Archives for February 2017

KNIL soldaat Rudy Uijleman Anthonijs

Het echte gebeuren:
http://myindoworld.com/de-overleving-van-knil-soldaat-rudy-uijleman-anthonijs/

Familie Uijleman Anthonijs met in het midden staande Rudy en rechts Meity Ungerer

Proloog:
Nog niet zo lang geleden vertelde ik Meity Ungerer en haar echtgenoot Daniel Ungerer over het liefde werk van luitenant kolonel b.d. Jacq. Z. Brijl, die alsnog een verdiende onderscheiding kan regelen voor hun overleden familielid, zijnde vader, oom en/of broer. Mijn nicht Meity Ungerer, haar moeder is een zus van mijn vader Eddie Geenen, vertelde mij toen het relaas van een van haar broers, Rudy Uijleman Anthonijs. Zij bleken alle benodigde informatie en een interview op papier in hun bezit te hebben. Rudy was een van de slachtoffers, waar nooit aandacht was besteed. Hij heeft o.a. de grootste scheepsramp, Japanse Junyo Maru, overleefd. Voordien ook de Molukken transporten.
Dezelfde dag heb ik een email met alle benodigde gegevens aan de heer Jacq. Brijl verzonden en binnen de kortste tijd kreeg ik een positief antwoord. En dit in een periode dat de heer Jacq brijl met enorme pijn, niet kon lopen en zelf medische hulp nodig had. Een paar weken geleden kreeg ik een telefoon van de Ungerer’s dat ze via de aangetekende post uit Nederland van het ministerie van Defensie een grote enveloppe hadden ontvangen, t.w. het Mobilisatie- Oorlogskruis, het Ereteken voor “Orde & Vrede” en het Demob. Insigne KNIL.

Rudy Uijleman Anthonijs:
Hij werd geboren op 21 oktober 1923 te Sawah Lunto, Sumatra geboren.
Hij werd op 12 december 1941 opgeroepen voor militaire dienst en ingedeeld bij het 1ste Infanterie Bataljon te Bandung, Java.
Hij werd op 8 maart 1942 krijgsgevangen op Cimahi, Java.
Hij werd op 25 april 1943 via Surabaya ingescheept naar Timor waar hij onder erbarmelijke omstandigheden en wrede Jappen slavenwerk moest verrichten bij de aanleg van vliegvelden.
Hij werd ruim een jaar later op transport gezet naar gevangenkamp Makassar buiten Batavia.
Hij werd uitverkoren om te voet en onder Japanse bewaking naar Tandjong Priok te gaan.
Hij werd op 12 september 1944 ingescheept en in een ruim gestopt van hellschip Junyo Maru voor transport naar de westkust van Sumatra.
Hij geraakte op 15 september 1944 in de baai van Benkoelen te water. Dit nadat de Junyo Maru door 2 torpedo’s van de onderzeeboot Tradewind was getroffen en zonk.
Hij werd na 3 dagen in zee te hebben rondgezwommen en hangend aan balken en lijken op 18 september 1944 opgepikt door een Japanse torpedojager.
Hij werd op 19 september 1944 in Emmahaven, Sumatra, van boord gehaald en per vrachtwagen vervoerd naar het militair hospitaal in Padang.
Hij werd een maand later naar Pakan Baru getransporteerd en aan het werk gezet bij de bouw van de beruchte 220 km lange dodenspoor dwars door moerasoerwoud en bergen.
Hij werd na de Japanse capitulatie bij het KNIL Infanterie Bewakingspeloton te Bangkinang ingelijfd.
Hij werd eind oktober 1945 overgeplaatst naar Padang.
Hij werd in januari 1946 op transport naar Batavia gezet en ingedeeld bij de 1ste depot te Djaga Monjet peloton onderdeel mitrailleur afdeling.
Hij werd overgeplaatst naar de Pau – Pel, B Divisie.
Hij werd overgeplaatst naar de Staf B. Divisie met toestemming opzending naar Nederland.
Hij heeft in 1946 en 1947 als militair deelgenomen aan de acties Pasar Minggoe, Depok, Tangerang, Balaradja, en omgeving Tjiandeer.
Hij heeft ook deelgenomen aan de politionele acties te Pekalongan, Pemalang, en omgeving Tegal gedurende periode 21 juli tot 4 augustus 1947.
Hij werd op 27 maart 1948 per m.s. Sloterdijk op transport naar Nederland gezet.
Hij werd in Nederland eervol ontslagen en op 22 april 1948 met groot verlof gezonden.

