Indisch en Moluks.

Laatst bijgewerkt: 5 feb. 2016

5 Comments

  1. “Evaluatie Uitkeringen Backpay”, waarin op bldz. 14  voor zover hier van belang het navolgende is gemeld:

               “…….Ook bij de beroepszaken waren het veelal de erfgenamen van personen die waren overleden voor 15 augustus 2015, die in beroep gingen omdat ze zich niet konden vinden in de door de regeling gestelde datum van in leven zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een Backpay-uitkering. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de Uitkeringsregeling het karakter heeft van buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast. Op basis hiervan heeft de Raad geoordeeld dat de bestuursrechter niet kan treden in de beoordeling van de vraag of het in de Uitkeringsregeling neergelegde beleid, met inbegrip van de daarin gekozen peildatum van 15 augustus 2015, redelijk is. Daarnaast is er evenmin ruimte voor beoordeling van het standpunt dat het in de Uitkeringsregeling opgenomen beleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. ”

    CONCLUSIE EXCEPTIEVE TOESTING
    Op 22 december 2017 heeft Staatsraad A-G Widdershoven een conclusie genomen over de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften, dus incl. de Regeling Backpay, door bestuursrechters. Onder exceptieve toetsing wordt verstaan dat de rechter in het kader van het beroep tegen een besluit oordeelt of de regeling waarop het besluit mede is gebaseerd in overeenstemming is met wet- en regelgeving en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. En daarnaaast oordeelt of de Regeling Backpay wel of niet strijdig is met hogere regelgeving zoals het discrminatieverbod bedoeld in EVRM (artikel 14)en het IVBPR (artikel 26).
    Widdershoven ziet dat de willekeursluis voor verschillende rechtsbeginselen (het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel) in veel gevallen geen (overtuigende) rol meer speelt. De enkele schending van deze rechtsbeginselen wordt door de bestuursrechter veelal voldoende bevonden om een algemeen verbindend voorschrift onverbindend te verklaren of buiten toepassing te laten.

    MINISTERIELE REGELING
    De Centrale Raad van Beroep heeft in vele hoger beroepszaken geoordeeld dat de Regeling Bacpay het karakter heeft van buitenwettelijk, begunstigend beleid c.q. een ministeriele regeling is. Een ministeriele regeling is volgens mij een algemeen verbindend voorschrift.

    EXCEPTIEVE TOETSING REGELING BACKPAY VANAF 1 JULI 2019
    Gelet op het feit dat de bestuursrechters incl. de CRVB vanaf 1 juli 2019 voornoemde conclusie van professor Widdershoven hebben gevolgd betekent dit dat de Raad behorende tot de bestuursrechters het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid “niet meer” als een gegeven te aanvaarden en is de rechterlijke toetsing  “niet meer beperkt” tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast. Op basis hiervan de Raad “thans wel kan treden” in de beoordeling van de vraag of het in de Uitkeringsregeling Backpay neergelegde beleid, met inbegrip van de daarin gekozen peildatum van 15 augustus 2015, redelijk is. Daarnaast is er nu wel  ruimte voor beoordeling van het standpunt dat het in de Uitkeringsregeling Backpay opgenomen beleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dan wel in strijd is met de EVRM en of IVBPR. ”

    ZITTING CRVB OP 23 JANUARI 2020
    De CRVB heeft terzake in een hoger beroepsprocedure op 23 januari 2020 een zitting gehouden over de Regeling Backpay en is nu wel bevoegd en verplicht om de Regeling Backpay exceptief te toetsen, zoals hiervoor is gemeld.

    REGELING BACKPAY DISCRIMINEERT
    Omdat het doel van de Regeling Backpay onderscheid wordt gemaakt o.g.v. status te weten wel of niet overleden voor 15 augustus 2015, is het doel niet legitiem en daarmee reeds sprake is van verboden discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR.
    Daarnaast er geen rechtvaardige reden is voor het gemaakte onderscheid naar status aangezien ook de voor 15 augustus 2015 overleden belanghebbenden geen salaris  over de periode 1942-1945 hadden ontvangen.

    LAATSTE UITSPRAAK OVER DE REGELING BACKPAY
    De uitspraak van de Raad wordt verwacht op 5 maart 2020.

  2. Dank Ronald voor de uitgebreide informatie. Ik ga een vereenvoudige vorm van je schrijven in ons internationaal geel boekje De Indo plaatsen. Dat is nieuws dat vele Indische mensen best willen weten. Ben zelf erg nieuwsgierig naar de uitspraak op 5 maart 2020.
    Ik probeer hier in Amerika zoveel mogelijk als spreekbuis de mensen te helpen.

  3. De CRVB heeft besloten niet op 5 maart 2020 maar op 16 april 2020 uitspraak te doen over de Regeling Backpay. Aangenomen kan worden dat tot 5 maart 2020 geen redenen meer zijn om het hoger beroep ongegrond te verklaren zoals in alle rechtszaken (16 ?) hiervoor. Het wordt spannend.

  4. Kamervraag nog. 45:

    45 “Waarom was het niet mogelijk om in het jaar 2017, terwijl er reeds een
    aantal opeenvolgende jaren forse meevallers op het ministerie van VWS
    werden gemeld, te komen tot een Final Fair Deal en slechts werd
    gekozen voor een deeloplossing door middel van de Backpayregeling?
    (zie impactanalyse SVB)?

    Zoals destijds aan de Tweede Kamer gemeld, werd voor een
    omvattender backpay een benodigd bedrag van tenminste € 1,7 miljard
    becijferd. Dat bedrag was, ook in 2017, niet budgettair in te passen en
    een grote meerderheid van de Tweede Kamer heeft vervolgens besloten
    de regeling vast te stellen inclusief de datum van 15 augustus 2015.”

    Wat ik weet is dat budgettaire reden volgens overwegingen van de Hoge Raad en EHRM discriminatie van een groep personen niet rechtvaardigt. Dit betekent volgens mij dat de CRVB moet oordelen dat voor de discriminatie van voor 15 augustus 2015 overleden oud-militairen er geen objectief en rechtvaardige reden is aan te wijzen en om die reden de gestelde voorwaarde buiten toepassing moet laten.

  5. Beste Ronald,
    Dank voor je uitgebreide informatie. Ja, nu gaat het er om spannen. Vraag: Is deze uitspraak, komende in April, naar aanleiding van een professor in de rechtsgeleerdheid?

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Up