Indonesië droeg bij aan wederopbouw Nederland (1950-1957)

Op 27 december 1949 kwam, door de ondertekening van de soevereiniteitsoverdracht van koningin Juliana in het paleis op de Dam, een einde aan het bestaan van Nederlands Indië. Indonesië was van nu af een zelfstandige staat. Er is echter veel en maanden lang onderhandeld op de Ronde Tafel Conferentie (RTC) in Den Haag.

Vier partijen namen er aan deel, namelijk een Nederlandse delegatie, een delegatie van de Republiek die op 17 augustus 1945 door Soekarno was uitgeroepen, een delegatie van Federalisten uit de Indonesische deelstaten en een United Nations Committee for Indonesia (Unci) van de Verenigde Naties.

Vergaderingen waren langdurig; voorstellen werden vervangen en afgewezen.
Een onderwerp waarover langdurig werd onderhandeld en dat door Nederland naar voren werd gebracht, was de schuldenkwestie. Nederland eiste en bedong de status als meest bevoorrechte handelspartner.

Dit betekende dat alle voordelen aan investeringen en winsten uit de ongeveer 3 miljard guldens van particuliere beleggingen Nederlands bezit bleven en tegen een aantrekkelijke koers naar Nederland overgemaakt moest worden.
Dit werd vastgelegd in een financiële regeling; de Finec!

Nederland was echter nog niet tevreden. Zij wilde geen afstand doen van het eiland Nieuw-Guinea. Want Nederland wilde dat Nieuw-Guinea in haar bezit bleef en diende als kolonisatiegebied voor o.a. de Indische mensen.
Nederland speculeerde ook op de rijke bodemschatten van Nieuw-Guinea zoals bauxiet, koper, goud en olie.

Direct na de soevereiniteitsoverdracht groeide echter het wantrouwen tussen de partners van de unie. Men wilde elkaar niet begrijpen en zowel Drees als Luns hadden hun eigen beleid uitgestippeld zonder rekening te houden met hun Indonesische partners.
De Indonesiërs bleven volhouden en maakten Nieuw-Guinea het hoofdthema van allerlei redevoeringen.
Nederland had daarentegen bij een grondwetherziening van 1956 bepaald dat Nieuw-Guinea Nederlands grondgebied was.

O.a. door het gevoelloze optreden van de heer Luns werd deze Geneefse conferentie een complete mislukking. De getergd Indonesische delegatie ging huiswaarts. De Unie werd opgezegd en op 4 augustus 1956 stopte de Indonesische regering de betaling van de schulden aan Nederland. Ruim een jaar later vielen ook alle Nederlandse bedrijven door de kwestie Nieuw Guinea aan Indonesie.

Wat echter in Nederland niet bekend was, is dat toen Indonesië in 1956 stopte met het betalen van haar schuld, er reeds bijna 4 miljard gulden was afgelost. De rest schuld was nog 650 miljoen guldens. Over de periode 1948-1953 kreeg Nederland ook 1127 miljard dollar Marshall hulp als lening.

Menigeen liep met de gedachte rond dat Nederland met zijn naoorlogse wederopbouw alleen aan de Marshallhulp had te danken.
De Indonesische schuld betaling werd geheel over het hoofd gezien.

Ook werden alle kapitaalopbrengsten, pensioenen en spaargelden werden van uit Indonesië naar Nederland overgemaakt. Ook alle inkomsten van Nederlandse bedrijven vloeiden naar Nederland en dekten de schrale jaren 50. Deze jaarlijkse bijdrage was gemiddeld 8% en de Nieuw-Guinea kwestie maakte daar een eind aan.

Indonesië heeft gedurende de periode 1950 tot 1957 bijgedragen aan de snelle naoorlogse industrialisatie van Nederland, die “Le miracle Hollandais” werd genoemd.

Bovenstaande informatie is voor een deel ontleend aan een artikel in de Groene Amsterdammer van Lambert Giebels.

Het Indisch Herinnering Centrum (IHC)

Ja, het IHC komt er aan en wel aan de Sophialaan 10 in Den Haag. En volgens de overheid namens de staatssecretaris drs. M.J. van Rijn van VWS en het demissionaire cabinet is “de start van dit flexibele programmeringsdeel ten behoeve van de collectieve erkenning van Indisch Nederland per 1 januari 2018”.

Met de recente geschiedenis in gedachten is dit het zoveelste (4de ?) project om een Indisch Centraal punt te organiseren.
Uit de informatie over het 1st IH (Indisch Huis) kan gerust gesteld worden dat het toen een ernstige corrupte organisatie was. Zowel directie als staf profiteerden en nepotisme, onrechtmatige en ondoelmatige uitgaven vonden plaats. Er was toen een absoluut non-transparant financieel beleid met nihil resultaten!

Het debacle van het IH zou de Indische gemeenschap tot nadenken en zelfreflectie moeten stemmen. Echter de samenwerking bij de ontwikkeling van een nieuw centrum gaf blijk hoezeer de gemeenschap verdeeld is.
Er waren toen diverse vrij grote Indische Organisaties. Waarom heeft niemand toen proactief gehandeld en naar de toenmalige minister gestapt om ook een rol te willen spelen? Vooral met het vooruitzicht van een overheidssubsidie. Dat is toen niet gebeurd en het gebeurd ook vandaag nog steeds niet. Hoe hebben wij Indo’s ons over al die jaren maatschappelijk en politiek uitgedrukt? Immers een Indo kan heus wel zijn mondje roeren. Was er maar een beweging na 1960/1970 in Nederland geweest die eensgezind politiek bezig was.
Wat een verschil met de Marokkanen en Turken van vandaag. Die hebben een eigen politieke party, verschijnen regelmatig op de TV en laten zich via de kranten ook regelmatig hun visie horen. En waar zijn wij?

Conclusie: Klagen helpt niet als je decennia alleen maar zwijgt. Zwijgen is typisch Indisch, dat is blijkbaar een deel van onze cultuur.

De staatssecretaris van Rijn (VWS) heeft met vertegenwoordigers van de Nederlands-Indische gemeenschap, Indisch Platform, Indisch Herinneringscentrum, Stichting Pelita en Stichting Herdenking 15 augustus 1945 afspraken gemaakt over de verankering van het Indisch verleden in de Nederlandse samenleving. Ook het Indisch Platform, Stichting Herdenking 15 Augustus 1945 en het Moluks Historisch Museum hebben reeds bevestigd hun intrek te willen nemen in de pleisterplaats.

De brief spreekt over goede afspraken en een overeenkomst. Maar wat zijn de financiële en organisatorische voorwaarden? En met het verleden in gedachten, wat zijn de exacte subsidievoorwaarden? Wie gaat hun evalueren?

De brief van het ministerie van VWS aan de tweede kamer schrijft als doelstelling o.a. een nationale of regionale dimensie hebben (dus niet puur locatie gebonden zijn); – verbindend zijn tussen de Nederlandse samenleving en voormalig Nederlands-Indië, en/of de Nederlands-Indische groeperingen onderling; – vrij zijn van politiek-historische lading;

De volledige brief: file: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2017/08/11/kamerbrief-over-collectieve-erkenning-nederlands-indische-gemeenschap

Het is vreemd dat de overheid alleen naar de Indo’s in Nederland heeft gekeken en de gemeenschap elders in de wereld gewoon is vergeten. Natuurlijk is het volledig begrijpelijk dat er geen subsidiegeld naar b.v.  de Amerindo’s vloeit. Maar iets anders is de betrokkenheid bij de formulering en opzet van het IHC.
En wat hebben de 4 betrokken Indische Organisaties daarover gezegd?
Sluit je grote gemeenschappen van Indo’s elders vooraf uit bij de gedachtenvorming over het IHC dan werk je al van meet af aan tegen de centrale doelstelling.

Ook de Amerindo’s, de Indo’s in Canada, Brazilië, Australië, Indonesië en waar ook ter wereld vormen een ondeelbaar element van de Indische gemeenschap.
Of behoren deze Indo’s niet meer tot de Indische gemeenschap en zijn zij afgescheiden van de Indische In Nederland?

De Amerindo’s in Amerika met hun eigen organisaties zoals “De Indo” en de “De Indo Project” hoor je haast niet, want zij zijn er helemaal buiten gelaten. Alsof zij niets te maken hebben met het Indisch herinneren en herdenken!

Laten we hopen dat het nieuwe IHC ook voor alle Indo’s waar ter wereld is bestemd.

 

 

 

 

Het Indisch Centrum aan de Sophialaan 10 in Den Haag

Sophialaan 10, Den Haag

Het Indisch Centrum komt er in Den Haag.

De oriënterende gesprekken begonnen ruim 1 ½ jaar geleden.
Samen met vertegenwoordigers van de Nederlands-Indische gemeenschap (Indisch Platform, Indisch Herinneringscentrum, Stichting Pelita en Stichting Herdenking 15 augustus 1945) heeft staatssecretaris Martin van Rijn (VWS) afspraken gemaakt over de verankering van het Indisch verleden in de Nederlandse samenleving. Belangrijk onderdeel van deze zogenaamde collectieve erkenning is een centrale ontmoetings- en herinneringsplek, een Indische pleisterplaats, aan de Sophialaan 10 in Den Haag. vlakbij het bekende Plein 1813. Ook zijn afspraken gemaakt over het verbreden van herdenkingsactiviteiten en het zorgaanbod voor de eerste generatie Indische Nederlanders.

Het moet het “kloppend hart” van de Indische gemeenschap worden en de participanten zullen er alles aan doen om dit te laten slagen.
Organisaties die zich eveneens bij het Indisch Centrum zullen aansluiten zijn onder andere

Stichting Molukse Museum en naar verwachting ook het Indisch Familiearchief en er staan nog meer organisaties op de stoep.

Mevrouw Yvonne van Genugten zegt:” De Indische gemeenschap is erg divers, maar dit is een plek waar alles samenkomt. Het herdenken, de Indische herinnering, de specifieke zorg voor de Indische ouderen, die vaak nog steeds met hun trauma uit de Bezettingstijd en daarna de Bersiap-periode in Indië te kampen hebben”.

Staatssecretaris Martin van Rijn (VWS) spreekt in een Kamerbrief van een ”collectieve erkenning”. Jaarlijks gaat het tot 2022 om 1,5 miljoen euro en vanaf dat jaar ieder jaar structureel om een bijdrage van 1 miljoen.

Ook komt er meer aandacht voor de speciale zorg voor ouderen. Velen hebben een traumatisch verleden met bersiap, geweld en oorlog en daarbij ook een (deels) niet-Nederlandse culturele achtergrond.

Ze waren erger dan beesten

Sumatra
Voorwoord: De Nederlandse kolonialen in het voormalig Nederlands-Indië mochten dan door een deel van de in het vaderland verblijvende Nederlanders als onderdrukkers worden gekwalificeerd, die kwalificatie viel verreweg in het niet vergeleken bij het optreden van de Japanse bevrijders.
Het wellicht opvallendste mentaliteitsverschil tussen de oude kolonisator en de glorieuze bevrijder, de Nip, is het treffendst omschreven in Henk Hovinga zijn boek “Eindstation Pakanbaroe 1943-1945”, waarin hij de wrede, onbarmhartige gedrag van de moordende Japanse meesters ten opzichte van hun bruine Aziatische bruine broeders de romusha’s, beschrijft.
“Naast de originele eilandbewoners hebben alle import-Sumatranen het onder het regime van de Showa Tenno nogal te verduren gekregen.
In het betrokken gebied werd ongeveer 95% van de door de Kempeitai behandelden geëxecuteerd of door uithongering, marteling of een combinatie ervan ter dood gebracht. Dankzij het snelle effect van de A-bommen op Japan bleef er zowaar nog een aantal van hen in leven.
Tussen de 50% en 60% van de door de Gunseibukan gevangengehouden politieke gevangenen stierf in de daarvoor gebruikte strafgevangenissen, merendeels als gevolg van de voorafgaand toegepaste verhoormethoden door de Tokko-experts en de vervolgbehandeling van inheems gevangenispersoneel”.

Het totale aantal doden is niet exact vast te stellen, maar de individuele en verzamelgraven in de Sumatraanse plaatsen Bandarboeat, Bangkinang, Fort de Kock, Fort van der Capellen, Goeroenlawas, Padang, Padangpandjang, Painan, Soegaipenoeh en Tandjoeng Gadai (Gadoet) geven een aantal van tussen de 1300 en 1500. De lokale en aangevoerde inheemse romusha’s hebben als gravers bij de aanleg van de tunnels in Fort de Kock, Lobang Jepang, het grootste percentage aan mensenlevens verloren, namelijk 100%; en dat waren omstreeks 4000 man.

Op 4 en 7 oktober 1943 werden 30 mannen uit de Boei – Moeara gevangenis, die daar sinds 3 september 1943 gevangen zaten, door een paar figuren van de Tokko gehaald, die vergezeld waren van een eenheid Japanse soldaten met twee vrachtwagens. Ze werden op een vrachtauto geschreeuwd, kregen een jutezak over het hoofd en werden naar het MV-huis, Padang, het verzamelpand van de Tokko, gebracht. Zij hadden geen flauw idee wat het te wachten stonden.
Diverse van deze Ombilin-mannen waren vaders en hun kinderen zaten bij hun in het gevang. De rust werd van de ene dag op de andere verstoord door dat Pa onder valse voorwendselen van de Jap werd weggevoerd met de laatste hoop:”Wij halen jullie zo gauw mogelijk op”. Bijna een jaar lang vroegen deze kinderen waar Pa met zijn belofte bleef. In dat jaar werd de gevangenis ontruimd en met het weinige bagage midden in de nacht werden de gevangenen, mannen en kinderen, op mars gezet naar het station onder luid gejoel van de nu pro-Japanse Indonesiers en luidkeels gillende vrouwen van het vrouwenkamp waar ze langs kwamen. In geblindeerde wagons en open vrachtwagens kilometersver het Sumatraans oerwoud in en gedropt op een terrein van droogloodsen van een verlaten rubber plantage; Bangkinang.

Van daaruit zagen deze jongens de overlevenden voorbij trekken van Nederlandse/Engelse krijgsgevangenen naar hun nieuwe verschrikkingsoord “de Pakan Baroe spoorweg”. In het laatste oorlogsjaar (1945) zagen enkele jongens hun zwaar mishandelde/getraumatiseerde vaders terug in dit oord Bangkinang en kregen te horen wat hun en mede Ombilin mensen was overkomen na hun vertrek uit de Padangse gevangenis dat een hel was van vernedering en mishandeling, zoals hier beneden beschreven.
Maar wat was de reden, dat deze zwaar gemartelde Japanse gevangenen plotseling naar Bangkinang werden getransporteerd. Men kon het alleen maar raden, maar waarschijnlijk was het volgende de oorzaak. De echtgenote van de Japanse commandant van Bangkinang werd ziek en moest direct geopereerd worden aan een blindedarm ontsteking. Een van de gevangenen in dit kamp was dokter Vis, voordien arts in Sawah Lunto en van het personeel van de Ombilin mijnen, die bekend stond als een goede chirurg. Tijdens de operatie werd er ook gejaagd op wild en kregen de kamp gevangen vlees (tijger, zwijnen) te eten.
Vlak daarna kwamen de gemartelde overlevenden, wel met jarenlange gevangenisstraffen, in Bangkinang aan.

Deze groep mannen bestond uit drie mijningenieurs, zeventien mijnbouwkundigen, twee elektrotechnici, de chef magazijnen, en twee anderen, allen van de OSM (Ombilin Steenkool Mijnen te Sawah Lunto), aangevuld met vijf uit Padang afkomstige schier willekeurige Europese en Molukse jongemannen.