De overleving van KNIL soldaat Rudy Uijleman Anthonijs

Rudy Uijleman Anthonijs

Rudy Uijleman Anthonijs werd op 21 oktober 1923 te Sawah Lunto op West Sumatra geboren.
Door de dreigende oorlog werd ook Rudy opgeroepen en op 12 december 1941 trad hij in dienst bij het 1ste Infanterie Bataljon te Bandung. Na de aanslag op Pearl Harbor vielen de Jappen ook het voormalig Nederlands-Indië in januari 1941 binnen. Op 8 maart 1942 was de capitulatie van Bandung en omgeving een feit en Rudy Uijleman Anthonijs werd krijgsgevangene te Cimahi, Java.
Op 25 april 1943 werden duizenden Nederlanders, inclusief mijn persoon en Britse krijgsgevangenen in vijf schepen van Java naar de Zuid-Molukken en Timor overgebracht voor de aanleg van Japanse vliegvelden bij Liang op Ambon, Palao op Haroekoe, Amahei op Ceram en Maamere op Timor.
Met inbegrip van Britse gevangenen waren er totaal 6300 krijgsgevangenen. Door uiterst onmenselijk optreden van de Jappen werd dit Molukken transport en dwangarbeid bij de vliegvelden een groot drama. November 1943 zijn er van de krijgsgevangenen nog maar 2874 in leven. In totaal zijn 3426 krijgsgevangenen omgekomen door ziekte, uitputting of executie. Na voltooiing van het vliegveld bij Amahei werd de Ceram-groep in oktober 1943 overgebracht naar Haroekoe en samengevoegd met de Palao-groep. Toen ook het vliegveld van Palao in november 1943 klaar was, volgde vanaf begin december een reeks geallieerde luchtaanvallen waarbij onder de krijgsgevangenen slachtoffers vielen. De gecombineerde Ceram- en Haroekoe-groepen werden van november 1943 tot juli 1944 in fasen naar Ambon overgebracht, waar ze bij het vliegveld Liang en in enkele andere kampen (Roemahtigah, Waiame en Laha) werden ondergebracht. Eind november 1943 vertrok het eerste transport terug naar Java, bestaande uit ruim 1.100 zieken uit alle drie de groepen, verdeeld over twee schepen. Eén van de twee schepen werd onderweg door een Amerikaanse onderzeeboot getorpedeerd, waardoor alle 539 opvarende krijgsgevangenen om het leven kwamen. Op het andere schip stierven onderweg meer dan 100 man, zodat het transport bij aankomst in Surabaya slechts ongeveer 500 overlevenden telde.
In augustus en september 1944 vertrokken nog drie groepen naar Java. Van deze transporten kwamen omstreeks 380 gevangenen om het leven, o.a. doordat opnieuw een van de schepen door een Amerikaanse vliegtuig tot zinken werd gebracht. Begin oktober 1944 ging de laatste groep, waarbij ik hoorde, van ongeveer 450 man op weg naar Java, maar na een reis vol hindernissen strandden we op Celebes.
In een geïmproviseerd kamp op het eiland Moena in Zuidoost-Celebes stierven maar liefst 174 krijgsgevangenen door de slechte behandeling, geallieerde luchtaanvallen, honger, ziekte en uitputting. Na ruim een jaar moeten werken aan de aanleg van een vliegveld, werden we op transport gezet naar gevangenkamp “Makassar” buiten Batavia.

Nauwelijks bekomen van de ellende aldaar, werd ik voor de zoveelste keer uitgezocht om op transport te worden gesteld en met mij vele anderen.
Ook in de kampen heerste corruptie! Het waren steeds dezelfde die weg moesten. De afstand naar de haven Tandjong Priok werd te voet afgelegd. Het weinige dat je bezat, een etenspan plus lepel, een gehavend uniform ( van een dode geërfd) vormde geen belemmering wat gewicht betreft. Dit was anders voor diegenen die voor het eerst opstap gingen en alles meesjouwden wat ze maar konden dragen. Een half uur later waren de meesten een groot deel van hun spullen kwijt; onderweg achter gelaten, te zwaar om nog verder mee te nemen. Achterom ziende kon ik in de verte groepjes Indonesiërs waarnemen, die al kibbelend, zich over de spullen ontfermden.

Junyo Maru

Ruim een uur later kwamen wij in de haven aan. Het schip waar wij op moesten had de naam Junyo Maru. Met veel gevloek en geschop werden wij de loopplanken opgejaagd en toen wij aan dek waren moesten wij de ruimen in. Daar beneden stonden houten stellages langs de wanden en aan weerszijden van het midden was een houten verhoging aangebracht van twee verdiepingen waar Indonesische jongens als sardientjes in blik waren ondergebracht. Wij, krijgsgevangenen, dienden maar zelf een plaats te zoeken op een van de stellages. Spoedig was het ruim overvol. Je had geen ligplaats, daarvoor waren wij met te veel mensen opeen gepakt. Het enige wat je kon doen was zitten en afwachten. Boven je hoofd het gebonkt van kisten en balen goederen die op het dek werden gestapeld, geschreeuw in het Japans en het geratel van lieren.

Volgepakte ruimen met Japanse krijgsgevangenen

De hitte in het ruim was drukkend en de lucht zweterig en muf. Het gekakel van de romusha’s en het gedempte gepraat van de gevangenen deed me denken aan een verstoor bijennest. Ik voelde me rusteloos en vroeg me af waarheen wij weer zouden worden vervoerd. Ik dacht aan de vrienden die achter waren gebleven. Schertsend had ik hen voorspeld dat ik naakt in mijn geboorteland zou arriveren. Het eiland Sumatra. Het is nog uitgekomen ook!
Enige tijd later begon het schip te trillen, het teken van vertrek (12 september 1944). Een paar uur later deinde de boot op volle zee. Ik weet niet meer hoe lang wij destijds voeren, voordat het schip werd getorpedeerd. Wel weet ik nog, dat het in de middag was en dat het schip noordwaarts koerste.
Plotseling een daverende klap ergens in het voorschip. Wij keken elkaar aan. Op het dek, waar de rest van de gevangenen was ondergebracht, riep iemand dat er een ontploffing in de machinekamer had voorgedaan. Ik geloofde er niet in en wrong me tussen de anderen door naar het open luik waar de ladder stond. Ik plaatste mijn voet op de onderste sport en wilde net naar boven klauteren toen er een dreunende klap volgde en een waterzuil omhoog spoot. Tien seconden later lag ik in zee. In die paar seconden zag ik gestalten door de lucht vliegen, mensen aan dek overboord slaan en de boot langzaam achterover hellen. “Getorpedeerd!” Die gedachte flitste door me heen. Zo snel mogelijk weg wezen om buiten de draaikolk van het zinkende schip te komen en niet naar de zeebodem meegezogen te worden.

