De Mardijkers van Tugu en Depok door Jan-Karel Kwisthout (nazaat van de Depokse familie Laurens)

Kasteel van Batavia gezien van Kali Besar geschilderd door Andries Beeckman

De Mardijkers van Tugu en Depok
Sporen uit het verleden van Depok
Binnenwerk_Kwisthout

Als achtergrond onderstaand een korte toelichting:

Beide gemeenschappen, Tugu en Depok, zijn gesticht in de zeventiende eeuw in de Bataviase ommelanden. In tegenstelling tot Depok, kan in Tugu niet worden gesproken over nazaten van een oorspronkelijke en homogene groep van vrijgemaakte slaven. De Mardijkerbevolking van Tugu is namelijk een heterogene bevolkingsgroep. Genealogisch valt niet meer vast te stellen wie wel of niet tot de nazaten van die eerste bewoners behoren omdat de gegevens daarvoor ontbreken. Het zou bovendien onjuist zijn om de oorspronkelijke Mardijkers van Tugu te beperken tot degenen die zich er vestigden in 1661 – toen Tugu als Mardijkernederzetting werd gesticht – omdat zich in de jaren daarna tal van andere Mardijkers op Tugu vestigden die gaandeweg ook werden beschouwd als de oorspronkelijke Mardijkerbevolking van Tugu.

Voordat in de tweede helft van de twintigste eeuw de verstedelijking om zich heen greep, lag Depok (thans Depok Lama), omringd door groene bamboebossen, vruchttuinen en sawa’s, nog vrij geïsoleerd. In de achttiende en negentiende eeuw werd Depok met de komst van de spoorweg Batavia-Buitenzorg ontsloten, die in het laatste kwart van de negentiende eeuw over het land Depok werd aangelegd. Daardoor werd het een aantrekkelijke forensenplaats werd voor mensen die in het warme en steeds drukker wordende Batavia werkten. Het land was in gemeenschappelijk eigendom van de nazaten van de vrijgemaakte christenslaven maar werd vooral bewerkt en onderhouden door de lokale bevolking die in desa’s op het land woonde. In de negentiende eeuw ontstond overigens ook geleidelijk aan particulier landbezit onder de Depokse gemeenschap.

De christenen van Tugu en Depok vielen in de VOC-tijd formeel onder de reglementen voor Mardijkers en daarna werden ze als inlandse christenen met een overeenkomstige oorsprong beschouwd. In de VOC-tijd voldeden zij beiden aan de vier basiskenmerken van Mardijkers. Zij waren in oorsprong Aziaten, hoewel etnisch van uiteenlopende afstamming.

De vrijgemaakte Depokse christenslaven en hun nazaten verschilden in zoverre van de Mardijkers van Tugu dat zij geen Portugese tradities kenden in tegenstelling tot de Tugunezen. Hoewel de Depokkers oorspronkelijk uit dezelfde gebieden afkomstig waren als de inwoners van Tugu, namelijk van de Indiase Coromandelkust, Malabar, Bengalen, Makassar, de Molukken en Bali, kwam het merendeel van de Depokkers uit Bali terwijl het merendeel van de oorspronkelijke Tugunezen overwegend van Bengaalse en Coromandelse afstamming was.

Verder blijkt dat Chastelein zijn Depokse slaven niet in vrijheid stelde als dank voor bewezen diensten of omdat ze voor hem niet meer tot nut waren. Met zijn mensen had hij een vooropgezet plan had. Hij wilde met hen een modelgemeenschap stichten volgens zijn eigen denkbeelden. Dat is een wezenlijk andere context voor invrijheidstelling en vestiging dan in Tugu waar het VOC-bestuur slechts voorzag in een woonplaats voor Mardijkers om de Bataviase binnenstad te ontlasten.

Tugu kende dus niet één eigenaar of stichter, ofschoon dominee Melchior Leydecker wel aan de basis stond van de gemeenschapsvorming in Tugu in de beginjaren van haar bestaan. Bovendien waren de eerste Mardijkers in Tugu al christen en vrijburger in tegenstelling tot de Depokse slaven van Chastelein die eerst waren gekerstend en pas na zijn overlijden hun vrijheid verkregen.

Depok was van oorsprong een vorm van particulier landbezit dat in gemeenschappelijk eigendom aan de vrijgemaakte slaven werd overgedragen, in combinatie met zelfbestuur over de landerijen. Het was daarmee eeuwenlang een zelfstandige en autonome enclave. De inwoners van Tugu kenden daarentegen geen zelfbestuur en in Tugu bestond uitsluitend op individuele basis particulier grondbezit. Tugu viel bovendien volledig onder het bestuur van de VOC-regering.

Vergeleken met de inheemse christengemeenschap in Depok bevestigen veel inwoners van Tugu dat zij in meerdere opzichten niet alleen sterk verschillen van de inwoners van Depok, maar evenmin een verwantschap hebben met die ‘Nederlandse’ Depokkers vanwege hun meer Portugese dan Nederlandse oorsprong. Niettemin vertonen de beide gemeenschappen ook duidelijke overeenkomsten.