Eddie Geenen voor de oorlog

De volgende mannen uit Sawah Lunto waren:
W. van Ameyden van Duyn, L.P. Apitule, C.R. Brouwer von Gonzenbach, E.J.A. Cosijn, H.C. van Don, B. Filet, C.J. Foss, E. Geenen (mijn vader), W.C. Goldman, O. Hisgen, J.H.G. Keim, G. Keller, F. Kretzer, F.J. Keuskamp, W.J.R. Lanzing, F. Maidman, C.D.J. Marges, A.W.F. Molensky, F.A. van Ommen, J.A. van Ommen, C. H. van Raalten, A. Schlameisen, J.J. Thenu, F. Urban, A. Uyleman Anthonijs (particulier archief) en nog twee personen.

Bij binnenkomst werden ze van hun bagage afgeholpen en geboeid. Daarna kregen ze een zitplaats op de grond in de toneelzaal aangewezen, waar zij met gekruiste benen doodstil en met de ogen naar de grond gericht moesten blijven zitten. Iedere vorm van onderlinge communicatie was op straffe van buitenproportioneel slaag verboden. In deze houding moesten zij hun beurt afwachten. Deze beurt hield in dat men door de Japanse Tokko-luitenants Sugibayashi en Miyauchi, de Tokko-gunzo’s Watari Tsurukichi en Yamashita en de Indonesische tolken Bakri, Sjafei, Hartin en nog anderen zou worden “verhoord”.

Zo’n verhoor bestond hoofdzakelijk uit het met de hand, vuist, zweep, bullenpees, stoel of delen van, een eind hout, touw of elektriciteitskabel dan wel een speciaal ervoor geconstrueerd slaginstrument inslaan op de gewenste politieke gevangene, die wel uit voorzorg geboeid was.
Een speciaal voor het doel geconstrueerd slaginstrument kon zijn een zweep van staaldraad of de “spiked rattan”, een in vieren gespleten eind rotan voorzien van van binnenuit aangebrachte nageltjes waarmee het slachtoffer van kleding en huid ontdaan kan worden.
Wanneer het slachtoffer al dan niet met opzet, op de grond kwam te liggen werd door schoppen of springen, liefst kwetsbare plekken van het lichaam de pijn bewust verhoogd en werden blessures met opzet aangebracht.
Velen werden tijdens de ondervraging gedwongen te knielen met een stuk hout in hun knieholten. Lang genoeg in deze houding zakt men vanzelf terug zodat door eigen gewicht abnormale kracht op de knieën werd uitgeoefend en men zichzelf pijnigde, tenzij men rechtop bleef. Het hoge pijngehalte van brandletsel werd vanzelfsprekend niet onbenut gelaten.

Veelal werden in combinatie met het bovenvermelde slag- en schopwerk door middel van brandende sigaretten, kaarsen, olielantaarns, of roodgloeiend metaal schroei- of brand- wonden aangebracht.
Ook de martelende werking door de toepassing van elektriciteit was niet onbekend; de kwetsbare hangende positie werd bijna plichtmatig toegepast, vaak met voorkeur voor omgekeerde ophanging.
De fantasieën van deze Japanse en Indonesische beulen waren oneindig.
Minstens tien dagen duurde dit gebeul en gezeul tot aan de berechting.

Men moest zich wel onopvallend aan de regels houden. Dat was moeilijk. Het is onmogelijk niet te reageren op gebeurtenissen in de directe omgeving, vooral wanneer bekenden intens onder handen worden genomen. Doordat men constant naar de grond moest kijken kon men visie meer of minder uitbannen, maar gehoor of reuk buiten werking stellen is veel moeilijker, zo niet onmogelijk.
De Japanse martelkundigen pasten alle middelen toe om aan de gewenste informatie te komen.
Er liepen ook ter assistentie pembantu’s (helpers) in de gevangenis rond. Deze waren inheemse kandidaat-Kempei’s. Hun taken waren het rondbrengen van het schaarse voedsel, het verwijderen van vuil en het afvoeren van ontzielde lichamen.

Maar hen werd ook wel ander werk opgedragen en daarbij waren alle denkbare handelingen van pijn en vernedering ten aanzien van derden niet uitgesloten.

Van de ongeveer 150 in oktober 1943 te Padang tot lange gevangenisstraf (15 jaar) veroordeelden stierf binnen 2 jaar omstreeks 60%.

De groep veroordeelden waar mijn vader Eddie Geenen toebehoorde werden uiteindelijk bijna een jaar later overgebracht naar het mannenkamp in Bangkinang.
Veertien van de dertig man kwamen op 1 september 1945 nog levend uit de diverse gevangenissen, twee van hen stierven binnen twee maanden, terwijl de anderen nog op tijd konden worden opgevangen.

Nawoord: Mijn vader Eddie Geenen werd met zijn gezin in zeer zieke toestand met de Sibajak naar het toenmalige Batavia (Jakarta) gebracht om verpleegd te worden in het CBZ ziekenhuis. Hij overleed in het ziekenhuis aan pleuritis en bloedvergiftiging op 18 augustus 1948. Moeder vertelde mij later dat pa ook gecastreerd was geworden.

Grafsteen Pappa Eddie Geenen


De Japanse beulen van de Kempeitai werden na de oorlog beschuldigd van de volgende inhumane handelingen op hun slachtoffers, zowel de Indonesiërs als de Indo-Nederlanders en alle anderen:

  1. Het onophoudelijk en langdurig slaan met stokken, staven, bullenpezen, ploertendoders, knuppels, speciaal voor dat doel vervaardigde karwatsen (touwwerk of staal – of elektriciteitsdraad)
  2. Het tegen de grond werpen door toepassing van jujitsu-grepen
  3. Het met brandende sigaretten, of met open vlam aanbrengen van brandwonden
  4. Het laten ondergaan van diverse vormen van de waterkuur met flankerende mishandelingen
  5. Het op de meest gevoelige plaatsen van het vooraf nat gemaakte lichaam onder stroom zetten
  6. Het op welke wijze dan ook verwondingen op het lichaam aanbrengen
  7. Het lichaam met handen en voeten aan de rugzijde gebonden en waartussen een draagstok gestoken werd, aan twee steunpunten op te hangen
  8. Indien vrouw, in deze toestand te verkrachten
  9. het met opzet van grote hoogte te laten vallen
  10. het met zwaar geschoeide voeten springen op verschillende delen van het lichaam
  11. het steken van naalden onder de nagels
  12. het steken van potloden tussen de vingers, deze samenknijpen en vervolgens de potloden te draaien
  13. het laten knielen op de scherpe kanten van driehoekige balken geplaatst ter hoogte van de knieën en op de overgang van de schenen naar de voeten, terwijl op de plank over de kuiten geplaatst kempei’s gingen staan of springen
  14. het dagenlang zonder eten of drinken in de zon of elders laten staan
  15. het aan de benen ophangen met het hoofd omlaag
  16. het met een ijzeren staaf op de handen slaan
  17. het opzettelijk ontzeggen van voedsel, drinken, medicijnen of medische hulp
  18. het dagenlang in overvolle lokalen opsluiten, zodanig dat het onmogelijk was het lichaam uit te strekken.

Het uitoefenen van deze systematische terreur en folteringen door de Nips had veelal de dood tot gevolg of veroorzaakte zwaar lichamelijk of geestelijk letsel en leverde de gevangenen zwaar lichamelijk en geestelijk lijden.

Gegevens o.a. van het boek KURA! van Lou Lanzing, Mannenkampen Padang en Bangkinang (Sumatra’s westkust) van H. van den Bos en ook van de heer W. Keller.

George Wilhelm (Bo) Keller

De Levensloop van een Indisch Nederlander
Geschreven door Menke de Groot
Aangepast door Ron Geenen aan zijn web

George Wilhem (Bo) Keller

Vroege jaren

George Wilhelm (Bo) Keller (Sawah-Lunto, 6 september 1928) werd op Sumatra geboren als zoon van Gerrit Keller, mijnopzichter bij de Ombilinkolenmijn. Deze mijn, in 1868 ontdekt door mijningenieur W.H. de Greve, lag in een afgelegen gebied van de Padangse Bovenlanden (Sumatra’s Westkust). De mijn werd bij wet van 28 december 1891 van staatswege geëxploiteerd. Gerrit Keller was een der weesjongens van Sumatra’s Westkust geweest, opgegroeid bij de Paters van Tilburg.

Ombilin Steenkoolmijn in Sawahlunto

Keller werd al jong naar zijn grootouders gezonden, waar hij opgroeide in een kampong. Toen hij in de derde klas van de lagere school zat werd hij teruggestuurd naar zijn ouders. Dat was een enorme overgang voor hem omdat hij van het vrije leven in de kampong terecht kwam in een streng Katholiek gezin, dat woonde in een stenen huis.

Niet lang hierna brak in Europa de Tweede Wereldoorlog uit en werd het moederland, Nederland, bezet. Deze gebeurtenissen leidden tot een enorme toename van patriottische, pro-Nederlandse, gevoelens in Indië.
Japanse bezetting

Als jonge jongen van 13 jaar aanschouwde Keller de restanten van het verslagen Engelse leger en het binnentrekken van van de Japanse overwinnaar in zijn geboorteplaats op Midden-Sumatra.

Toen de Japanners Nederlands-Indië begin 1942 veroverden maakte men de belangrijkste apparatuur van de Ombilinmijn onklaar door deze in het water af te laten zinken. Hierop werden veel mensen gearresteerd en in gijzeling genomen door de Japanners, waaronder ook de jonge Bo Keller.  Nadat hij echter, tot genoegen van zijn belagers, tot drie maal toe Banzai Nippon had geroepen liet men hem gaan.

Pakan Baru Herdenkingsteen

Intussen leed het gezin Keller armoede omdat de Ombilinmijn buiten werking was gesteld. Een poging om dan maar een fiets te verkopen leed schipbreuk omdat alle bezit nu eigendom was geworden van de Japanners. Korte tijd later werd Keller junior in een geblindeerde trein afgevoerd.

De periode tot zijn zeventiende levensjaar en het einde van de oorlog bracht hij door in diverse vrouwen- en mannenkampen, met als “tussendoortje” een eenjarig verblijf in de gevangenis van Padang. Ook in deze tijd werd hij door de Japanners gedwongen mee te graven aan een massagraf, dat in eerste instantie ook voor hem bestemd leek. De bombardementen van Hiroshima en Nagasaki kwamen maar net op tijd.
De Bersiapperiode: de Olo-affaire

Na de bevrijding van Nederlands-Indië kwam er geen rust maar begonnen op grote schaal moordpartijen plaats te vinden; Indo’s en Nederlanders werden zonder aanziens des persoon afgeslacht door bruut optredende bendes nationalisten, hiertoe eerder getraind door de Japanners. Een van de gelegenheden waarbij Keller veel familieleden verloor was de Bersiap-moordpartij op 18 november 1945 te Djalan Olo te Padang.

Monument van de Birma Spoorweg

Een van de (waarschijnlijke) redenen van de slachting aan de Olostraat 27 was dat de daders hoopten de sleutels die toegang gaven tot de Ombilinmijnen te vinden. Tijdens de verschrikkelijke gebeurtenissen werd het huis aan de Olo straat in brand gestoken. Tientallen mannen, vrouwen en kinderen werden gedwongen een grote, rechthoekige kuil te graven. Hierna werd hun keel doorgesneden en werden de lijken in de kuil gegooid. Een aantal jonge meisjes werd verkracht, de borsten afgesneden en hierna alsnog vermoord.

De grootvader van Keller werd tijdens de Bersiap periode elders op Java vermoord.
Politionele Acties

Keller trad, mede door al deze gebeurtenissen, al snel in militaire dienst bij het KNIL, waar zijn vader in middels benoemd was tot instructeur. Hij was echter nog te jong en werd weggezonden. Op 11 september 1946 verbond hij zich als vrijwilliger te Padang voor een jaar als vrijwilliger aan het KNIL. In de rang van soldaat der tweede klasse werd hij aldus als rekruut geplaatst bij het Depot Compagnie te Padang. Aldaar was hij een van de weinige soldaten met een Europese achtergrond.

Militaire staat van dienst

Op 5 november 1946 werd Keller overgeplaatst bij het Centraal Depot te Medan.  Met ingang van 3 september 1947 werd hij geplaatst bij het zesde Bataljon Infanterie en op 8 januari 1948 bevorderd tot soldaat der eerste klasse. Tijdens de Eerste Politionele Actie was Keller, onder overste Maris, met het zesde bataljon, actief op Noord-Sumatra.

Op 8 maart 1948 ging Keller, ter nadere indeling, over bij het Territoriale tevens Troepencommando Riouw en op 16 juli 1948 werd hij ingedeeld bij het tweede bataljon infanterie te Cheribon. Op 10 augustus 1948 ging hij over bij het Plaatselijk Militair Commando aldaar en wat later dat jaar werd hij geplaatst op de Infanterie Kaderschool te Tjimahi. Vlak voor de Tweede Politionele Actie begon vond de plaatsing bij het tweede bataljon infanterie plaats.

Deze periode van strijd was moeilijk voor Keller omdat hij zich, tijdens de Tweede Politionele Actie, min of meer gedwongen voelde tegen zijn eigen mensen te vechten. Dat was omdat het gevechtsterrein zich toen bevond in de geboortestreek van Keller.
Naar Nieuw-Guinea

Na de Politionele Acties werd Keller met ingang van 7 april 1950 overgeplaatst bij het Centraal Doorgangskamp te Batavia en met ingang van 24 juli 1950 verrichtte hij tijdelijke dienst bij de Koninklijke Landmacht. Twee dagen later werd hij, in verband met de reorganisatie van het KNIL na de soevereiniteitsoverdracht, eervol uit de militaire dienst van het KNIL ontslagen.

M.S. Waterman

Deze soevereiniteitsoverdracht had op 27 december 1949 plaatsgevonden. Alle Indo’s binnen het KNIL waren door de Nederlandse regering voorbestemd voor het Tentara Nasional Indonesia (TNI), het Indonesische Nationale leger. Deze lotsbestemming vernam Keller in Batavia, toen hij en andere militairen door Hollandse officieren tijdens een bijeenkomst hieromtrent werden voorgelicht. Er brak bijna een massale vechtpartij uit toen de altijd zeer loyaal gebleven KNIL-militairen van deze discutabele beslissing van de Nederlandse overheid kennis namen.

Uiteindelijk maakte generaal R.C. Luchsinger een einde aan de zeer dreigende situatie door mede te delen dat de KNIL-militairen naar Nieuw-Guinea zouden worden gezonden. De manschappen (2.000 mannen, vrouwen en kinderen, die daarnaast kippen, geiten en hak- en kapmateriaal) werden naar de Waterman gedirigeerd, waar zij hun wapens, die zij eerder niet hadden willen afgeven, in de riolen aldaar verstopten.  Aldus werd omstreeks 2.000 man naar Nieuw Guinea verscheept, waar hen een bestaan als kolonist zou wachten. Keller zelf kwam te wonen in Manokwari, waar hij RMWO Mauritz Christiaan Kokkelink ontmoette. Jaren later zou hij op Bronbeek met de nalatenschap van Kokkelink te maken krijgen.
De strijd in Korea

Keller werd met ingang van 26 juli 1950 bij het Regiment Van Heutsz als vrijwilliger voor onbepaalde tijd bij de Koninklijke Landmacht aangenomen en tewerk gesteld bij de Landmacht op Nieuw-Guinea. Met ingang van 16 augustus 1951 werd hij ontheven van deze tewerkstelling en ingedeeld bij het Nederlands Detachement Verenigde Naties, dat op die datum per vliegtuig vanuit Biak via Japan naar Puaan vertrok, waar het op 23 augustus aankwam.