Onerzeeboot HMS Tradewind

(Op 15 september 1944 werd de Junyo Maru door de Britse onderzeeër HMS Tradewind ontdekt. De gezagvoerder Maydon had door zijn periscoop de Japanse vlag gezien. Hij naderde tot 1750 meter afstand en vuurde om 15.53 uur vier torpedo’s af. Twee ervan troffen doel. De Junyo Maru zonk in 20 minuten op 30 zeemijlen van de Sumatraanse kust.)
Binnen 10 minuten was het gebeurd. Ik zag nog hoe vanaf het achterdek tientallen mensen omlaag stortten en met het schip in de golven verdwenen en daarna de grote massa vanaf het voordek. Overal om me heen dreven doden in het rond en vele gewonden. Ik zelf had ook een paar wonden op armen en benen; waarschijnlijk getroffen door rondvliegende splinters. Ik ontdekte Japanners die met zwemvesten om rondzwommen en op fluitjes bliezen. Op deze wijze konden ze met elkaar in contact blijven. Zij waren natuurlijk de eersten die door een korvet van de Japanse marine werden opgepikt en wat later een beperkt aantal gevangenen die dicht in de buurt rondzwommen aan boord genomen. De rest werd met bajonetten weggeslagen. Even later stoomde het korvet weg. Ik had al zwemmend de afstand tussen het zinkende schip en mij zelf vergroot, omdat ik niet de minste behoefte had door een Japanse boot te worden opgepikt. Mijn hoop was gevestigd op redding door een geallieerd schip (een kinderlijke gedachte). Om het moreel hoog te houden riepen we elkaar toe kalm te blijven en ons drijvende te houden door aan wrakstukken te gaan hangen.
Velen konden niet zwemmen, vooral onder de ouderen. Ik weet zelf niet meer hoeveel van hen ik aan planken en stukken balk heb geholpen, waaraan zij hangen konden. Ik had, met mijn 20 jaren, nog voldoende energie. Na de bevrijding kreeg ik van kennissen te horen, dat verscheidene gevangenen naar mij op zoek waren gegaan omdat ik hen van de verdrinkingsdood had gered. Toen ben ik ondergedoken.
Wel is mij bekend dat enkelen van hen naar Amerika zijn geëmigreerd.

De eerste avond en nacht werden half slapend, zwemmend en hangend aan balken of lijken, doorgebracht. De zee was gelukkig kalm. De volgende ochtend ontdekte ik op enige afstand een vlot of raft, een geval van 1 meter in het vierkant, waaraan lussen van touw waren bevestigd. Vijf personen zaten er op. Ik zwom er heen. Mijn schamele kleren waren door het zoute water in de afgelopen nacht afgeweekt. Het enige dat ik nog bezat was een stuk halsdoek dat om mijn nek hing. Ik klom op het en liet, zoals de anderen mijn benen in het water bengelen. Naast mij zat een man van ongeveer 45 jaar, een volbloed Nederlander, de vier anderen waren jonger. De jongste was een Indonesiër van een jaar of dertien: Soekarno’s werkkracht in Japanse dienst (romusha). De man van middelbare leeftijd wilde mij zijn trouwring geven om die t.z.t. aan zijn vrouw te overhandigen. Hij noemde mij zijn naam. Ik weigerde de ring aan te nemen, omdat wij er geen van beiden zeker van waren levend aan land te komen. In de verte kon ik een dunne lijn waarnemen: de Sumatraanse kust; veel te ver om er heen te zwemmen, vooral door de draaiende golfstroom die zich zeewaarts bewoog.
Een blik scheepsbeschuit dat met de stroom kwam aandrijven werd nagezwommen en op het vlot gebracht. Even later dook ik achter een slof sigaretten aan (waarvoor…?) Het gezelschap op het vlot was weinig spraakzaam. Een ieder was met zijn eigen gedachten bezig en ik hoopte nog steeds door een geallieerd schip te worden opgepikt.
Het was bloedheet op het water. De zon brandde je huid stuk en het zoute water beet in de opgedane verwondingen. Beurtelings lieten wij ons in het water zakken dat koel aanvoelde om zo wat verlichting te krijgen, anders droogde je volkomen uit. De dorst werd steeds erger. De zon stond hoog aan de hemel. Je hoofd deed pijn. Je voelde je slap. Nadrukkelijk waarschuwde ik mijn lotgenoten niet van het zeewater te drinken. Het zou de dorst maar verergeren. Ik zag geen lijken meer, die waren verdwenen. Op enige afstand dartelden scholen dolfijnen, een geruststellend gevoel, want waar zij zich ophouden zijn geen haaien te bekennen. Af en toe kreeg ik een prik tussen de dijen wanneer een naaldvis in volle vaart tegen mijn kruis opbotste. De gehele dag keken we uit naar schepen die zich echter niet lieten zien. In de loop van de middag begonnen de anderen zeewater te drinken, uitgezonderd de Indonesische jongen en ik. Ik foeterde hen uit want van mijn vader wist ik dat een mens er gek van kon worden. Ze waren te apathisch om naar mij te luisteren.
Tegen de avond begon de ellende. Overgeven, maagkrampen, opnieuw drinken en weer overgeven. Tenslotte begonnen twee raar te doen. De ene wilde op de motorfiets naar Batavia toe en stapte zo het water in. Ik sprong hem na en slaagde erin hem op het vlot te krijgen. Ondertussen was de andere met veel misbaar het water ingedoken. “Ik ga naar huis, ja naar huis!” Hij schreeuwde het uit.
Ik kon nog maar nauwelijks een meter of vijf voor mij uit zien. De golfstroom waarin hij was geraakt verwijderde hem hoe langer hoe verder van het vlot en de sufferd zwom met de stroom mee ook. Hier kon ik echt niets meer doen. Ik was trouwens te slap om nog wat te kunnen uitrichten.