In beide gemeenschappen zijn de nazaten van de oorspronkelijke inwoners protestants-christelijk, ofschoon oorspronkelijk ook niet-christelijke inwoners deel uitmaakten van de eerste bewoners van Tugu, wat in Depok niet het geval was.

Beide gemeenschappen kenmerken zich door een gebrekkige acceptatie door de Indonesische bevolking en waren tijdens de Japanse bezetting en de revolutionaire periode die erop volgde vaak een doelwit van nationalistische krachten. Hun nauwe relatie in het verleden met de Europese kolonisator – of dat nu Nederlanders of daarvoor de Portugezen waren – maakte dat hun identiteit in de ogen van Indonesische nationalisten met een zweem van collaboratie werd omgeven. Nazaten van de oorspronkelijke bewoners van zowel Depok als Tugu migreerden na de totstandkoming van de Republiek Indonesië naar elders (ook buiten Indonesië) maar behielden niettemin een hechte band met hun oorsprong en hun verwanten in de gemeenschap waaruit zij afkomstig waren.

Beide gemeenschappen kennen tot slot ook een vorm van georganiseerd behoud van hun identiteit door middel van lokale gemeenschapsorganisaties. In Tugu is dat de Ikatan Keluarga Besar Tugu (IKBT) en in Depok is dat de Yayasan Lembaga Cornelis Chastelein (YLCC). Hun streven naar het behoud van een gevoelde gemeenschapsidentiteit is een kenmerk dat zij samen delen. Een identiteitsbewustzijn dat gelukkig ook door de jongere generaties wordt gewaardeerd.

Misschien is tegenwoordig de belangrijkste overeenkomst die beide gemeenschappen delen, een gevoelde en gedeelde identiteit en een besef van teloorgang van oude tradities door het verwateren van onderlinge relaties en het uiteenvallen van gemeenschaps- en familieverbanden als gevolg van verstedelijking en migratie. Ook onthechting van de jongste generaties met de culturele identiteit van hun voorouders kenmerkt de huidige gemeenschappen.

Tot slot werd een belangrijke overeenkomst tussen Depok en Tugu de gemeenschappen in de revolutietijd bijna noodlottig. Sinds hun ontstaan afficheerden zij zich – zij het onderling in verschillende mate – meer met het Europese gezag dan met de lokale, veelal islamitische bevolking. Tijdens de ontwikkelingen die leiden tot nationalisme en het streven naar onafhankelijkheid, die uiteindelijk uitmondden in de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië, hielden beide gemeenschappen zich relatief afzijdig. Zij waren niet erg politiek geëngageerd en hadden na de Japanse bezettingstijd zelfs een lichte voorkeur voor herstel van het Nederlandse gezag, boven de ontwikkeling van een onafhankelijk Indonesië. Weliswaar bestonden beide gemeenschappen uit inheemse christenen maar hun christelijke identiteit was niet de reden dat zij doelwit werden van de nationalistische extremisten. Er waren immers ook christelijke Pemuda’s die voor merdeka streden, zij aan zij met islamitische Indonesiërs. Hun christelijke achtergrond werd niettemin beschouwd als symbool van hun hun relatie met het koloniale bewind, waartegen de nationalisten zich verzetten. Hun sociaal-maatschappelijke positie door de eeuwen heen, hun isolement en hun afzijdige houding ten opzichte van de inheemse bevolking, maar wellicht vooral hun gebrek aan politiek engagement in het onafhankelijkheidsdenken maakten de bewoners van Tugu en Depok in de revolutietijd tot doelwit van nationalistische krachten. Zij waren weliswaar etnisch Indonesiërs maar hun identiteit was te zeer aan het Nederlandse gezag verbonden om hen als zodanig te erkennen.

Hun voorkeur voor herstel van het Nederlandse gezag na de Tweede Wereldoorlog heeft hen enigszins tot vijanden gemaakt van het nationalistische streven. Toch verschilden Depok en Tugu daarin ook van elkaar. In die verschillen ligt mede besloten waarom Depok zoveel ingrijpender doelwit werd van nationalistische extremisten dan Tugu. De traumatische gebeurtenissen tijdens de Bersiaptijd en het gebrek aan erkenning daarvan nadien, waren voor velen een zware last die zij met zich mee droegen en die sommigen nog steeds dragen.

De inwoners van Tugu en Depok onderhouden nog altijd nauwe banden met hun verwanten die naar elders, voornamelijk naar Nederland, zijn gemigreerd. Hun streven naar het behoud van een gevoelde gemeenschapsidentiteit is een kenmerk dat zij samen delen. Een identiteitsbewustzijn dat als optelsom moet worden gezien van hun beider geschiedenissen door de eeuwen heen.

Leave a Reply

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Up