Heuvel in Korea

Aldaar werd Keller tijdelijk, met ingang van 15 oktober 1951, benoemd tot korporaal. Tijdens een gevecht op 18 februari 1952 raakte hij (niet ernstig) gewond. Een paar maanden later, 6 juli 1952, vertrok Keller per Generaal le Roy Eltinge naar Japan, vanwaar hij per vliegtuig terugkeerde naar Nieuw-Guinea. Op 16 juli 1952 werd hij eervol ontheven van zijn tewerkstelling bij het Nederlandse Detachement Verenigde Naties en met ingang van die datum tewerk gesteld bij de landmacht op Nieuw-Guinea.
Werkzaamheden in Nederland

Keller werd met ingang van 21 februari 1954 ontheven van zijn tewerkstelling bij de Landmacht Nieuw-Guinea en vertrok per vliegtuig naar Nederland, waar hij werd opgevangen in de paardenstal in de legerplaats te Oldebroek. In de rang van soldaat der eerste klasse werd hij geplaatst bij het Bewakingskorps Koninklijke Landmacht (24 maart 1954). Met ingang van 5 november van dat jaar volgde de bevordering tot korporaal.

Brief van Keller aan de Koningin

Begin januari 1955 ging Keller over naar het Regiment van Heutsz, waar hij werd ingedeeld bij het twaalfde regiment. Enige jaren later deed hij de onderofficierenschool om opgeleid te worden voor de rang van sergeant der infanterie (1957) en in 1958 volgde een detachering bij de Opleidingsschool voor administratief kader. Pas op 8 augustus 1959 verkreeg hij bij wet de “hoedanigheid van Nederlander”.
Nieuw-Guinea en latere loopbaan

In mei 1962 keerde Keller naar Nieuw-Guinea terug, waar hij met ingang van 1 juni 1962 benoemd werd tot pelotonssergeant. Dat was wegens de militaire confrontatie in West-Papoea.  In deze functie bleef hij werkzaam tot november van dat jaar, toen hij terugkeerde naar Nederland, waar hij op 4 november 1962 aankwam. In de loop van de jaren die volgden werd hij diverse malen overgeplaatst en volgde verschillende opleidingen. Hij nam verder onder meer deel aan de parate- en wachtdiensten in Nederland en Duitsland.

Keller verliet de militaire dienst in 1983 in de rang van adjudant-onderofficier.
Gids op Bronbeek

Keller was gedurende vele jaren na zijn pensionering als vrijwilliger werkzaam als gids van Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek. In 2010/2011 zorgde hij er persoonlijk voor dat de Kokkelink-vlag, symbool voor het verzetswerk van de groep Kokkelink tijdens de bezetting van Nieuw-Guinea door Japan, een meer eervolle plaats, in een eigen vitrine, in de permanente tentoonstelling “Het verhaal van Indië” kreeg.

Bo Keller notities rondleiding Bronbeek

Hij heeft in de loop der jaren, helaas met wisselend succes, bij de collectiebeheerders van Bronbeek, steeds met argumenten en feiten onderbouwd, vasthoudend en volhardend gewezen op ergerlijke fouten en onjuistheden in de opstellingen.

Wat moet Nederland trots zijn op deze man, die zowel in de Oost, als op Nieuw-Guinea, op Korea, in Nederland, maar ook na zijn pensionering, de naam van ons leger hoog hield. Die zelfs nu hij de tachtig ver gepasseerd is de vinger aan de pols van de presentatie daarvan op Bronbeek en elders houdt. Die ook digitaal steeds een belangrijke verdediger van onze militaire eer is. Hulde aan adjudant onderofficier bd. George Wilhelm Keller!


Decoraties (selectie)

Ereteken voor Orde en Vrede
Kruis voor Recht en Veiligheid met de gesp Korea (12 augustus 1952)
Koreaanse Oorlogsmedaille, toegekend door de Zuid-Koreaanse regering (7 november 1952)
United Nations Service Medal met de gesp Korea (15 december 1952)
Bronzen Medaille (25 december 1952)
Onderscheidingsteken verbonden aan de Koreaanse Presidential Unit Citation (24 maart 1954)
Nieuw-Guinea Herinneringskruis met gesp 1962 (1 oktober 1962)
Zilveren Medaille (11 september 1964)
Gouden Medaille (25 oktober 1974)

 

Bersiap is een nooit erkend trauma

PAULA BRUNSVELD-VAN HULTEN is geboren in Surabaya, Indonesie en kwam in 1961 naar Nederland
29 november 2013 – De Volkskrant.

Nederlands-Indië
Dat nu, met grote wijsheid en betweterigheid achteraf, de moordende Indonesische vigilantes ‘vrijheidsstrijders’ worden genoemd, is onverteerbaar.

Bersiap: klaar staan… Een traumatische, zwarte herinnering voor oudere Indische Nederlanders, deze moordperiode op de blanda’s, de Nederlanders, kwetsbaar vlak na hun bevrijding in 1945 uit vier jaar honger en ellende in de jappenkampen. Indonesische vigilantes, opgehitste jongelui, overvielen en vermoordden zomaar, vaak ‘s nachts, Nederlanders met bamboe roentjing (bamboe spiesen) of ander wapentuig. Bij duizenden zijn ze vermoord, mannen, vrouwen, kinderen… ‘De kali was rood van het bloed, er dreven altijd wel lijken in, ook van kinderen, verschrikkelijk’, vertelden ook mijn ouders later aan hun kinderen. Waar we moord en brand over schreeuwen als het in Afrika of Azië gebeurt, daar doen wij hier koeltjes over. Sterker nog, dat de Nederlandse militairen toen hardhandig in actie kwamen tegen de desa’s en kampongs (de vigilantes waren altijd anoniem, net als de moslimfundamentalisten in Irak) is begrijpelijk, al is overschrijding van de grenzen van menselijkheid nooit goed te praten. Maar de heftigheid van sommige soldatenoptreden, gevoed door emoties als wraak en ontzetting over wat met eigen ogen was gezien, is begrijpelijk. Ook in deze oorlog – want dat was het – gebeurden over en weer verschrikkelijke dingen.

Voor de mensen die het hebben meegemaakt is het onverteerbaar dat wereldverbeteraars zonder historisch geheugen het Nederlandse optreden nu met betweterigheid en grote wijsheid achteraf afdoen als ‘oorlogsmisdaden’, de berichtgeving van toen betitelen als ‘propaganda’ en de moordende Indonesische vigilantes als ‘vrijheidsstrijders’. Ook is het onverteerbaar voor hun kinderen en kindskinderen, die dit als een nooit herkend en erkend trauma van hun ouders hebben meegekregen.

‘De moord op duizenden (Indische) Nederlanders in de Bersiaptijd is door Nederland altijd gelaten geaccepteerd, terwijl het zich het best laat omschrijven als volkerenmoord’, aldus de Amerikaanse historicus William H. Frederick in een interview op 18 november in Trouw. Hij spreekt van ‘postkoloniaal geheugenverlies’ van de Nederlandse autoriteiten.

Indonesië zit niet te wachten op al die zelfincriminatie door Nederland over zijn acties destijds, waarmee allerlei mensenrechtelijke claims worden gestimuleerd bij de lokale bevolking, die – zo blijkt na Rawagedeh – het smartengeld aan de enkele overlevenden op bevel van de dorpsoudste verdeelt onder de hele gemeenschap (niet onterecht, vind ik). Indonesië ziet de bui al hangen: al die nabestaanden van de Bersiap-genocide – zo noemt historicus Frederick die periode – gaan de Indonesische staat aanklagen.

Ik ben niet anti-Indonesië, integendeel. Het vrijheidsstreven en het succes van Indonesië met Soekarno als grote man, heb ik altijd bewonderd. Zo ben ik ook opgevoed.

Ik ben blank en blond, geboren in Surabaya op dag één van de Tweede Politionele Actie; mijn vader had moeite om naar het ziekenhuis te komen door de acties. Pas op mijn 13de, eind 1961, ben ik in Nederland gekomen. In de jaren vijftig had Soekarno verordonneerd dat Nederlanders moesten kiezen: vertrekken naar Nederland of blijven, maar dan Indonesisch staatsburger worden. Mijn ouders kozen voor het laatste, en ik wist niet beter dan dat Indonesië mijn land was. Ik zat ook op een Indonesische school, leerde en sprak daar Bahasa, zong op het schoolplein met alle kinderen het volkslied Indonesia Raja. Met Nederland had ik niets te maken, daar kwam de Bijenkorfbrochure voor Sinterklaas vandaan. Opa’s en oma’s waren in het jappenkamp gestorven.

Indonesië begon eind jaren vijftig met het terug claimen van Papoea Nieuw-Guinea, immers het ontbrekende deel van de archipel, dat ook door de Nederlandse kolonisator was bezet. In mijn ogen – ik was 11, 12 – was dat volkomen terecht en was Nederland de bad guy, die wilde blijven vasthouden. Luns, met zijn belachelijke snorretje, was de personificatie van dat foute Nederland voor mij en voor de rest van Indonesië. Wij stonden helemaal aan de Indonesische kant in ons gevoel.

Toch heeft dit conflict geleid tot ons vertrek uit Indonesië, het land waar ik dacht mijn hele leven te leven, naar dat koude, vijandige Nederland. Ik heb nog steeds begrip voor de vijandigheid van de bevolking tegen ons; we zagen er erg ‘blanda’ uit. Die vijandigheid nam bedreigende vormen aan, zowel fysiek als sociaal. Wij zijn uiteindelijk eind 1961 als spijtoptanten in Nederland gekomen.

Hier werd ik geconfronteerd met een heel ander beeld van dat conflict. Hier was Soekarno de grote boosdoener, Nederland de vermoorde onschuld. Ik heb daarvan voor het leven geleerd dat de waarheid zoals je die in de media en politiek ziet en hoort relatief is. Er zijn meer waarheden.

Dit geldt ook voor de oplaaiende discussie rond de Nederlandse oorlogsacties na de Tweede Wereldoorlog in Indonesië.

 

Mijn Verhaal – door Ad Fermin

Mijn verhaal over de Japanse bezetting van Nederlands-Indie gedurende 1942-1945 te vertellen aan leerlingen van  MO-scholen.
MIJN VERHAAL 2017 tekst-Ad Fermin

De Indische Kwestie

Peggy Stein is een actieve strijder voor de Indische zaak en heeft het volgende artikel op haar Blog geplaatst.

Beste politicus, ambtenaar en jurist,

Ik schrijf u namens mijn ouders en grootouders en namens de duizenden mensen die ik de afgelopen tijd heb gesproken in verband met de al 71 jaar slepende en onopgeloste ‘Indische Kwestie’ omtrent compensatie oorlogsschade én de ‘backpay’ van salarissen uit de oorlogsjaren Nederlands-Indië.

Nederlands-Indië: de onbetaalde rekening

KNIL soldaat Rudy Uijleman Anthonijs

Het echte gebeuren:
http://myindoworld.com/de-overleving-van-knil-soldaat-rudy-uijleman-anthonijs/

Familie Uijleman Anthonijs met in het midden staande Rudy en rechts Meity Ungerer

Proloog:
Nog niet zo lang geleden vertelde ik Meity Ungerer en haar echtgenoot Daniel Ungerer over het liefde werk van luitenant kolonel b.d. Jacq. Z. Brijl, die alsnog een verdiende onderscheiding kan regelen voor hun overleden familielid, zijnde vader, oom en/of broer. Mijn nicht Meity Ungerer, haar moeder is een zus van mijn vader Eddie Geenen, vertelde mij toen het relaas van een van haar broers, Rudy Uijleman Anthonijs. Zij bleken alle benodigde informatie en een interview op papier in hun bezit te hebben. Rudy was een van de slachtoffers, waar nooit aandacht was besteed. Hij heeft o.a. de grootste scheepsramp, Japanse Junyo Maru, overleefd. Voordien ook de Molukken transporten.
Dezelfde dag heb ik een email met alle benodigde gegevens aan de heer Jacq. Brijl verzonden en binnen de kortste tijd kreeg ik een positief antwoord. En dit in een periode dat de heer Jacq brijl met enorme pijn, niet kon lopen en zelf medische hulp nodig had. Een paar weken geleden kreeg ik een telefoon van de Ungerer’s dat ze via de aangetekende post uit Nederland van het ministerie van Defensie een grote enveloppe hadden ontvangen, t.w. het Mobilisatie- Oorlogskruis, het Ereteken voor “Orde & Vrede” en het Demob. Insigne KNIL.

Rudy Uijleman Anthonijs:
Hij werd geboren op 21 oktober 1923 te Sawah Lunto, Sumatra geboren.
Hij werd op 12 december 1941 opgeroepen voor militaire dienst en ingedeeld bij het 1ste Infanterie Bataljon te Bandung, Java.
Hij werd op 8 maart 1942 krijgsgevangen op Cimahi, Java.
Hij werd op 25 april 1943 via Surabaya ingescheept naar Timor waar hij onder erbarmelijke omstandigheden en wrede Jappen slavenwerk moest verrichten bij de aanleg van vliegvelden.
Hij werd ruim een jaar later op transport gezet naar gevangenkamp Makassar buiten Batavia.
Hij werd uitverkoren om te voet en onder Japanse bewaking naar Tandjong Priok te gaan.
Hij werd op 12 september 1944 ingescheept en in een ruim gestopt van hellschip Junyo Maru voor transport naar de westkust van Sumatra.
Hij geraakte op 15 september 1944 in de baai van Benkoelen te water. Dit nadat de Junyo Maru door 2 torpedo’s van de onderzeeboot Tradewind was getroffen en zonk.
Hij werd na 3 dagen in zee te hebben rondgezwommen en hangend aan balken en lijken op 18 september 1944 opgepikt door een Japanse torpedojager.
Hij werd op 19 september 1944 in Emmahaven, Sumatra, van boord gehaald en per vrachtwagen vervoerd naar het militair hospitaal in Padang.
Hij werd een maand later naar Pakan Baru getransporteerd en aan het werk gezet bij de bouw van de beruchte 220 km lange dodenspoor dwars door moerasoerwoud en bergen.
Hij werd na de Japanse capitulatie bij het KNIL Infanterie Bewakingspeloton te Bangkinang ingelijfd.
Hij werd eind oktober 1945 overgeplaatst naar Padang.
Hij werd in januari 1946 op transport naar Batavia gezet en ingedeeld bij de 1ste depot te Djaga Monjet peloton onderdeel mitrailleur afdeling.
Hij werd overgeplaatst naar de Pau – Pel, B Divisie.
Hij werd overgeplaatst naar de Staf B. Divisie met toestemming opzending naar Nederland.
Hij heeft in 1946 en 1947 als militair deelgenomen aan de acties Pasar Minggoe, Depok, Tangerang, Balaradja, en omgeving Tjiandeer.
Hij heeft ook deelgenomen aan de politionele acties te Pekalongan, Pemalang, en omgeving Tegal gedurende periode 21 juli tot 4 augustus 1947.
Hij werd op 27 maart 1948 per m.s. Sloterdijk op transport naar Nederland gezet.
Hij werd in Nederland eervol ontslagen en op 22 april 1948 met groot verlof gezonden.