Een tijdje later werd het stikdonker. De hemel zag er zwart uit en er was geen ster te bekennen. Er stak een stevige bries op. Een zware storm was in aantocht. De hemel zag er zwart uit en er was geen ster te bekennen. Er stak een stevige bries op. Een zware storm was in aantocht. Het vlot begon te deinen en we moesten ons aan de lussen vastklampen om niet van het vlot te geraken. ( de Golf van Benkoelen is er berucht om: in een paar uur tijd kan het mooie weer omslaan in een hevige storm).
Toen brak de hel in alle hevigheid los. Huizenhoge golven, bliksem en donderslagen losten elkaar in snel tempo af. De wind gierde langs ons heen en de temperatuur daalde flink. Om wat warm te worden liet ik mij in het water zakken en hield me stevig aan de touwen vast. Merkwaardig genoeg voelde het water lauw aan. Na een poosje kroop ik weer op het vlot. Plotseling begon het te regenen. Dikke druppels beukten in ons gezicht. “Mond open”, schreeuwde ik, “drinken!” Wij probeerden zoveel mogelijk regenwater naar binnen te krijgen. Met de enkels hield ik me aan de touwlussen vast en vouwde de handen als een trechter om de geopende mond. Op deze wijze kreeg ik wat regenwater naar binnen. Niet genoeg! Maar het was in ieder geval vocht.
Zo snel als de storm was opgestoken, zo snel verdween hij weer en de regen hield op. Wat bleef was nog een stevige wind en woeste golven. Van slapen was geen sprake, anders duvelde je in het water. Langzaam soesde ik weg en verbeeldde me dat ik te paard zat en over een uitgestrekt gebied galoppeerde. De wind die langs je lichaam suisde en het deinende vlot gaven je het gevoel dat je met een behoorlijke snelheid voortbewoog. Vandaar de illusie! In ieder geval hield mijn fantasie mij wakker.

Plotseling hoorde ik een plons achter me. Met mijn arm voelde ik om me heen; weer een lege plaats. Ik riep en schreeuwde, maar het enige dat ik hoorde was het geklotst van de zee en het gieren van de wind. Weer een makker weg. De hopeloosheid en de onmacht om iets te kunnen uitrichten, maakten dat ik stil begon te huilen. Na een poosje voelde ik mij wat beter.
De lucht klaarde op en aan de horizon begon het licht te worden. De ochtend brak aan en de zee was weer zo glad als een spiegel. Wij waren nog maar met zijn drieën: meneer X van de trouwring, de Indonesische jongen en ik. De anderen waren verdronken. Honger en dorst deden zich voelen. Aan elkaar konden we zien hoe wij er aan toe waren: blaren op gezicht en lichaam, gezwollen ogen en gebarsten lippen en het zoute zeewater hield de wonden op armen en benen open.
Op enige afstand passeerden scholen vissen ons vlot en zo nu en dan dreef een kwal vlak langs. Een zonnige dag en een rustige zee. ’s Middags begon de hitte ondragelijk te worden en na verloop van tijd werd ik door hallucinaties overrompeld. Ik nam dingen waar die er in feite niet waren. Er voer een kano op een paar meter afstand langs het vlot. Drie mannen met ontbloot bovenlijf en haren tot op de schouders peddelden dat het een lieve lust was. Ik riep hen aan, maar ze reageerden niet. Keken op noch om en roeiden voort. Vertwijfeld keek ik hen na. Mijn lotgenoten vonden mijn gedrag maar vreemd. Ze zeiden echter niets, ze keken mij alleen aan met hun bloeddoorlopen ogen.
Jaren later kan ik mij er nog steeds over verbazen dat een mens, onder bepaalde omstandigheden, dingen waarneemt die er in werkelijkheid niet zijn of wel soms…. In een ander dimensie?
In de verte ging de zon langzaam onder. Hij leek op een vuurbal die de hemel in brand stak. Ik voelde hoe alles vervaagde en raakte in een half bewusteloze toestand. Ik had geen dorst en geen honger meer. Langzaam werd het donker om me heen. In de verte, heel vaag, hoorde ik nog een plons in het water. Toen werd mijn aandacht getrokken door prachtige muziek. Het leek wel alsof ik tussen de klanken rondzweefde. Een blij en tevreden gevoel maakte zich van mij meester, ik genoot.