De overleving van KNIL soldaat Rudy Uijleman Anthonijs

Rudy Uijleman Anthonijs

Rudy Uijleman Anthonijs werd op 21 oktober 1923 te Sawah Lunto op West Sumatra geboren.
Door de dreigende oorlog werd ook Rudy opgeroepen en op 12 december 1941 trad hij in dienst bij het 1ste Infanterie Bataljon te Bandung. Na de aanslag op Pearl Harbor vielen de Jappen ook het voormalig Nederlands-Indië in januari 1941 binnen. Op 8 maart 1942 was de capitulatie van Bandung en omgeving een feit en Rudy Uijleman Anthonijs werd krijgsgevangene te Cimahi, Java.
Op 25 april 1943 werden duizenden Nederlanders, inclusief mijn persoon en Britse krijgsgevangenen in vijf schepen van Java naar de Zuid-Molukken en Timor overgebracht voor de aanleg van Japanse vliegvelden bij Liang op Ambon, Palao op Haroekoe, Amahei op Ceram en Maamere op Timor.
Met inbegrip van Britse gevangenen waren er totaal 6300 krijgsgevangenen. Door uiterst onmenselijk optreden van de Jappen werd dit Molukken transport en dwangarbeid bij de vliegvelden een groot drama. November 1943 zijn er van de krijgsgevangenen nog maar 2874 in leven. In totaal zijn 3426 krijgsgevangenen omgekomen door ziekte, uitputting of executie. Na voltooiing van het vliegveld bij Amahei werd de Ceram-groep in oktober 1943 overgebracht naar Haroekoe en samengevoegd met de Palao-groep. Toen ook het vliegveld van Palao in november 1943 klaar was, volgde vanaf begin december een reeks geallieerde luchtaanvallen waarbij onder de krijgsgevangenen slachtoffers vielen. De gecombineerde Ceram- en Haroekoe-groepen werden van november 1943 tot juli 1944 in fasen naar Ambon overgebracht, waar ze bij het vliegveld Liang en in enkele andere kampen (Roemahtigah, Waiame en Laha) werden ondergebracht. Eind november 1943 vertrok het eerste transport terug naar Java, bestaande uit ruim 1.100 zieken uit alle drie de groepen, verdeeld over twee schepen. Eén van de twee schepen werd onderweg door een Amerikaanse onderzeeboot getorpedeerd, waardoor alle 539 opvarende krijgsgevangenen om het leven kwamen. Op het andere schip stierven onderweg meer dan 100 man, zodat het transport bij aankomst in Surabaya slechts ongeveer 500 overlevenden telde.
In augustus en september 1944 vertrokken nog drie groepen naar Java. Van deze transporten kwamen omstreeks 380 gevangenen om het leven, o.a. doordat opnieuw een van de schepen door een Amerikaanse vliegtuig tot zinken werd gebracht. Begin oktober 1944 ging de laatste groep, waarbij ik hoorde, van ongeveer 450 man op weg naar Java, maar na een reis vol hindernissen strandden we op Celebes.
In een geïmproviseerd kamp op het eiland Moena in Zuidoost-Celebes stierven maar liefst 174 krijgsgevangenen door de slechte behandeling, geallieerde luchtaanvallen, honger, ziekte en uitputting. Na ruim een jaar moeten werken aan de aanleg van een vliegveld, werden we op transport gezet naar gevangenkamp “Makassar” buiten Batavia.

Nauwelijks bekomen van de ellende aldaar, werd ik voor de zoveelste keer uitgezocht om op transport te worden gesteld en met mij vele anderen.
Ook in de kampen heerste corruptie! Het waren steeds dezelfde die weg moesten. De afstand naar de haven Tandjong Priok werd te voet afgelegd. Het weinige dat je bezat, een etenspan plus lepel, een gehavend uniform ( van een dode geërfd) vormde geen belemmering wat gewicht betreft. Dit was anders voor diegenen die voor het eerst opstap gingen en alles meesjouwden wat ze maar konden dragen. Een half uur later waren de meesten een groot deel van hun spullen kwijt; onderweg achter gelaten, te zwaar om nog verder mee te nemen. Achterom ziende kon ik in de verte groepjes Indonesiërs waarnemen, die al kibbelend, zich over de spullen ontfermden.

Junyo Maru

Ruim een uur later kwamen wij in de haven aan. Het schip waar wij op moesten had de naam Junyo Maru. Met veel gevloek en geschop werden wij de loopplanken opgejaagd en toen wij aan dek waren moesten wij de ruimen in. Daar beneden stonden houten stellages langs de wanden en aan weerszijden van het midden was een houten verhoging aangebracht van twee verdiepingen waar Indonesische jongens als sardientjes in blik waren ondergebracht. Wij, krijgsgevangenen, dienden maar zelf een plaats te zoeken op een van de stellages. Spoedig was het ruim overvol. Je had geen ligplaats, daarvoor waren wij met te veel mensen opeen gepakt. Het enige wat je kon doen was zitten en afwachten. Boven je hoofd het gebonkt van kisten en balen goederen die op het dek werden gestapeld, geschreeuw in het Japans en het geratel van lieren.

Volgepakte ruimen met Japanse krijgsgevangenen

De hitte in het ruim was drukkend en de lucht zweterig en muf. Het gekakel van de romusha’s en het gedempte gepraat van de gevangenen deed me denken aan een verstoor bijennest. Ik voelde me rusteloos en vroeg me af waarheen wij weer zouden worden vervoerd. Ik dacht aan de vrienden die achter waren gebleven. Schertsend had ik hen voorspeld dat ik naakt in mijn geboorteland zou arriveren. Het eiland Sumatra. Het is nog uitgekomen ook!
Enige tijd later begon het schip te trillen, het teken van vertrek (12 september 1944). Een paar uur later deinde de boot op volle zee. Ik weet niet meer hoe lang wij destijds voeren, voordat het schip werd getorpedeerd. Wel weet ik nog, dat het in de middag was en dat het schip noordwaarts koerste.
Plotseling een daverende klap ergens in het voorschip. Wij keken elkaar aan. Op het dek, waar de rest van de gevangenen was ondergebracht, riep iemand dat er een ontploffing in de machinekamer had voorgedaan. Ik geloofde er niet in en wrong me tussen de anderen door naar het open luik waar de ladder stond. Ik plaatste mijn voet op de onderste sport en wilde net naar boven klauteren toen er een dreunende klap volgde en een waterzuil omhoog spoot. Tien seconden later lag ik in zee. In die paar seconden zag ik gestalten door de lucht vliegen, mensen aan dek overboord slaan en de boot langzaam achterover hellen. “Getorpedeerd!” Die gedachte flitste door me heen. Zo snel mogelijk weg wezen om buiten de draaikolk van het zinkende schip te komen en niet naar de zeebodem meegezogen te worden.

Onerzeeboot HMS Tradewind

(Op 15 september 1944 werd de Junyo Maru door de Britse onderzeeër HMS Tradewind ontdekt. De gezagvoerder Maydon had door zijn periscoop de Japanse vlag gezien. Hij naderde tot 1750 meter afstand en vuurde om 15.53 uur vier torpedo’s af. Twee ervan troffen doel. De Junyo Maru zonk in 20 minuten op 30 zeemijlen van de Sumatraanse kust.)
Binnen 10 minuten was het gebeurd. Ik zag nog hoe vanaf het achterdek tientallen mensen omlaag stortten en met het schip in de golven verdwenen en daarna de grote massa vanaf het voordek. Overal om me heen dreven doden in het rond en vele gewonden. Ik zelf had ook een paar wonden op armen en benen; waarschijnlijk getroffen door rondvliegende splinters. Ik ontdekte Japanners die met zwemvesten om rondzwommen en op fluitjes bliezen. Op deze wijze konden ze met elkaar in contact blijven. Zij waren natuurlijk de eersten die door een korvet van de Japanse marine werden opgepikt en wat later een beperkt aantal gevangenen die dicht in de buurt rondzwommen aan boord genomen. De rest werd met bajonetten weggeslagen. Even later stoomde het korvet weg. Ik had al zwemmend de afstand tussen het zinkende schip en mij zelf vergroot, omdat ik niet de minste behoefte had door een Japanse boot te worden opgepikt. Mijn hoop was gevestigd op redding door een geallieerd schip (een kinderlijke gedachte). Om het moreel hoog te houden riepen we elkaar toe kalm te blijven en ons drijvende te houden door aan wrakstukken te gaan hangen.
Velen konden niet zwemmen, vooral onder de ouderen. Ik weet zelf niet meer hoeveel van hen ik aan planken en stukken balk heb geholpen, waaraan zij hangen konden. Ik had, met mijn 20 jaren, nog voldoende energie. Na de bevrijding kreeg ik van kennissen te horen, dat verscheidene gevangenen naar mij op zoek waren gegaan omdat ik hen van de verdrinkingsdood had gered. Toen ben ik ondergedoken.
Wel is mij bekend dat enkelen van hen naar Amerika zijn geëmigreerd.

De eerste avond en nacht werden half slapend, zwemmend en hangend aan balken of lijken, doorgebracht. De zee was gelukkig kalm. De volgende ochtend ontdekte ik op enige afstand een vlot of raft, een geval van 1 meter in het vierkant, waaraan lussen van touw waren bevestigd. Vijf personen zaten er op. Ik zwom er heen. Mijn schamele kleren waren door het zoute water in de afgelopen nacht afgeweekt. Het enige dat ik nog bezat was een stuk halsdoek dat om mijn nek hing. Ik klom op het en liet, zoals de anderen mijn benen in het water bengelen. Naast mij zat een man van ongeveer 45 jaar, een volbloed Nederlander, de vier anderen waren jonger. De jongste was een Indonesiër van een jaar of dertien: Soekarno’s werkkracht in Japanse dienst (romusha). De man van middelbare leeftijd wilde mij zijn trouwring geven om die t.z.t. aan zijn vrouw te overhandigen. Hij noemde mij zijn naam. Ik weigerde de ring aan te nemen, omdat wij er geen van beiden zeker van waren levend aan land te komen. In de verte kon ik een dunne lijn waarnemen: de Sumatraanse kust; veel te ver om er heen te zwemmen, vooral door de draaiende golfstroom die zich zeewaarts bewoog.
Een blik scheepsbeschuit dat met de stroom kwam aandrijven werd nagezwommen en op het vlot gebracht. Even later dook ik achter een slof sigaretten aan (waarvoor…?) Het gezelschap op het vlot was weinig spraakzaam. Een ieder was met zijn eigen gedachten bezig en ik hoopte nog steeds door een geallieerd schip te worden opgepikt.
Het was bloedheet op het water. De zon brandde je huid stuk en het zoute water beet in de opgedane verwondingen. Beurtelings lieten wij ons in het water zakken dat koel aanvoelde om zo wat verlichting te krijgen, anders droogde je volkomen uit. De dorst werd steeds erger. De zon stond hoog aan de hemel. Je hoofd deed pijn. Je voelde je slap. Nadrukkelijk waarschuwde ik mijn lotgenoten niet van het zeewater te drinken. Het zou de dorst maar verergeren. Ik zag geen lijken meer, die waren verdwenen. Op enige afstand dartelden scholen dolfijnen, een geruststellend gevoel, want waar zij zich ophouden zijn geen haaien te bekennen. Af en toe kreeg ik een prik tussen de dijen wanneer een naaldvis in volle vaart tegen mijn kruis opbotste. De gehele dag keken we uit naar schepen die zich echter niet lieten zien. In de loop van de middag begonnen de anderen zeewater te drinken, uitgezonderd de Indonesische jongen en ik. Ik foeterde hen uit want van mijn vader wist ik dat een mens er gek van kon worden. Ze waren te apathisch om naar mij te luisteren.
Tegen de avond begon de ellende. Overgeven, maagkrampen, opnieuw drinken en weer overgeven. Tenslotte begonnen twee raar te doen. De ene wilde op de motorfiets naar Batavia toe en stapte zo het water in. Ik sprong hem na en slaagde erin hem op het vlot te krijgen. Ondertussen was de andere met veel misbaar het water ingedoken. “Ik ga naar huis, ja naar huis!” Hij schreeuwde het uit.
Ik kon nog maar nauwelijks een meter of vijf voor mij uit zien. De golfstroom waarin hij was geraakt verwijderde hem hoe langer hoe verder van het vlot en de sufferd zwom met de stroom mee ook. Hier kon ik echt niets meer doen. Ik was trouwens te slap om nog wat te kunnen uitrichten.

Een tijdje later werd het stikdonker. De hemel zag er zwart uit en er was geen ster te bekennen. Er stak een stevige bries op. Een zware storm was in aantocht. De hemel zag er zwart uit en er was geen ster te bekennen. Er stak een stevige bries op. Een zware storm was in aantocht. Het vlot begon te deinen en we moesten ons aan de lussen vastklampen om niet van het vlot te geraken. ( de Golf van Benkoelen is er berucht om: in een paar uur tijd kan het mooie weer omslaan in een hevige storm).
Toen brak de hel in alle hevigheid los. Huizenhoge golven, bliksem en donderslagen losten elkaar in snel tempo af. De wind gierde langs ons heen en de temperatuur daalde flink. Om wat warm te worden liet ik mij in het water zakken en hield me stevig aan de touwen vast. Merkwaardig genoeg voelde het water lauw aan. Na een poosje kroop ik weer op het vlot. Plotseling begon het te regenen. Dikke druppels beukten in ons gezicht. “Mond open”, schreeuwde ik, “drinken!” Wij probeerden zoveel mogelijk regenwater naar binnen te krijgen. Met de enkels hield ik me aan de touwlussen vast en vouwde de handen als een trechter om de geopende mond. Op deze wijze kreeg ik wat regenwater naar binnen. Niet genoeg! Maar het was in ieder geval vocht.
Zo snel als de storm was opgestoken, zo snel verdween hij weer en de regen hield op. Wat bleef was nog een stevige wind en woeste golven. Van slapen was geen sprake, anders duvelde je in het water. Langzaam soesde ik weg en verbeeldde me dat ik te paard zat en over een uitgestrekt gebied galoppeerde. De wind die langs je lichaam suisde en het deinende vlot gaven je het gevoel dat je met een behoorlijke snelheid voortbewoog. Vandaar de illusie! In ieder geval hield mijn fantasie mij wakker.

Plotseling hoorde ik een plons achter me. Met mijn arm voelde ik om me heen; weer een lege plaats. Ik riep en schreeuwde, maar het enige dat ik hoorde was het geklotst van de zee en het gieren van de wind. Weer een makker weg. De hopeloosheid en de onmacht om iets te kunnen uitrichten, maakten dat ik stil begon te huilen. Na een poosje voelde ik mij wat beter.
De lucht klaarde op en aan de horizon begon het licht te worden. De ochtend brak aan en de zee was weer zo glad als een spiegel. Wij waren nog maar met zijn drieën: meneer X van de trouwring, de Indonesische jongen en ik. De anderen waren verdronken. Honger en dorst deden zich voelen. Aan elkaar konden we zien hoe wij er aan toe waren: blaren op gezicht en lichaam, gezwollen ogen en gebarsten lippen en het zoute zeewater hield de wonden op armen en benen open.
Op enige afstand passeerden scholen vissen ons vlot en zo nu en dan dreef een kwal vlak langs. Een zonnige dag en een rustige zee. ’s Middags begon de hitte ondragelijk te worden en na verloop van tijd werd ik door hallucinaties overrompeld. Ik nam dingen waar die er in feite niet waren. Er voer een kano op een paar meter afstand langs het vlot. Drie mannen met ontbloot bovenlijf en haren tot op de schouders peddelden dat het een lieve lust was. Ik riep hen aan, maar ze reageerden niet. Keken op noch om en roeiden voort. Vertwijfeld keek ik hen na. Mijn lotgenoten vonden mijn gedrag maar vreemd. Ze zeiden echter niets, ze keken mij alleen aan met hun bloeddoorlopen ogen.
Jaren later kan ik mij er nog steeds over verbazen dat een mens, onder bepaalde omstandigheden, dingen waarneemt die er in werkelijkheid niet zijn of wel soms…. In een ander dimensie?
In de verte ging de zon langzaam onder. Hij leek op een vuurbal die de hemel in brand stak. Ik voelde hoe alles vervaagde en raakte in een half bewusteloze toestand. Ik had geen dorst en geen honger meer. Langzaam werd het donker om me heen. In de verte, heel vaag, hoorde ik nog een plons in het water. Toen werd mijn aandacht getrokken door prachtige muziek. Het leek wel alsof ik tussen de klanken rondzweefde. Een blij en tevreden gevoel maakte zich van mij meester, ik genoot.