Opeens voelde ik een stoot en hoorde een stem die mij riep: “ He, bangoen!” (word wakker) Ik opende de ogen en merkte dat ik voorover lag. Ons vlot dreef zachtjes langs een scheepswand en ik hief mijn hoofd op. Voor mijn neus bengelde een dik touw en daarboven hoorde ik roepen: “Pak het touw beet!” Ik greep het vast en voelde hoe ik omhoog werd gehesen. Ik stapte over de reling, zei: “Dank je wel” en zakte door de knieën. Die jongeman die mij aan boord van de Japanse torpedojager had gehesen fluisterde mij toe: “ Niet gaan liggen en niet gaan slapen, want dan denken die smeerlappen dat je als werkkracht niets meer waard bent”. Mij ondersteunend sleepte hij me voort over het dek en liet me zitten met de rug geleund tegen een scheidingswand. Hij verliet me en kwam even later met een mok drinkwater en een rijstbal. “Langzaam met tussenpozen drinken” adviseerde hij. “ en probeer wat te eten”. Hij zette zich zich naast mij neer. Aan zijn haveloze korte broek hing een Rode Kruisband. Terwijl ik met lange pauzes een paar slokken water nam, bracht hij mij op de hoogte van de gebeurtenissen in de afgelopen dagen. Hij behoorde bij de eerste groep geredden kort na de torpedering. Samen met 10 anderen moest hij aan boord van de jager blijven om eventuele overlevenden op te pikken. Ik bofte, want het was de laatste dag dat er nog naar drenkelingen werd gezocht. Ik kreeg ook te horen dat de Jappen uit zee opgeviste schipbreukelingen weer overboord smeten als zij van uitputting bewusteloos raakten. Vandaar dat hij mij in het begin waarschuwde niet in slaap te vallen.
De boot had reeds uren geleden de steven gewend en stoomde met topsnelheid noordwaarts, bestemming Padang. Het begon langzaam donker te worden. De stem van mijn redder klonk gedempt alsof hij door een laag watten sprak. Mijn hersens waren nog te beneveld om alles in mij op te nemen. Ik proefde de rijstbal die in vet was gebakken, maar kon nog geen hap door mijn keel krijgen. Ik had meer dorst dan honger. Trouwens hevige slaap begon mij te overmannen, waaraan ik toegaf. Het was toch al donker geworden.
De Jappen konden mij toch niet meer zien zitten.

Diep in de nacht werd ik wakker door een razende dorst. Mijn tong voelde aan als leer en mijn gescheurde lippen waren kurkdroog. Ik merkte dat mijn redder niet meer naast mij zat, greep naar de drink mok om wat te drinken en ontdekte dat hij leeg was. Ik moest trachten aan water te komen, daarom ging ik, al kruipend op zoek naar een deur. Iets verderop bevond zich er een. Hij stond op een kier. Voorzichtig duwde ik hem open en keek in een verlichte kajuit. Tegen de wand was een smal bed geplaatst en daartegenover een tafel waarop, tot mijn vreugde, een karaf met drinkwater stond. Ik kroop er heen, pakte de karaf op en begon te drinken. Ik genoot van elke teug. Net toen ik aan de laatste slokken toe was, stapte een Japanse officier de kajuit binnen. Scheldend pakte hij de karaf af en schopte mij de kajuit uit. De kajuitdeur viel met een klap achter mij dicht. Het kon mij niet schelen, de dorst was in ieder geval gelest.

De volgende ochtend, 19 september 1944, meerde de torpedobootjager af in Emmahaven, een bekende en vertrouwde omgeving voor mij. Iedereen werd van boord gebracht. Dezelfde jongeman, een verpleger, droeg mij de loopplank af omdat ik nog steeds niet op mijn benen kon staan. In een loods moesten wij wachten op vervoer. Een vrachtwagen bracht ons uiteindelijk naar Padang waar wij werden ondergebracht in de plaatselijke gevangenis. Rudy Uijleman Anthonijs en een paar anderen werden direct naar het militair hospitaal in Padang gebracht om te herstellen van de Junyo Maru gevolgen.

NB: Aan boord van de Junyo Maru waren duizenden gevangenen, waar onder Nederlanders, Australiërs, Engelsen, Ambonezen en vele Javaanse romusha’s, die niet meer de overvolle ruimen konden ontvluchten en verdronken als ratten. Degenen die zich in wanhoop aan de twee Japanse reddingsboten vastklampten, werden met samoerai-zwaarden de vingers of handen afgehouwen. Door de escorterende schepen werden uiteindelijk 723 drenkelingen opgevist. Het totale dodental was 5620 onder wie 1370 Nederlanders.