Opeens voelde ik een stoot en hoorde een stem die mij riep: “ He, bangoen!” (word wakker) Ik opende de ogen en merkte dat ik voorover lag. Ons vlot dreef zachtjes langs een scheepswand en ik hief mijn hoofd op. Voor mijn neus bengelde een dik touw en daarboven hoorde ik roepen: “Pak het touw beet!” Ik greep het vast en voelde hoe ik omhoog werd gehesen. Ik stapte over de reling, zei: “Dank je wel” en zakte door de knieën. Die jongeman die mij aan boord van de Japanse torpedojager had gehesen fluisterde mij toe: “ Niet gaan liggen en niet gaan slapen, want dan denken die smeerlappen dat je als werkkracht niets meer waard bent”. Mij ondersteunend sleepte hij me voort over het dek en liet me zitten met de rug geleund tegen een scheidingswand. Hij verliet me en kwam even later met een mok drinkwater en een rijstbal. “Langzaam met tussenpozen drinken” adviseerde hij. “ en probeer wat te eten”. Hij zette zich zich naast mij neer. Aan zijn haveloze korte broek hing een Rode Kruisband. Terwijl ik met lange pauzes een paar slokken water nam, bracht hij mij op de hoogte van de gebeurtenissen in de afgelopen dagen. Hij behoorde bij de eerste groep geredden kort na de torpedering. Samen met 10 anderen moest hij aan boord van de jager blijven om eventuele overlevenden op te pikken. Ik bofte, want het was de laatste dag dat er nog naar drenkelingen werd gezocht. Ik kreeg ook te horen dat de Jappen uit zee opgeviste schipbreukelingen weer overboord smeten als zij van uitputting bewusteloos raakten. Vandaar dat hij mij in het begin waarschuwde niet in slaap te vallen.
De boot had reeds uren geleden de steven gewend en stoomde met topsnelheid noordwaarts, bestemming Padang. Het begon langzaam donker te worden. De stem van mijn redder klonk gedempt alsof hij door een laag watten sprak. Mijn hersens waren nog te beneveld om alles in mij op te nemen. Ik proefde de rijstbal die in vet was gebakken, maar kon nog geen hap door mijn keel krijgen. Ik had meer dorst dan honger. Trouwens hevige slaap begon mij te overmannen, waaraan ik toegaf. Het was toch al donker geworden.
De Jappen konden mij toch niet meer zien zitten.

Diep in de nacht werd ik wakker door een razende dorst. Mijn tong voelde aan als leer en mijn gescheurde lippen waren kurkdroog. Ik merkte dat mijn redder niet meer naast mij zat, greep naar de drink mok om wat te drinken en ontdekte dat hij leeg was. Ik moest trachten aan water te komen, daarom ging ik, al kruipend op zoek naar een deur. Iets verderop bevond zich er een. Hij stond op een kier. Voorzichtig duwde ik hem open en keek in een verlichte kajuit. Tegen de wand was een smal bed geplaatst en daartegenover een tafel waarop, tot mijn vreugde, een karaf met drinkwater stond. Ik kroop er heen, pakte de karaf op en begon te drinken. Ik genoot van elke teug. Net toen ik aan de laatste slokken toe was, stapte een Japanse officier de kajuit binnen. Scheldend pakte hij de karaf af en schopte mij de kajuit uit. De kajuitdeur viel met een klap achter mij dicht. Het kon mij niet schelen, de dorst was in ieder geval gelest.

De volgende ochtend, 19 september 1944, meerde de torpedobootjager af in Emmahaven, een bekende en vertrouwde omgeving voor mij. Iedereen werd van boord gebracht. Dezelfde jongeman, een verpleger, droeg mij de loopplank af omdat ik nog steeds niet op mijn benen kon staan. In een loods moesten wij wachten op vervoer. Een vrachtwagen bracht ons uiteindelijk naar Padang waar wij werden ondergebracht in de plaatselijke gevangenis. Rudy Uijleman Anthonijs en een paar anderen werden direct naar het militair hospitaal in Padang gebracht om te herstellen van de Junyo Maru gevolgen.

NB: Aan boord van de Junyo Maru waren duizenden gevangenen, waar onder Nederlanders, Australiërs, Engelsen, Ambonezen en vele Javaanse romusha’s, die niet meer de overvolle ruimen konden ontvluchten en verdronken als ratten. Degenen die zich in wanhoop aan de twee Japanse reddingsboten vastklampten, werden met samoerai-zwaarden de vingers of handen afgehouwen. Door de escorterende schepen werden uiteindelijk 723 drenkelingen opgevist. Het totale dodental was 5620 onder wie 1370 Nederlanders.

Maar dit was nog niet het einde van het verhaal. De overlevenden werden onder erbarmelijke omstandigheden naar Pakan Baru gebracht. Ook Rudy Uijleman Anthonijs werd een maand later overgebracht naar het krijgsgevangenkamp Pakan Baroe waar aan de aanleg van de 220 km lange Pakan Baroe spoorweg, beter bekend als de dodenspoor, gewerkt moest worden. De dodenspoor, dwars door de groene hel van het Sumatraanse moerasoerwoud, heeft aan ongeveer 2500, meest Nederlanders maar ook Britse, Australische en Amerikaanse de dood gekost. Ook ongeveer 80.000 romusha’s vonden hierbij de dood.
Als oorzaak verdrinking, uitputting, mishandeling, ondervoeding en tropische ziekten zoals dysenterie.
De aanleg van de 220 km. lange Pakan Baroe-spoorweg, dwars door de groene hel van het Sumatraanse moerasoerwoud en bergen in de jaren 1943 en 1945, is lang een bijna vergeten oorlogsdrama geweest. Toch stierven er voor deze krakkemikkige spoorweg waarschijnlijk tachtigduizend door de Japanners geronselde Javanen (romusha), zo blijkt uit archiefonderzoek dat Henk Hovinga deed voor de vierde aanzienlijk uitgebreide druk van zijn boek ‘Eindstation Pakan Baroe’. Behalve deze 80.000 Indonesie¨rs vonden bijna twee-en-een-halfduizend, meest Nederlandse krijgsgevangenen een ellendige dood door verdrinking, uitputting, mishandeling, ondervoeding en tropische ziekten zoals dysenterie.

De Japanners verzwegen aan de dwangarbeiders dat Japan gecapituleerd had, zodat de dwangarbeiders door bleven werken aan de spoorweg.
Na de capitulatie en zijn bevrijding van de Pakan Baroe dodenspoor werd Rudy Uijleman Anthonijs bij het Knil Infanterie bewakingspeloton te Bangkinang ingelijfd. Eind oktober 1945 vond overplaatsing plaats naar Padang in afwachting op transport naar Batavia.
Januari 1946 werd Rudy ingedeeld bij de eerste depot te Djaga Monjet peloton onderdeel mitrailleur afdeling.
Vervolgens weer overgeplaatst naar Pau – Pel B. Divisie tot en met januari 1948. Hierna overgeplaatst bij de staf B. Divisie met bestemming opzending Nederland.
In 1946 en 1947 deelgenomen aan de acties Pasar Minggoe, Depok, Tangerang, Balaradja, en omgeving Tjiandjeer.
Vervolgens ook als militair deel genomen aan de Politionele acties: Pekalongan, Pemalang, en omgeving Tegal gedurende de periode 21 juli – 4 augustus 1947.
Op 27 maart 1948 per m.s. Sloterdijk naar Nederland vertrokken en op 22 april 1948 met groot verlof gezonden wegens beëindiging van de dienst – en reserveplicht t.a.v. KNIL, eervol ontslagen uit de militaire dienst bij het KNIL.

Nawoord: Mede dankzij Marijke van Horn – van Raalten, ook geboren te Sawahlunto en bijna 60 jaren vriendschap met Meity Ungerer, heeft Rudy Uijleman Anthonijs zich bereidt verklaard zijn verhaal van de Junyo Maru aan haar te vertellen.

Bersiap en de ervaringen van een tiener.

Jaar, tijd vergeten en ik wil niet een datum geven dat niet accuraat is. Werkte in de operatie kamer van St Borromeus aan de Dago weg, Bandung. OR (operatie kamer) schoon maken na een operatie, instrumenten en verband wassen en steriliseren. Dat deed ik voor de scholen weer begonnen. Het hoofd gebouw kijkt uit op een drie sprong, Dago weg en ik geloof Technische Hoge School Blvd. Schuin tegenover het hospitaal was een woning in die tijd door Japanse militairen (soldaten en officier) bezet. Op een dag zat ik op het muurtje die de voortuin van de weg scheidde. Hoorde een gegil en zag een bende Indonesiërs met goloks (hakmessen), bamboo runcings (bamboe speren met scherpe punten) de Dago op rennen richting St. Borromeus, ook hoorde ik heel duidelijk het “Merdeka, merdeka”. Japanse officier kwam naar buiten, keek naar de rennende massa en schreeuwde bevelen, soldaten met hun geweren midden op de Dago weg, eerste rij knielen, achter hun een andere rij soldaten, op bevelen van hun officier grendelen ze hun geweren en schoten pardoes in de rennende massa. Het schieten en laden werd een paar maal herhaald totdat de permoedas waren verdwenen. Naderhand hebben Gurkas en hun Engelse commandant het huis van de Japanners overgenomen, zij hebben toen een kleine bunker opgetrokken met a 50 kaliber machine geweer midden in de driesprong voor het hospitaal. De 50 kaliber werd verschillende keren getest en het rapport was luid. BTW, wij woonden in die tijd aan de Zorgvliet laan, op de hoek met Pahud de Montange.
Ben de namen van de zijstraten, die achter St. Borromeus liepen en op zij, vergeten. De Gurka’s hebben prikkeldraad barrière om het hospitaal aangelegd en een andere kleine bunker achter een bijgebouw dicht bij de kapel neergezet.
Zaterdag midden in de nacht werd er op de voordeur gebonkt, “Allemaal er uit naar St. Boromeus”. In de verte hoorden wij schoten, mijn moeder, jongste broer en ik renden het huis uit de straat op tezamen met andere bewoners en in het donker naar St. Borromeus. De schoten kwamen dichter en dichter. De Gurka’s sloten de laatste barricade en de hel brak los. Heb voor mijn moeder en broer een lege hospitaalkamer gevonden waar beiden in een bed sliepen en ik op de grond. Schoten waren te horen gedurende de nacht. Volgende dag, zondag, ging ik naar de kapel voor de mis. Gedurende de mis deden de permoedas een aanval op St. Borromeus, allerlei wapens kon men horen en de lucht rook naar cordiet. De permoedas kwamen dichter bij het hospitaal, je zag ze aan de overkant van de straat. Wonder boven wonder, drie militaire trucks kwamen aan, stopten en Japanse soldaten sprongen uit de voertuigen met geweren en automatische wapens en openden vuur op de permoedas. Binnen ongeveer 20 min. was het zooitje opgeruimd. De Japanners patroneerden door de straten en tuinen en af en toe hoorde je een schot of het geratel van een automatisch wapen. De Japanners hebben ons het leven gered! Dat was de tijd dat ik als vrijwilliger vermoorde mensen of delen van hun hielp begraven. De eerste keer dat ik en een paar anderen een huis binnen kwamen begon ik direct over te geven, muntah, heb gekokhalsd tot dat mijn maag pijn deed. Ik zal nooit vergeten wat ik die dag heb gezien, later barste ik zelf in tranen uit. Zelf nu brengt deze herinnering tranen in mijn ogen, de afslachting en het bloedbad waren ongelooflijk, de mensen waren niet alleen gedood, ze werden in stukken gesneden en afgeslacht en dat is waarom ik doodziek wordt wanneer ik lees over de toen begane wandaden van onze militairen en niets over de wandaden van de Indonesiërs. Waarom komen mensen niet naar voren en schrijven wat zij met eigen ogen hebben gezien?
Dan kwam de tijd dat Bandung verdeeld was in noord en zuid met als grens de spoorbaan, de bomen waren gesloten. In zuid Bandung zaten de Indonesiërs en het noorden de Engelsen en de Nederlanders. De Indonesiërs hebben later zuid Bandung verbrandt voordat wij het zuiden binnen mochten.
Gelukkig ging de Christelijke Lyceum (overbrugging) weer open, 1A, 2B or C, 3A, ik herinner mij dat wij in een klas zaten, die in een hoek was gelegen. In 1949 ben ik naar Nederland vertrokken en ingetrokken bij mijn tante en oom in Maastricht.
Het bovenste is geschreven met de wetenschap dat er hopelijk iemand is die dit verhaal kan bevestigen of bestrijden.
Ik wil liever niet over die tumultueuze periode schrijven. Het overkomt mij nog steeds als een wrede en schier onoverkoombare periode.

Henri E. Ṧibek

 

Deel 3 – Tjip Boenandir en Edward G. Welcker

Na de Oorlog

Edward Gilles Welcker, Electro-monteur, Hr. Ms. de Ruyter

Op 16 april 1944 kreeg ik 3 dagen verlof om te trouwen, andere faciliteiten werden niet verleend. Mijn vrouw mocht wel bij mij in de garage komen wonen. In 1945, toen ik uit de garage weg moest, verhuisden wij naar een kleine woon-annex slaapkamer in een dessa in de omgeving.

Op 17 augustus 1945 werden alle werklieden van de werkplaats ontslagen. Ik werd aangehouden om de inventarisatie op te maken van alle machines en materieel ten einde het over te geven aan de Sekoetoe-sekoetoe. De inventarisatie was nog niet beëindigd toen de hele inventaris door de Indonesische regering werd ingepalmd.
In 1945 sloot ik mij aan bij de B.K.R. (Badan Keamanan Rakjat = Security Agency). Inderdaad, ik kwam niet terug bij de Marine. Mijn lieve moeder hoorde het nieuws van de ondergang van Hr. Ms. De Ruyter een maand na het gebeuren. Het nieuws over de ondergang na een maand maakte mijn moeder half gek toen zij het vernam. Zij verkeerde onder hoge geestelijke druk en stress. Vandaar dat zij mijn huwelijk op 16 april 1944 doorzette al waren de condities kritisch. Haar bedoeling was dat ik als getrouwde man niet hoefde te varen, immers varen betekende voor haar oorlog. In 1945 heb ik dan ook besloten om bij mijn moeder en schoonouders aan de wal te blijven.

Uit mijn marine tijd ben ik nog in het bezit van alle toen vereiste documenten en boekjes, inclusief namen van de desbetreffende officieren.
In 1998 heb ik een verzoek ingediend aan de PUR/WUV om in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Dit heb ik ondersteund met bezwaarschriften, correspondentie en namen van diegenen die ik mij nog herinneren kon als getuigen, enz. Na het geding ter zitting van 5 april 2001, waar ik niet aanwezig kon zijn, kreeg ik de beslissing: De Centrale Raad van beroep rechtdoende “Verklaart het beroep ongegrond”. Dus dat betekent afgewezen …….ddo. 18 mei 2001.

Op 13 maart 2002 plaatste ik een advertentie in het maandblad “Aanspraak” in Nederland: “Ik zoek overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter die op 27-2-1942 door een Japanse torpedo werd getroffen en even daarna zonk”. Graag reacties aan ex-stoker Olieman Boenandir ….enz. Adres enz.
Hierop kreeg ik veel reacties: Nummer i. Asia Maior, Uitgeverij Asia Maior, Postbus 150, 4300 AD Zierikzee, Nederland. Mevr, W. Leijnse heeft mij de namenlijst gestuurd van de bemanning van Hr. Ms. De Ruyter per 26 februari 1942. In die namenlijst staan zij die omgekomen waren en die gered werden.
Toen kwam de reactie van de heer Johan van Leer, 230 Baystreet #6, Santa Monica, CA 90105-1031.
Ook een reactie van de heer M.G.J. van Zeeland, Fransche Brug 22a, 2371 BE Roelofsarendsveen, Nederland

Bijzonder goed en behulpzaam was de volgende reactie:
Verklaring voor degene die het aangaat: Hierbij verklaar ik dat de heer Boenandir door mij is herkend als een van de overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter.
Wij hebben elkaar ontmoet bij de Japanse landing op 1 maart 1942 in Kragan (noord kust Midden Java)
Verder in krijgsgevangenschap tot onze splitsing (Jaarmarkt)
De heer Boenandir heeft zich getoond als een waardige persoon en een betrouwbare Koninklijke Marineman.

Hoogachtend,
Edward G. Welcker, 16614 E Kingside Drive, Covina, Ca 91722

Alle stukken en bundels heb ik naar PUR/WUV verzonden. Ik weet niet hoe het proces van de behandeling van de stukken is verlopen, maar een arts uit Nederland gaf mij een volledig lichamelijk onderzoek en controleerde mijn lichamelijke klachten.

Uiteindelijk begin juni 2003 Gode zij dank en nog maal God zij dank kwam de erkenning en de beslissing gezamenlijk met de uitkering. Hierop heb ik bijna vijf jaar gewacht. Nu ben ik trots en voel me zeer gelukkig en uit het diepst van mijn hart dank ik u nog maal, heren, die mij geholpen hebben.

Ik wens u allen veel geluk en succes.

w.g. Boenandir

Deel 2 – Tjip Boenandir als gevangene van de Japanners

Op 3 maart 1942 werden wij in Kragan in de buurt van Rempang (Midden Java) aan land gezet. Hier wilden de Jappen hun landing uitvoeren.

Wij werden verzameld op het erf van de wedana en bivakkeerden daar als krijgsgevangenen onder permanente Japanse bewaking. Het erf was groot en beplant met asembomen met een heg van “pohon Luntas”. Bewegingsvrijheid was er niet en de hele maand sliepen wij open en bloot onder de asembomen op de grond zonder tikar (slaapmat). Er was geen sanitaire of medische hulp. Wonden werden met kranten verbonden om de vliegen op afstand te houden. Op het erf werden wc’s uitgegraven en bij een diepte van 60 cm kwam het water al boven vanwege onze ligging dicht bij zee.

Bijna ieder morgen moesten wij 4 tot 5 km lopen om de plek op het strand te bereiken waar wij de Japanse schepen moesten lossen. Kisten, vaten en andere collies moesten wij van de landingsvaartuigen naar het strand dragen.
Tweemaal per dag kregen wij eten: halfgare rijst met een beetje suiker. Bestek kregen wij niet, dus gebruikten wij oud papier van schriften, enz. als bord en aten met de hand. Wij werden daarbij nog gedwongen om snel te eten om te voorkomen dat vliegen met de rijst meegingen!
In deze periode overleden drie lotgenoten die op het erf van de wedana werden begraven.

Wij waren in Kragan met ongeveer 80 gevangenen. Op zekere dag moesten enkelen van ons onder gewapende begeleiding ongeveer 1 ½ kilometer een kampong in om uit een put drinkwater te halen.
De hele maand kregen wij geen kleren behalve een gonjezak van een vierkante meter. Tijdens onze corvee vouwden wij deze gonjezak op en plaatsten het op onze schouder en nek ter bescherming bij het dragen van de zware kisten als wij corvee op het strand hadden.
De hele maand in Kragan zonder mandiën, tandenborstel, warme thee of koffie. Alleen het ongekookte water.

Terug naar Surabaya.
Op goede vrijdag, 3 april 1942, kreeg iedereen een set KNIL uniform compleet met bamboehoed. Er stonden 14 vrachtwagens gereed en wij moesten afscheid nemen van kamp Kragan om in konvooi naar Surabaya te vertrekken. In Tjepoe werd een uurtje halt gehouden voor het middagmaal. Het bleek het zelfde rantsoen te zijn dat wij ook in Kragan kregen: half gare rijst met wat suiker. Bij gebrek aan borden gebruikten wij ook hier beschreven bladzijden uit schriften als bord en aten met onze handen. Uit een houten vat dronken wij ons koude putwater.

In Surabaya werden we naar het interneringskamp Jaarmarkt getransporteerd. Het COVIM, een Europese vrouwenclub, hoorde dat overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java waren aangekomen. Van de Japanners kreeg deze club toestemming ons te ontvangen. Ongeveer 19:30 uur kwamen wij het kamp binnen en werden achter de grote poort verzameld. De COVIM dames kwamen en gaven ons o.a. kleren, odol tandpasta, tandenborstel, een zinken bord, lepel en zeep. Speciaal voor de drenkelingen van Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java een kopkussen (bantal). Wij sliepen niet meer op de harde grond zoals in Kragan, maar op bamboo balé-balés (bed van bamboe).
Kamp Jaarmarkt was een groot kamp met ongeveer duizend geïnterneerden, merendeel Knil’ers. In de eerste weken was de voeding redelijk, maar daarna kregen wij dagelijks een beetje pap. De zieken werden door een Japanse dokter behandeld. Zelf kreeg ik toen malaria en kreeg daar pillen voor.

(Hier heeft mijn broer mij gevonden en van buiten het kamp naar mij gewuifd. Hij mocht het kamp niet in. Dit heeft hij mijn moeder in Malang verteld die heel erg van slag was toen ze hoorde van het zinken van Hr. Ms. De Ruyter).

Tot 1943 bleef ik in het kamp en ik moest een formulier ondertekenen dat ik voor de Japanners moest werken. Vanwege mijn dienst vak van Stoker Olieman zou ik een baan krijgen als machinist.
Dit bleek later niet waar te zijn, want met 10 andere niet Europese gevangenen, die ook niet van de Koninklijke Marine waren, werd ik ’s avonds naar een kazerne van het Knil op Gunungsari gebracht waar wij in een lege goedang (opberg ruimte) konden slapen. (De andere gevangen waren inheemse gevangen die o.a. bij de stadswacht hoorden). Deze kazerne werd nu door de Jappen gebruikt. De volgende ochtend kregen we orders om de hele kazerne schoon te maken en te houden. Zo werden wij verplichte schoonmaakarbeiders. Alle orders werden in gebaren taal gegeven, immers wij verstonden geen Japans.
Naast de Japanse kazerne stond een andere Knil kazerne dat gebruikt werd als interneringskamp voor Europeanen. Met een Japanse chauffeur moest ik dikwijls met de vrachtauto naar de pasar. Wij moesten dan de kerandjangs (manden) met sajoeran (groenten) in de truck dragen en bij de kazerne weer uit de truck halen en naar de dapoer (keuken) dragen.
Beetje bij beetje begon ik Japans te leren om mishandeling te ontlopen. Goddank, is dat mij nooit overkomen.

De Japanse soldaten werden overgeplaatst en ik kreeg werk in de werkplaats DAI 10360 Butai “Don Bosco” in Surabaya. Don Bosco is een katholieke school en het hoofdgebouw en het hoofdgebouw werd als hoofdkantoor. Op het grote erf werd een semipermanente werkplaats opgetrokken waar ik wapens moest repareren. Hier werd ik in de gelegenheid om na vast werken (Maritiem: het beëindigen van de dagtaak) een cursus Japans te volgen. Ook kreeg ik permissie om in een garage van een van de in beslag genomen huizen rond Don Bosco te slapen.

(De parochie Don Bosco staat in de woonwijk Sawahan. Hier heeft zijn moeder Boenandir twee of driemaal opgezocht. Toen hij zijn moeder vertelde dat hij na de oorlog weer wilde varen was haar antwoord: “Dat is goed, maar je moet eerst gaan trouwen”. Rap ging zij op weg om voor zoon een bruid te zoeken die zij ook vond! Haar bedoeling was dat haar zoon, als hij eenmaal getrouwd was, niet meer naar zee ging)

Deel 1 – De slag in de Java zee

Tjip Boenandir, Stoker-Olieman op Hr. Ms. De Ruyter

Dit jaar 2017 herdenken wij dat wij 72 jaar geleden bevrijd werden van de Japanse onderdrukkers.
De oorlog in de Indische archipel begon met de slag in de Java zee op 27 februari 1942, dat is 75 jaar geleden. Goddank, waren er ook bemanningsleden van onze vloot die deze rampzalige zeeslag hebben overleefd. Een van hen, Edward G Welcker, nu woonachtig in Orange Country, Californië is in de leeftijd van 98 jaar. Een ander overlevende woonde in Malang, Oost Java, is intussen ook in Malang in de leeftijd van 90 jaar in december 2010 overleden. Een paar jaar geleden heeft hij zijn ervaringen met de hulp van Benno Apon op papier gezet en een kopie aan Ed Welcker gegeven. Zijn relaas, aangepast aan de dag van vandaag, volgt hier beneden:

Mijn naam is Tjip Boenandir. Ik ben geboren aan de voet van de Gunung Kelud, de vulkaan in de buurt van Blitar. Op mijn geboortedag in 1919 was er ook een uitbarsting van deze vuurspuwende berg. Aangezien er in die tijd geen geboorteaktes werden uitgegeven werd mijn geboortedatum gesteld op 20 juni 1920. Ik heb de HIS, Hollands Inlandse School, doorlopen en kwam op de Ambachtsschool in Malang op de Europese afdeling van de Metaalbewerking. Nadat ik deze opleiding heb voltooid waren er overal plakkaten: “Saja orang Marine, ikutlah saja”. (“Ik ben een Marineman, ga met mij mee”.)
Zodoende ben ik bij de Koninklijke Marine terecht gekomen.

In 1937 kreeg ik aan boord van het Marine opleidingsschip “Soerabaja” te Surabaya mijn opleiding tot Stoker. Hierna werd ik als Stoker Tweede Klas met Stamboeknummer 2589 geplaatst aan boord van Hr. Ms. “de Ruyter” als lid van het machinekamerpersoneel. Hier heb ik flink aangepakt en werd bevorderd tot Stoker Eerste Klas. Daarna volgde mijn bevordering tot Stoker Olieman.

Toen de tweede wereldoorlog uitbrak zat ik ook op Hr. Ms. De Ruyter. We voeren uit naar de Java zee en tijdens de confrontatie met de Japanse vloot heb ik alle manoeuvres en wendingen van ons schip doorstaan. Ik heb mijn post onder het pantserdek niet verlaten.

Op 27 februari 1942, even na 23:30 uur werd het achterschip door een torpedo getroffen. Dit ging gepaard met veel lawaai en een harde knal. De stoomdruk daalde tot nul en onder het pantserdek werd het pikdonker. Ik bevond mij in de voorste machinekamer en met al mijn energie probeerde ik bovendeks te komen. Na veel botsingen en omwegen vanwege geblokkeerde waterdichte schotten kwam ik aan dek. Aan stuurboord begon de munitiebergplaats te ontploffen, lichtkogels schoten als vuurpijlen de lucht in. Met moeite wist men aan bakboord een werksloep te strijken. De capaciteit van 20 personen werd bijna driemaal overschreden. Belicht door de ontploffende seinkogels kwam ik ook in de sloep. Een officier, mijnheer H. Bennink, Ltz 1st klas, gaf commando om alles van gewicht over board te gooien en de sloep zo licht mogelijk te maken.

Het achterschip van Hr. Ms. De Ruyter was toen al gezonken, het voorschip was nog boven water zichtbaar. Met onze handen roeiden wij zover mogelijk van het schip te komen. In de verte konden wij het geschreeuw van de bemanningsleden horen die op het schip achter zijn gebleven. Na ongeveer twee uren konden wij nog zien hoe onze Hr. Ms. De Ruyter in de schemering van de nieuwe dag ten onder ging.

Later op die dag kwam een Amerikaanse onderzeeboot boven water om twee Amerikaanse seiners van de sloep te halen. De onderzeeër ging vlug onder, immers er vlogen nog Japanse vliegtuigen rond.
Van hen hoorden wij onze locatie: ongeveer 60 mijl ten noorden van Semarang.

Twee etmalen dreven wij roerloos in de lekkende sloep, zonder eten en weinig water uit het sloepreservoir. De zon scheen onbarmhartig fel.
We werden door een Japanse torpedobootjager opgevist en als gevangen behandeld. De sloep werd door de Jappen vernietigd.

 

Geschiedenis en overleving van Edward G. Welcker.

De ondergang van Hr. Ms. De Ruyter in de slag van de Java Zee.

Voorwoord: zondag, 19 februari 2017 j.l. had ik de eer Ed Welcker te mogen ontmoeten. Heb een paar dagen er voor telefonisch contact gehad met zijn zoon Ernest, die mij ook uitnodigde om langs te komen. Daar had ik het genoegen zijn dochter Yvonne te ontmoeten, die mij vooral aan veel informatie heeft geholpen en een gesprek aan te gaan met haar vader, die in de leeftijd van 98 jaar is.

Het verhaal hier beneden heb ik zoveel mogelijk in takt gehouden.
Ronny Geenen, Glendora, CA (20-2-2017)

Edward Gilles Welcker, geb. 15-10-1918

Ed Welcker werd op 15 oktober 1918 in Magelang, nu Indonesië, geboren.
Zijn vader, Praktijk Ingenieur (Pring), werkte als opzichter bij het Nederlands Indisch Spoor (NIS).
Van 1924 tot 1932 bezocht Ed de Rooms Katholieke Lagere School in Yogjakarta. In die tijd had de lagere school nog zeven klassen. Hierna volgde een opleiding van vijf jaar aan de Koningin Wilhelmina school (KWS) in Batavia (nu Jakarta) op de afdeling Bouw en Waterbouwkunde.
In 1937 vervolgde hij zijn opleiding voor 1 ½ jaar op het IVEVO (Instituut voor elektrotechniek vakopleiding). Net als zijn vader kon hij toen in dienst treden bij het NIS. Dit werd in 1939 opgevolgd door een oproep van de Koninklijke Marine om zijn militaire dienstplicht te vervullen.
Zijn eerste militaire opleiding kreeg hij in de Marine kazerne op Gubeng, waar hij na een maand matroos werd. Bij de Technische Opleidingen Koninklijke Marine in Ujung gelegen kreeg hij zijn vakopleiding tot elektromonteur dat, vanwege zijn vooropleiding, slechts een half jaar in beslag nam. Hierna werd hij als elektromonteur Zee milicien op Hr. Ms. De Ruyter geplaatst.

Kruiser de Ruyter

Het jaar 1942 was een roerige tijd en de oorlogsdreiging werd goed gevoeld. Oefeningen met het eskader in de Java zee, rond Bali, enz. Op 27 februari 1942 ging Ed, na baksgewijs (appel) naar zijn post, de voor elektrische centrale. Zijn taak: de elektriciteit verdelen naar de verschillende delen van het schip.
Het zelfde werd gedaan door zijn collega in de achter elektrische centrale. De verdeling werd centraal geregeld. Rond 16:00 uur werd Ed afgelost door Adjudant Electromonteur Langendoen.
Hij kreeg toen opdracht om naar Vuurtoren I te gaan om te assisteren bij het laden van de 15 cm granaten. Hier zag hij Indonesische matrozen, gehurkt, alsof zij bevangen waren door vrees, totaal overstuur, bevend en stijf. Zij konden het laden van de granaten niet meer aan.
Hoogstwaarschijnlijk zijn zij oververmoeid of door angst overvallen.. Ed en anderen moesten hen vervangen tot ongeveer 18:30 uur, het begon toen al donker te worden. Vervolgens kreeg Ed opdracht naar het stuurboord zoeklicht te gaan. Deze werkpost lag hoger, onder de commandotoren (zie foto de Ruyter) zodat Ed een goed overzicht had over de stuurboordzijde van het schip. De vloot was bezig met een scherpe stuurboordmanoeuvre uit te voeren en Ed kon goed zien hoe Hr. Ms. Java in vlammen opging en in enkele minuten zonk.
Ed zag ook de torpedobellenbaan die onder een hoek van 45 graden op zijn schip afkwam. Hr. Ms. De Ruyter werd midscheeps getroffen en verloren meteen snelheid. Kennelijk was de tandwielkamer beschadigd die de schroeven moesten aandrijven. De vlammen sloegen over het dek en niet lang daarna stond het afweergeschutplatform in vuur en vlam. Granaten ontploften als vuurwerk.