Maar dit was nog niet het einde van het verhaal. De overlevenden werden onder erbarmelijke omstandigheden naar Pakan Baru gebracht. Ook Rudy Uijleman Anthonijs werd een maand later overgebracht naar het krijgsgevangenkamp Pakan Baroe waar aan de aanleg van de 220 km lange Pakan Baroe spoorweg, beter bekend als de dodenspoor, gewerkt moest worden. De dodenspoor, dwars door de groene hel van het Sumatraanse moerasoerwoud, heeft aan ongeveer 2500, meest Nederlanders maar ook Britse, Australische en Amerikaanse de dood gekost. Ook ongeveer 80.000 romusha’s vonden hierbij de dood.
Als oorzaak verdrinking, uitputting, mishandeling, ondervoeding en tropische ziekten zoals dysenterie.
De aanleg van de 220 km. lange Pakan Baroe-spoorweg, dwars door de groene hel van het Sumatraanse moerasoerwoud en bergen in de jaren 1943 en 1945, is lang een bijna vergeten oorlogsdrama geweest. Toch stierven er voor deze krakkemikkige spoorweg waarschijnlijk tachtigduizend door de Japanners geronselde Javanen (romusha), zo blijkt uit archiefonderzoek dat Henk Hovinga deed voor de vierde aanzienlijk uitgebreide druk van zijn boek ‘Eindstation Pakan Baroe’. Behalve deze 80.000 Indonesie¨rs vonden bijna twee-en-een-halfduizend, meest Nederlandse krijgsgevangenen een ellendige dood door verdrinking, uitputting, mishandeling, ondervoeding en tropische ziekten zoals dysenterie.

De Japanners verzwegen aan de dwangarbeiders dat Japan gecapituleerd had, zodat de dwangarbeiders door bleven werken aan de spoorweg.
Na de capitulatie en zijn bevrijding van de Pakan Baroe dodenspoor werd Rudy Uijleman Anthonijs bij het Knil Infanterie bewakingspeloton te Bangkinang ingelijfd. Eind oktober 1945 vond overplaatsing plaats naar Padang in afwachting op transport naar Batavia.
Januari 1946 werd Rudy ingedeeld bij de eerste depot te Djaga Monjet peloton onderdeel mitrailleur afdeling.
Vervolgens weer overgeplaatst naar Pau – Pel B. Divisie tot en met januari 1948. Hierna overgeplaatst bij de staf B. Divisie met bestemming opzending Nederland.
In 1946 en 1947 deelgenomen aan de acties Pasar Minggoe, Depok, Tangerang, Balaradja, en omgeving Tjiandjeer.
Vervolgens ook als militair deel genomen aan de Politionele acties: Pekalongan, Pemalang, en omgeving Tegal gedurende de periode 21 juli – 4 augustus 1947.
Op 27 maart 1948 per m.s. Sloterdijk naar Nederland vertrokken en op 22 april 1948 met groot verlof gezonden wegens beëindiging van de dienst – en reserveplicht t.a.v. KNIL, eervol ontslagen uit de militaire dienst bij het KNIL.

Nawoord: Mede dankzij Marijke van Horn – van Raalten, ook geboren te Sawahlunto en bijna 60 jaren vriendschap met Meity Ungerer, heeft Rudy Uijleman Anthonijs zich bereidt verklaard zijn verhaal van de Junyo Maru aan haar te vertellen.

Bersiap en de ervaringen van een tiener.

Jaar, tijd vergeten en ik wil niet een datum geven dat niet accuraat is. Werkte in de operatie kamer van St Borromeus aan de Dago weg, Bandung. OR (operatie kamer) schoon maken na een operatie, instrumenten en verband wassen en steriliseren. Dat deed ik voor de scholen weer begonnen. Het hoofd gebouw kijkt uit op een drie sprong, Dago weg en ik geloof Technische Hoge School Blvd. Schuin tegenover het hospitaal was een woning in die tijd door Japanse militairen (soldaten en officier) bezet. Op een dag zat ik op het muurtje die de voortuin van de weg scheidde. Hoorde een gegil en zag een bende Indonesiërs met goloks (hakmessen), bamboo runcings (bamboe speren met scherpe punten) de Dago op rennen richting St. Borromeus, ook hoorde ik heel duidelijk het “Merdeka, merdeka”. Japanse officier kwam naar buiten, keek naar de rennende massa en schreeuwde bevelen, soldaten met hun geweren midden op de Dago weg, eerste rij knielen, achter hun een andere rij soldaten, op bevelen van hun officier grendelen ze hun geweren en schoten pardoes in de rennende massa. Het schieten en laden werd een paar maal herhaald totdat de permoedas waren verdwenen. Naderhand hebben Gurkas en hun Engelse commandant het huis van de Japanners overgenomen, zij hebben toen een kleine bunker opgetrokken met a 50 kaliber machine geweer midden in de driesprong voor het hospitaal. De 50 kaliber werd verschillende keren getest en het rapport was luid. BTW, wij woonden in die tijd aan de Zorgvliet laan, op de hoek met Pahud de Montange.
Ben de namen van de zijstraten, die achter St. Borromeus liepen en op zij, vergeten. De Gurka’s hebben prikkeldraad barrière om het hospitaal aangelegd en een andere kleine bunker achter een bijgebouw dicht bij de kapel neergezet.
Zaterdag midden in de nacht werd er op de voordeur gebonkt, “Allemaal er uit naar St. Boromeus”. In de verte hoorden wij schoten, mijn moeder, jongste broer en ik renden het huis uit de straat op tezamen met andere bewoners en in het donker naar St. Borromeus. De schoten kwamen dichter en dichter. De Gurka’s sloten de laatste barricade en de hel brak los. Heb voor mijn moeder en broer een lege hospitaalkamer gevonden waar beiden in een bed sliepen en ik op de grond. Schoten waren te horen gedurende de nacht. Volgende dag, zondag, ging ik naar de kapel voor de mis. Gedurende de mis deden de permoedas een aanval op St. Borromeus, allerlei wapens kon men horen en de lucht rook naar cordiet. De permoedas kwamen dichter bij het hospitaal, je zag ze aan de overkant van de straat. Wonder boven wonder, drie militaire trucks kwamen aan, stopten en Japanse soldaten sprongen uit de voertuigen met geweren en automatische wapens en openden vuur op de permoedas. Binnen ongeveer 20 min. was het zooitje opgeruimd. De Japanners patroneerden door de straten en tuinen en af en toe hoorde je een schot of het geratel van een automatisch wapen. De Japanners hebben ons het leven gered! Dat was de tijd dat ik als vrijwilliger vermoorde mensen of delen van hun hielp begraven. De eerste keer dat ik en een paar anderen een huis binnen kwamen begon ik direct over te geven, muntah, heb gekokhalsd tot dat mijn maag pijn deed. Ik zal nooit vergeten wat ik die dag heb gezien, later barste ik zelf in tranen uit. Zelf nu brengt deze herinnering tranen in mijn ogen, de afslachting en het bloedbad waren ongelooflijk, de mensen waren niet alleen gedood, ze werden in stukken gesneden en afgeslacht en dat is waarom ik doodziek wordt wanneer ik lees over de toen begane wandaden van onze militairen en niets over de wandaden van de Indonesiërs. Waarom komen mensen niet naar voren en schrijven wat zij met eigen ogen hebben gezien?
Dan kwam de tijd dat Bandung verdeeld was in noord en zuid met als grens de spoorbaan, de bomen waren gesloten. In zuid Bandung zaten de Indonesiërs en het noorden de Engelsen en de Nederlanders. De Indonesiërs hebben later zuid Bandung verbrandt voordat wij het zuiden binnen mochten.
Gelukkig ging de Christelijke Lyceum (overbrugging) weer open, 1A, 2B or C, 3A, ik herinner mij dat wij in een klas zaten, die in een hoek was gelegen. In 1949 ben ik naar Nederland vertrokken en ingetrokken bij mijn tante en oom in Maastricht.
Het bovenste is geschreven met de wetenschap dat er hopelijk iemand is die dit verhaal kan bevestigen of bestrijden.
Ik wil liever niet over die tumultueuze periode schrijven. Het overkomt mij nog steeds als een wrede en schier onoverkoombare periode.

Henri E. Ṧibek

 

Deel 3 – Tjip Boenandir en Edward G. Welcker

Na de Oorlog

Edward Gilles Welcker, Electro-monteur, Hr. Ms. de Ruyter

Op 16 april 1944 kreeg ik 3 dagen verlof om te trouwen, andere faciliteiten werden niet verleend. Mijn vrouw mocht wel bij mij in de garage komen wonen. In 1945, toen ik uit de garage weg moest, verhuisden wij naar een kleine woon-annex slaapkamer in een dessa in de omgeving.

Op 17 augustus 1945 werden alle werklieden van de werkplaats ontslagen. Ik werd aangehouden om de inventarisatie op te maken van alle machines en materieel ten einde het over te geven aan de Sekoetoe-sekoetoe. De inventarisatie was nog niet beëindigd toen de hele inventaris door de Indonesische regering werd ingepalmd.
In 1945 sloot ik mij aan bij de B.K.R. (Badan Keamanan Rakjat = Security Agency). Inderdaad, ik kwam niet terug bij de Marine. Mijn lieve moeder hoorde het nieuws van de ondergang van Hr. Ms. De Ruyter een maand na het gebeuren. Het nieuws over de ondergang na een maand maakte mijn moeder half gek toen zij het vernam. Zij verkeerde onder hoge geestelijke druk en stress. Vandaar dat zij mijn huwelijk op 16 april 1944 doorzette al waren de condities kritisch. Haar bedoeling was dat ik als getrouwde man niet hoefde te varen, immers varen betekende voor haar oorlog. In 1945 heb ik dan ook besloten om bij mijn moeder en schoonouders aan de wal te blijven.

Uit mijn marine tijd ben ik nog in het bezit van alle toen vereiste documenten en boekjes, inclusief namen van de desbetreffende officieren.
In 1998 heb ik een verzoek ingediend aan de PUR/WUV om in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Dit heb ik ondersteund met bezwaarschriften, correspondentie en namen van diegenen die ik mij nog herinneren kon als getuigen, enz. Na het geding ter zitting van 5 april 2001, waar ik niet aanwezig kon zijn, kreeg ik de beslissing: De Centrale Raad van beroep rechtdoende “Verklaart het beroep ongegrond”. Dus dat betekent afgewezen …….ddo. 18 mei 2001.

Op 13 maart 2002 plaatste ik een advertentie in het maandblad “Aanspraak” in Nederland: “Ik zoek overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter die op 27-2-1942 door een Japanse torpedo werd getroffen en even daarna zonk”. Graag reacties aan ex-stoker Olieman Boenandir ….enz. Adres enz.
Hierop kreeg ik veel reacties: Nummer i. Asia Maior, Uitgeverij Asia Maior, Postbus 150, 4300 AD Zierikzee, Nederland. Mevr, W. Leijnse heeft mij de namenlijst gestuurd van de bemanning van Hr. Ms. De Ruyter per 26 februari 1942. In die namenlijst staan zij die omgekomen waren en die gered werden.
Toen kwam de reactie van de heer Johan van Leer, 230 Baystreet #6, Santa Monica, CA 90105-1031.
Ook een reactie van de heer M.G.J. van Zeeland, Fransche Brug 22a, 2371 BE Roelofsarendsveen, Nederland

Bijzonder goed en behulpzaam was de volgende reactie:
Verklaring voor degene die het aangaat: Hierbij verklaar ik dat de heer Boenandir door mij is herkend als een van de overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter.
Wij hebben elkaar ontmoet bij de Japanse landing op 1 maart 1942 in Kragan (noord kust Midden Java)
Verder in krijgsgevangenschap tot onze splitsing (Jaarmarkt)
De heer Boenandir heeft zich getoond als een waardige persoon en een betrouwbare Koninklijke Marineman.