Kruiser de Ruyter

Ed ging toen naar de hijskraan om te helpen de sloepen te strijken. Er was echter geen elektriciteit en de afwezigheid hiervan melde hij direct aan de Bootsman. De sloepen werden toen met de hand gestreken. Iedereen kreeg toen van commandant KLTZ E.E.B. Lacomblé de opdracht om het schip te verlaten. De commandant dankte iedereen en nam afscheid van hen, staande op de brug. Er was geen paniek onder de bemanning, iedereen wist zijn taak te volbrengen.
Ed Haalde toen zijn zwemvest op de speciaal daarvoor aangegeven plaats, sprong overboord bij de boeg aan bakboord en zwom naar het vlot waarop hij was ingedeeld. De zee was zo woelig dat het vlot kapseisde en Ed besloot met hulp van zijn zwemvest zich maar drijvende te houden. Zo heeft Ed de hele dag in de brandende zon in zee gedreven totdat hij rond 17:00 uur dooe een Japanse torpedobootjager werd opgevist.

Aan boord werd goed behandeld. Zijn door de zon gebrande huid werd met zalf behandeld en hij kreeg zacht voedsel te eten. De volgende dag rond 19:00 uur moest hij zich bij de Japanse commandant melden die hem ondervroeg. Hierbij zag hij Ed’s Mido polshorloge dat Ed kort tevoren in Surabaya gekocht had. De Japanse commandant vroeg Ed of hij het horloge van hem mocht kopen. Ed dacht even na————–ze hebben hem een goede behandeling gegeven aan boord————Zijn antwoord:” Neen, u kunt hem niet kopen, maar ik geef het u als een gift, u mag het hebben” en hij overhandigde zijn horloge aan de Japanse commandant.

De volgende dag werd Ed overgebracht naar een andere torpedojager waar hij de andere opgeviste Marinemensen uit de sloep ontmoette. Voordat hij op de andere torpedojager stapte kreeg hij een plunjezak aangereikt en een briefje die hij aan de Japanner kon laten zien. Op die andere torpedojager wilde men weten wat de plunjezak bevatte. Ed toonde de jap het briefje en de nip stapte beleefd weg. Wat er op het briefje stond heeft Ed nooit geweten. De plunjezak bevatte kleren, sigaretten (ofschoon Ed niet rookte) en Japans beschuit.

Tijdens dit transport ontmoette Ed ook Adjudant Electromonteur Langendoen die hem zijn verwonding liet zien: zijn buik was opengereten. Zo goed en zo kwaad als het ging verpleegde Ed zijn superieur daarbij gebruikmakend van de nieuwe kleren uit de plunjezak. Zo belandden ze dan allemaal in de tuin van de wedana in Kragan bij Rembang. Zij konden bivakkeren in de tuin, slapen op de grond zonder de deken of hoofdkussen. Er was ook geen wasgelegenheid. Hier werd de Adjudant Langendoen in de garage gehuisvest, dat als ziekenboeg in gebruik werd genomen. Er waren geen bedden, geen ligmatjes zodat de patiënten in het begin op de cementen vloer vol olie en vet gelegd moesten worden.
Als Ed geen corvee deed dan verpleegde hij Adjudant Langendoen zo goed mogelijk. Dit corvee bestond uit het ontladen van de landingsvaartuigen op de landingsplaats Kalipang, ongeveer een kwartier lopen van het huis van de wedana. Drie dagen later, tijdens een corveedienst van Ed , is de Adjudant Elektromonteur Langedoen overleden.

Een medegevangene van kamp Kragan, de dienstplichtige matroos-monteur K.L. Topée verklaarde na de oorlog voor de hoorcommissie: “In het begin van onze kamptijd hebben wij zeer veel te danken gehad aan de milicien-matroos-monteur Welcker, die met veel risico voor eigen leven, het kamp herhaalde malen heimelijk verliet, om voor ons voedsel bij elkaar te krijgen”.
Tijdens deze “voedseltochten” kreeg Ed hulp van de lokale bevolking: Ze gaven Ed wat zijzelf hadden.
De bevolking stond sympathiek tegenover de gevangenen. Ed kreeg zelf een fiets om te vluchten. Hij heeft het niet gedaan uit vrees voor represailles tegen zijn ouders.
Ook de wedana was pro-rood/wit/blauw en wilde de Nederlandse driekleur niet strijken. Hiervoor werd hij, zijn vrouw en dochter in hun kippenhok door de Nip opgesloten. Later werden ze door zijn bevolking bevrijd. Het is deze vlag van de wedana die door Sergeant Machinist Soeratman later demonstratief werd verscheurd.

Populaire corveediensten waren:

  1. Water halen want men had dan contact met de buitenwereld en men kon zich bij de put ook wassen
  2. Hout hakken voor de Japanse keuken, waar de mannen af en toe de etensresten van de bewakers kreeg.

Ook melde Topée dat de Indonesiërs onder de krijgsgevangenen opvarenden van Hr. Ms. De Ruyter zich in Kragan bijna allemaal openlijk distantieerden van de Nederlanders. Eerder al waren ze weinig coöperatief geweest toen men probeerde roeiend de kust van Java te bereiken. In het kamp heeft de Inlandse Sergeant Machinist Soeratman duidelijk zijn anti-Nederlandse stemming laten blijken, door de Nederlandse vlag te verscheuren, waarbij de rest van de Inlandse bemanning lachend stond toe te kijken. Twee Inheemse schepelingen deden er niet aan mee: de Inlandse ziekenverpleger Mandalika en de Inlandse Stoker-Olieman Boenandir.
Later werden alle krijgsgevangen van kamp “huis van de wedana” te Kragan per konvooi overgeplaatst naar kamp Jaarmarkt te Surabaya.

Op Hr. Ms. De Ruyter waren ook Amerikaanse seiners gedetacheerd. Zij moesten het contact met de Amerikaanse, Australische en Engelse schepen onderhouden. Een van hen, D.S. Rafalovich, trok altijd met Ed op, ook toen ze van kamp Kragan overgeplaatst werden naar kamp Jaarmarkt in Surabaya.
Uiteindelijk werden zij eind 1943 toch gescheiden: de Amerikanen gingen naar Japan en Ed werd naar Thailand overgeplaatst, waar hij aan de Burmaspoorweg moest werken. Ook deze ellendige periode met de vaak sadistische Jappen heeft Ed Welcker overleefd.

Na de capitulatie van Japan ging Ed in augustus 1945 met een groep van zeven Marine mensen met de KPM terug naar Batavia (Jakarta). Hij werd gestationeerd in Semarang en gedetacheerd aan de haven waar hij patrouillediensten moest onderhouden.

Op 27 februari 1947 trouwde Ed in Semarang met Gusta, Cornelia Frieser en na de bruiloft ging het bruidspaar op huwelijksreis naar Bandung. Een bevriende piloot gaf hen de gelegenheid mee te vliegen.
In die tijd was het bijna onmogelijk om over de weg van Semarang naar Bandung te reizen.
Het bruidspaar was een dag in Bandung toen de MP Ed al kwam ophalen om hem terug te brengen naar Surabaya. Hij moest zich weer melden aan boord van Hr. Ms. Abraham Crijnsen. Men had een Elektromonteur nodig. Ed werd ook bevorderd tot Korporaal Elektromonteur Zee Milicien. Bij zijn weten is hij de enige Marine dienstplichtige die deze rang heeft.

Op 5maart 1948 ging Ed met groot verlof van de Koninklijke Marine waar hij in totaal 12 jaar in heeft gezeten en begon zijn burger carrière bij de Biliton Maatschappij. Ed was toen inmiddels dertig jaar oud.

Het volgende ligt Ed na aan het hart en daarom moet het ook van zijn hart:

  1. In 1997 las Ed in het blad “De Indo” dat uitkomt in Californië dat de Koninklijke Marine in Rotterdam een reünie organiseerde voor de overlevenden van de slag in de Java zee. Persoonlijk heeft hij nooit een uitnodiging ontvangen. Naar aanleiding van wat hij in De Indo heeft gelezen, heeft hij zichzelf aangemeld als een van de overlevenden. Samen met zijn dochter Yvonne is hij er heen gegaan.
  2. Hij ontmoette daar Niek Koppen, de maker van de filmdocumentaire over de slag in de Java zee, die Ed ontweek. Deze documentaire met verhalen van overlevenden door hunzelf verteld is op de Nederlandse TV geweest. Ed is nooit benaderd zijn belevenissen te vertellen. Wel ging het verhaal de ronde dat Ed geen interesse heeft getoond in een interview voor de film.
  3. Als tafelgenoot had hij dhr. Van Zeeland, die tegen Ed zei: “Jullie zijn zo verspreid, het is moeilijk u te vinden”. In die tijd was Ed nog Nederlands Staatsburger en stond als zodanig ingeschreven bij het Consulaat van het Koninkrijk der Nederlanden in Los Angeles. Ed’s Antwoord: “De inspecteur van de belastingen in Nederland heeft mij wel gevonden!” Hierna heeft Ed nooit meer iets van de Koninklijke Marine gehoord. Waarom heeft dhr. Van Zeeland Ed’s relaas voor de Marine verzwegen?
  4. Twee verzoeken om ontslag uit de krijgsdienst voor carrière-opbouw in de burgermaatschappij zijn tot op heden nooit beantwoord. Uiteindelijk, op verzoek van de Biliton Maatschappij, kon Ed de dienst verlaten.
  5. Op de dag dat Ed de dienst ging verlaten werd hem verzocht nog een paar dagen te blijven. Hij bleef maar de reden waarom werd hem pas later duidelijk. Hij werd drie dagen onder quarantaine gesteld. Ed werd door een Marineofficier ondervraagd en beloofde niets over zijn belevenissen te vertellen zoals de positie van de schepen. Is het daarom dat de heren Koppen en van Zeeland hem negeerden?
  6. Verzoek voor WUV voor hem en zijn vrouw zijn negatief beantwoord. Zij hebben beiden nooit een uitkering gekregen.
  7. Ed was als kroongetuige voor Boenandir, die erkend werd als een van de overlevenden van de Slag van de Java zee en nu ook een uitkering van de WUV ontvangt.

 Nawoord: In de knusse huiskamer van Ed en Corrie Welcker in West-Covina heb ik, Benno Apon, dit interview mogen afnemen. Al die jaren hebben bovenstaande 7 punten zwaar op Ed’s borst gedrukt.
Het was voor hem een opluchting dat hij zich bij mij en dus ook bij u, lezer(s) kon luchten.
Zoals hij het zelf zegt: zijn leven is veranderd en persoonlijk ben ik blij dat “De Indo” Ed’s gemoedstand in positieve zin heeft gekeerd.

Benno Apon
Whittier, CA

I was a soldier, or I was a Veteran

Nabestaanden KNIL-militairen naar rechter om backpay

  1. Met uw permissie; een (voor Nederland) aangepaste versie van het
    Amerikaanse “I was a soldier, or I was a veteran”. “I was a soldier,
    or I am a veteran,we put it simple in those four plain words.
    We
    speak them softly, just to ourselves, as others may have forgotten.
    They
    are a pledge, that stems from a document which said
    “I SOLEMNLY SWEAR, to protect and defend, and from a flag called
    “The Red-White-and Blue”. Listen and you can hear voices echoing
    “Follow me”, “Medic”, “Oh God”. If you can’t hear them, you weren’t,
    if you can you WERE. You can hear those echoes, visit a Veterans
    Administration hospital, hear the sound of Taps, and we are
    remembering family and buddies who were at Pasir Poetih, Madoera,
    Djambi, Krawang, Batoedjadar, Dockdja, and many other places,
    long forgotten by others and friends, NOT by us, who remember
    those four simple words, you could carve them in stone”
    Opdat wij hen, die decennia geleden, de belofte
    “To protect and defend” uitvoerden.

    By Robert Beckman Lapre

Het zwarte schaap heette de Turk

Raymond Westerling slaagde er met zijn drastische aanpak in om de terreur te breken, het verzet de kop in te drukken en de steun van de bevolking af te dwingen. De orde keerde op Zuid-Celebes terug. Volgens de historicus Willem IJzereef vielen in de drie maanden durende actie zo’n 5000 slachtoffers. Een groot deel hiervan werd echter niet door de Speciale Troepen gedood, maar door het KNIL, de kampongpolitie en strijdgroepen, die met de Nederlanders samenwerkten. Door het Indonesische verzet werden in dezelfde periode ruim 1500 mensen om het leven gebracht. De Nederlandse legerleiding zag de zuiveringsactie aanvankelijk als een groot succes.

De “40.000” van Zuid-Celebes

De gebeurtenissen op Zuid-Celebes gaf de Indonesiërs echter een sterk wapen in handen. Door Soekarno werd het optreden van Westerling met succes aangegrepen om het elan van zijn eigen troepen op te voeren en om sympathie in het buitenland voor de Indonesische Onafhankelijkheidstrijd te verkrijgen. Westerling werd er van beschuldigd tienduizenden onschuldige burgers om het leven te hebben gebracht. In de algemene vergadering van de Verenigde Naties noemde de Indonesische afgevaardigde zelfs een aantal van 40.000 doden. De “40.000” van Zuid-Celebes blijken een uitstekend propagandamiddel te zijn geweest, die tot de dag van vandaag doorwerkt. Generaal Simon Spoor achtte Raymond Westerling vanwege nieuwe excessen op West-Java en de aanhoudende negatieve publiciteit rond zijn persoon niet langer geschikt voor zijn taak als commandant. Op 16 november 1948 droeg Westerling het gezag over en kwam er een einde aan zijn militaire carrière.

Westerling heeft zijn optreden op Zuid-Celebes altijd hardnekkig verdedigd. Dat hij, als hij het nodig vond, meedogenloos te werk ging, heeft hij nooit tegengesproken. In interviews ontkende hij echter zich schuldig te hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden. “Het invoeren van het standrecht op Zuid-Celebes was het gevolg van een zuiver menselijke redenering, alhoewel het voor veel mensen een beestachtige daad was. Maar ga je dieper op de redenering in waarom ik gedwongen was dat te doen – ik heb mezelf opzij gezet, ik heb de krijgsraad geriskeerd en de publieke opinie – dan is het de enige manier om met een minimum aan bloedvergieten de rust en orde te herstellen op Celebes. Dat is van belang, omdat overal waar botsingen zijn er maar één werkelijk slachtoffer is: het volk.”

Onverwachte bijval kreeg Raymond Westerling uit Indonesische hoek. Volgens de Indonesische ex-kolonel en militair historicus Prof. Mr. Natzir Said kan Westerling niet zondermeer als een oorlogsmisdadiger worden bestempeld. “Iedere militair weet: onder een Staat van Oorlog worden mensen ter plaatse doodgeschoten. Dat is normaal. Standrechtelijke executies werden niet alleen door Westerling uitgevoerd, maar ook aan onze zijde. Heel wat spionnen van de Nederlanders zijn door ons doodgeschoten na een onderzoek ter plaatse. We omsingelden dan zo’n desa en als die mensen zeiden: ‘Hij is een mata-mate, spion van het KNIL….naar de boom!’” Waren de standrechtelijke executies volgens Natzir moord? “Dat houdt een oordeel in”, zegt hij, “dat er iets crimineels van maakt, waar de rechter zich mee moet bemoeien. Maar dit was oorlog. Het is vaak moeilijk te begrijpen voor civiele mensen. Volgens de Conventie van Geneve mogen krijgsgevangenen niet zonder onderzoek worden doodgeschoten. Westerling hield zich daaraan, voor zover het ging om gevangenen die verklaarden tot de officiële Republikeinse strijdmachten te behoren. Maar in andere gevallen….geen pardon. Als je de daden van Westerling misdadig vindt, dan moet je ook naar zijn commandanten kijken”.

Door Fredrik Willems (deel biografie)

`Beeld van Molukkers hier is ‘n stereotype’

Molukkers in Nederland
Een artikel van NRC

Vijftig jaar geleden kwam de familie Kukupessy naar Nederland. Langzaam vervlakt de lotsverbondenheid. Maar: `De Molukker is trots, trots op zijn afkomst

Johny Kukupessy koestert een foto van zijn eerste minuten op Nederlandse bodem. Gewikkeld in witte doeken ligt hij in de armen van zijn vader, een trotse Molukse marineman in uniform. Anderhalf jaar oud was Johny destijds. Vijftig jaar later heeft hij een goede baan in de automatisering en woont hij met zijn gezin in Blaricum. Hij is naar zijn zeggen ,,volledig geïntegreerd” in de Nederlandse samenleving.

Toch noemen zijn dochters Esther (24) en Lyoba (21) zichzelf `Molukker in Nederland’. Aanvankelijk waren ze zich niet bewust van hun roots, totdat zij van anderen te horen kregen dat hun familie `als bootvluchtelingen’ in Nederland is terechtgekomen. Nu zijn ze bij alle Molukse manifestaties en bijeenkomsten te vinden en verdiepen ze zich in de geschiedenis van de Molukkers.

Weinig Nederlanders kennen dit verhaal. Esther en Lyoba merken dat vrijwel dagelijks. Het beeld dat heerst over Molukkers is gebaseerd op stereotypen, zeggen zij. ,,`Molukkers kunnen goed voetballen en muziek maken’, krijgen we altijd te horen, maar ze zijn ook `dom, brutaal, vechtjassen’.” Ook over het land van herkomst weten hun leeftijdgenoten niets. ,,Ze maken geen onderscheid tussen de Molukken en Indonesië, en dat land kennen ze alleen van de rijstvelden en de kruidnagelen.”

Sinds woensdag is een nieuwe typering aan dit rijtje toegevoegd. De integratie van de derde generatie Molukkers in de Nederlandse samenleving blijft steken, blijkt uit een onderzoek van de Rotterdamse hoogleraar J. Veenman. Taalproblemen zouden daaraan ten grondslag liggen.

Hoewel Esther en Lyoba zich absoluut niet herkennen in dat beeld – ze hebben een Nederlandse moeder en zijn in tegenstelling tot Johny niet tweetalig opgevoed – is het voor hen geen nieuws. ,,Toen ik op de middelbare school kwam, kreeg ik taallessen aangeboden”, zegt Esther. ,,De leraren gingen er automatisch van uit dat mijn grammatica tekortschoot. Daarop heb ik een taaltest afgedwongen, om het tegendeel te bewijzen.”

Lyoba heeft het nog sterker meegemaakt: zij kreeg na tien minuten op de mavo te horen dat ze naar `niet-Nederlandse hulp’ diende te gaan. ,,Ik was gigantisch boos en heb een hele heisa getrapt”, herinnert ze zich. Gedeeltelijke excuses van haar mentor kwamen pas een half jaar later. Het heeft Lyoba geïnspireerd tot het opzetten van een actie voor een school zonder racisme.

Esther kreeg na de lagere school een mavo-advies, maar ze besloot het op de havo te proberen. Inmiddels is ze, na een paar jaar logopedie gestudeerd te hebben, derdejaars op de pabo. ,,Wij leren daar om buitenlandse kinderen niet te veel te pushen. Die hebben het al moeilijk zat en het helpt bovendien nauwelijks.” Een foute aanpak volgens haar, en anders dan ze thuis gewend was. De Kukupessys hebben hun dochters namelijk altijd gestimuleerd om door te leren. Zelf had Johny graag de hbs willen volgen, maar dat bleek eind jaren ’60 niet haalbaar. ,,Een goede opleiding is ook een kwestie van geld”, zegt hij nu. Want aan motivatie om verder te komen in de maatschappij, ontbrak het hem niet. Via de mulo, avondstudies en een kandidaats rechten werkte hij zich geleidelijk op.

,,Wij moeten altijd extra ons best doen als Molukkers. Dat heb ik van huis uit meegekregen.” Kukupessy verwijst in dit verband ook naar zijn vader, die tot de kleine groep Molukkers behoort die dienden bij de marine. ,,Daar kwam je niet zomaar bij, dat was alleen weggelegd voor de beste Molukkers.” In tegenstelling tot de duizenden KNIL’ers die bij aankomst in Nederland uit militaire dienst ontslag kregen aangezegd, werden de ongeveer honderd Molukse marinemannen opgenomen bij de Koninklijke Marine. Dat betekende echter niet dat hun vernederingen bespaard bleven. ,,Toen mijn vader in 1956 met pensioen ging, werd hem het staatsburgerschap ontnomen. Het hele gezin werd daamee stateloos.”

Kukupessy vertelt het verhaal met een vuur alsof het gisteren is gebeurd. Zijn verontwaardiging is kenmerkend voor de manier waarop veel Molukkers spreken over hun ervaringen in Nederland. Het beeld dat de Molukse gemeenschap hierdoor is samengesmeed tot een hechte eenheid, is echter ook een stereotype. Het maakt nogal wat uit of je in Huizen of in Capelle aan den IJssel woont, of je KNIL’er bent of van de marine, of je half Nederlands bent of niet. Bovendien profileren Molukkers zich onderling tegenwoordig meer dan voorheen op afkomst en geloofsovertuiging. Kukupessy: ,,De onderlinge solidariteit is aan het verdwijnen. Als je tien jaar geleden een Molukker op straat tegenkwam, groette je elkaar. Er heerste nog een gevoel van lotsverbondenheid. Nu is dat vervlakt en verwaterd.”

Kukupessy maakt zich zorgen over de splitsing die hierdoor ontstaat. Ook zet hij vraagtekens bij de wijze waarop de Molukse cultuur in Nederland levend wordt gehouden. ,, Ze hebben het vandaag over cultuur, maar alles wat ik zie, is een eettentje en een standje met sarongs en speldjes. Dat noem ik folklore.” De cultuur levend houden, dat houdt volgens hem veel meer in: het respect voor ouderen moet doorgegeven worden, evenals de kennis over de adat, de traditie. ,,Wel moet het misschien gemoderniseerd worden. Op de Molukken zeggen ze dat we vijftig jaar hebben stilgestaan.”

Zijn er wellicht ook stereotypen die correct zijn? De Molukker als gevoelsmens, misschien? Kukupessy senior: ,,Een gevoelsmens, jazeker. En gezagsgetrouw, hoewel dat voor de jongeren anders ligt.” Na een korte discussie met Lyoba over de inhoud van het begrip gezagsgetrouw, komt Johny Kukupessy tot een andere typering: ,,De Molukker is trots, trots op zijn afkomst en hoeft zich voor niemand te schamen. Daar sta ik nog altijd achter.”

Westerling en Noord Sumatra – Deel 7

De algemene situatie rond Medan, Sumatra

Door de afgekondigde Indonesische onafhankelijkheid op Java ontstond er in 1945 in noord Sumatra 7 actieve politieke groepen die ook hun eigen gevechtseenheden hadden, waarmee zij ten strijde trokken. Deze politieke groepen van Atjeeërs, Batakkers, Javanen, etc. waren onderling ook in een hevige machtsstrijd strijd verwikkeld en slachtten elkaar op een gruwelijke manier af.  Daar moest Westerling met zijn mannen zich dan vaak tussen in mengen voor de orde en handhaving en het beschermen van de mensen. Vooral de Chinezen vanwege hun succes in de handel, moesten het vaak ontgelden.

De politieke partijen met hun strijdende groepen waren:
Partai Nasional Indonesia (PNI) met de eenheden Napindo, Naga Terbang, Harimau Liar en HalilintarPartai Socialis Indonesia (Pesindo) met de eenheid Ksatria Pesindo (Barisan Bintang Merah)
Partai Komoenis Indonesia (PKI) met de eenheid Barisan (Lasjkar) Merah, Hizboellah, Sabilillah en Moedjahidin
Partai Krister Indonesia (Parkindo) met de eenheden Barisan Pemoeda Parkindo, Divisie Parah (Pijl- divisie)
Partai Socialis met de eenheid Pemoeda Partai Socialis
Jkatan Peladjar Indonesia met de eenheid Tentera Peladjar Indonesia (TERPI)
Poetera Negara NEHRU (Br. Indiërs) met de eenheid Tentera Poetera Negara NEHRU. Versterkt met gedeserteerde Japanse-Engelse en Brits Indische troepen.

Bij de brug Titi Papan over de rivier de Deli vonden regelmatig schermutselingen plaats. Deze brug was de verbinding tussen het opstandige westelijke gedeelte en vormde met oostelijke deel de demarcatie lijn. Daarnaast liep parallel de weg tussen Medan en Belawan. Deze verbindingsweg werd de dodenweg genoemd. Dit vanwege de constante aanvallen op konvooien. De weg werd opengehouden door verkenningen van pantserwagens met vliegtuigsteun.

Luitenant Westerling had de opdracht een geheime politiemacht onder de naam Status Blue op te bouwen. Die politiemacht rekruteerde hij uit oud KNIL militairen, die voornamelijk afkomstig waren uit het Korps Marechaussee. Verder vond rekrutering uit de volgende groepen plaats.
Tijdens de oorlog 1942-1945 kwamen vele inheemse KNIL militairen op straat te staan en waren werkeloos. Zij hielden zich bezig met allerhande karweitjes, zoals tuinieren. Deze inheemse soldaten hadden hun gezinnen en hun kinderen (anak kolong di tangsi) waren na de oorlog ook volwassen geworden.
Dan waren er nog de Strappans van de KNIL. Dit zijn langdurig inheemse gestraften, die toen hun straf als drager/koelie uitdienden. Het waren meestal mannen uit de buiten gewesten.

Op een avond melde zich plotseling een van zijn ondergrondse agenten, een Atjeher, bij Westerling in hotel de Boer. Djalil boog zich naar voren en fluisterde: “De Pasukan*-Hayrullah van de Gagak Hitam is in de kampong Petisahdua”
De Gagak Hitam (Zwarte Raven) waren een van de beruchtste terroristenbenden van Medan en omgeving. Hun kern bestond uit ex-sukarelas uit de Japanse militaire school en het uitschot uit de Bataks-Atjeh omgeving. Het waren geen nationalisten maar moorden en verkrachten hun medemens als dieren. Hun leider was Guru Jahja en een van de leiders van zijn strijdkrachten was Hayrullah, de beestmens en getraind door de Jappen. En nu meldde een man met de naam Djalil: : “De Pasukan*-Hayrullah van de Gagak Hitam is in de kampong Petisahdua”
Het ondergrondse politiekorps werd via persoonlijke boodschappen op de hoogte gebracht wat van hun de volgende nacht werd verwacht. Vroeg in de ochtend klonken plotseling het geluid van granaten en Tommyguns.  Toen was het weer stil. De gevangen vrouwen die als seksslaven werden misbruikt werden bevrijd. De Gagag Hitam en Hayrullah bestonden niet meer.

Begin Julie 1946 werd Luitenant Raymond Westerling door de Engelsen van zijn functie ontheven en op 17 juli stapt hij in het vliegtuig om zich in Batavia te melden. Ook het ondergrondse politiekorps werd door de Engelsen ontbonden.
Intussen werd op 15 april 1946 het KNIL Medan Bataljon weer opgericht door het weer oproepen in militaire dienst van de dienstplichtigen. Stadswachter, Landstormers, en het daar aanwezige gewezen inheemse KNIL militairen, vrijwilligers van diverse landaarden, bijvoorbeeld Arabieren, Klingelezen en Chinezen. Tevens werd voor de Chinese wijken een vrijwilligerskorps opgericht de “PO AN THUI” uit pure chinezen en bewapend en getraind door het KNIL.
Op 18 juli 1946 werd de naam Medan Bataljon verandert in VI Bataljon Infanterie (INF.VI). Hierbij werden vele mannen, oud Marechaussees, die onder Westerling hadden gediend, de kern.
Onder het volk stonden ze bekend als Maresosee. Deze mannen hadden o.a. ook geholpen bij het vernietigen van de beruchte bende Gagag Hitam onder leiding van Hayrullah, een prestatie van de bovenste plank.

Gagak Hitam wapen KNIL VI Bataljon Infanterie

Het Gagag Hitam wapenembleem van VI Bataljon Infanterie werd als erenaam met trots door dit korps gedragen.
Waarbij met geplaatste eergevoel de Romeinse cijfer VI in ROOD het beroemd/berucht kraagembleem “de drie bloedvingers ”van het roemruchtig Korps Marechaussee in wordt gezien.

PS: Via een lezer het volgende bericht ontvangen.
“Hier in Amerika is er een groep ex-Westerling soldaten die bij een begravenis van een Westerling wapenbroeder de erewacht houdt in de uniform van toen. Ze kregen veel bekijks bij de Amerikanen toen met de begravenis van zijn oom in Colorado Springs.”

 

‘Troostmeisjes waren noodzakelijk tijdens WOII’

Historiek.net meldt:

Onder meer in China en Zuid-Korea is commotie ontstaan over een uitspraak van Toru Hashimoto, de burgemeester van de Japanse stad Osaka. Volgens deze burgemeester waren prostituees tijdens de Tweede Wereldoorlog noodzakelijk. Zonder de prostituees zouden de Japanse militairen de discipline niet hebben kunnen bewaren.

De uitspraak ligt uiterst gevoelig omdat de Japanners tijdens de oorlog duizenden vrouwen dwongen tot prostitutie.

Het aantal vrouwen dat zich moest prostitueren wordt geschat op zo’n tweehonderdduizend. In voormalige Nederlands-Indië zouden ongeveer twintigduizend vrouwen gedwongen zijn tot prostitutie.

Troostmeisjes

De vrouwen en meisjes die door de Japanse overheid beschikbaar werden gesteld aan aan militairen die het keizerrijk dienden, werden ook wel troostmeisjes genoemd. De militairen waren ver van huis en moesten daarom ‘getroost’ worden. De vrouwen die voor deze ‘troost’ moesten zorgen werden in de meeste gevallen gedwongen zich te prostitueren en systematisch verkracht. De Japanse bezetter zag gecontroleerde seks in militaire bordelen als een pragmatische maatregel om geslachtsziekten en grootschalige verkrachtingen te voorkomen.

De burgemeester van Osaka heeft nu gezegd dat de prostituees noodzakelijk waren. “Voor militairen die hun leven waagden was een troostmeisjessysteem noodzakelijk om hen tot rust te laten komen”, aldus de burgemeester. “Dat is voor iedereen duidelijk”.

Chinese en Zuid-Koreaanse overheidsvertegenwoordigers hebben hun teleurstelling over de uitspraken inmiddels geuit. Volgens Zuid-Korea blijkt uit de opmerkingen dat de burgemeester een slecht historisch besef heeft en geen respect heeft voor vrouwenrechten.

‘Geen bewijs’

De uitlating van de burgemeester van Osaka staat niet helemaal op zichzelf. In Japan zijn veel nationalistische politici niet blij met de excuses die het land in 1993 voor de seksslavernij aanbood. Volgens hen is er geen bewijs dat de vrouwen gedwongen werden tot seks met Japanse soldaten en zou er ook geen sprake zijn geweest van stelselmatig misbruik.