Hoogachtend,
Edward G. Welcker, 16614 E Kingside Drive, Covina, Ca 91722

Alle stukken en bundels heb ik naar PUR/WUV verzonden. Ik weet niet hoe het proces van de behandeling van de stukken is verlopen, maar een arts uit Nederland gaf mij een volledig lichamelijk onderzoek en controleerde mijn lichamelijke klachten.

Uiteindelijk begin juni 2003 Gode zij dank en nog maal God zij dank kwam de erkenning en de beslissing gezamenlijk met de uitkering. Hierop heb ik bijna vijf jaar gewacht. Nu ben ik trots en voel me zeer gelukkig en uit het diepst van mijn hart dank ik u nog maal, heren, die mij geholpen hebben.

Ik wens u allen veel geluk en succes.

w.g. Boenandir

Deel 2 – Tjip Boenandir als gevangene van de Japanners

Op 3 maart 1942 werden wij in Kragan in de buurt van Rempang (Midden Java) aan land gezet. Hier wilden de Jappen hun landing uitvoeren.

Wij werden verzameld op het erf van de wedana en bivakkeerden daar als krijgsgevangenen onder permanente Japanse bewaking. Het erf was groot en beplant met asembomen met een heg van “pohon Luntas”. Bewegingsvrijheid was er niet en de hele maand sliepen wij open en bloot onder de asembomen op de grond zonder tikar (slaapmat). Er was geen sanitaire of medische hulp. Wonden werden met kranten verbonden om de vliegen op afstand te houden. Op het erf werden wc’s uitgegraven en bij een diepte van 60 cm kwam het water al boven vanwege onze ligging dicht bij zee.

Bijna ieder morgen moesten wij 4 tot 5 km lopen om de plek op het strand te bereiken waar wij de Japanse schepen moesten lossen. Kisten, vaten en andere collies moesten wij van de landingsvaartuigen naar het strand dragen.
Tweemaal per dag kregen wij eten: halfgare rijst met een beetje suiker. Bestek kregen wij niet, dus gebruikten wij oud papier van schriften, enz. als bord en aten met de hand. Wij werden daarbij nog gedwongen om snel te eten om te voorkomen dat vliegen met de rijst meegingen!
In deze periode overleden drie lotgenoten die op het erf van de wedana werden begraven.

Wij waren in Kragan met ongeveer 80 gevangenen. Op zekere dag moesten enkelen van ons onder gewapende begeleiding ongeveer 1 ½ kilometer een kampong in om uit een put drinkwater te halen.
De hele maand kregen wij geen kleren behalve een gonjezak van een vierkante meter. Tijdens onze corvee vouwden wij deze gonjezak op en plaatsten het op onze schouder en nek ter bescherming bij het dragen van de zware kisten als wij corvee op het strand hadden.
De hele maand in Kragan zonder mandiën, tandenborstel, warme thee of koffie. Alleen het ongekookte water.

Terug naar Surabaya.
Op goede vrijdag, 3 april 1942, kreeg iedereen een set KNIL uniform compleet met bamboehoed. Er stonden 14 vrachtwagens gereed en wij moesten afscheid nemen van kamp Kragan om in konvooi naar Surabaya te vertrekken. In Tjepoe werd een uurtje halt gehouden voor het middagmaal. Het bleek het zelfde rantsoen te zijn dat wij ook in Kragan kregen: half gare rijst met wat suiker. Bij gebrek aan borden gebruikten wij ook hier beschreven bladzijden uit schriften als bord en aten met onze handen. Uit een houten vat dronken wij ons koude putwater.

In Surabaya werden we naar het interneringskamp Jaarmarkt getransporteerd. Het COVIM, een Europese vrouwenclub, hoorde dat overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java waren aangekomen. Van de Japanners kreeg deze club toestemming ons te ontvangen. Ongeveer 19:30 uur kwamen wij het kamp binnen en werden achter de grote poort verzameld. De COVIM dames kwamen en gaven ons o.a. kleren, odol tandpasta, tandenborstel, een zinken bord, lepel en zeep. Speciaal voor de drenkelingen van Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java een kopkussen (bantal). Wij sliepen niet meer op de harde grond zoals in Kragan, maar op bamboo balé-balés (bed van bamboe).
Kamp Jaarmarkt was een groot kamp met ongeveer duizend geïnterneerden, merendeel Knil’ers. In de eerste weken was de voeding redelijk, maar daarna kregen wij dagelijks een beetje pap. De zieken werden door een Japanse dokter behandeld. Zelf kreeg ik toen malaria en kreeg daar pillen voor.

(Hier heeft mijn broer mij gevonden en van buiten het kamp naar mij gewuifd. Hij mocht het kamp niet in. Dit heeft hij mijn moeder in Malang verteld die heel erg van slag was toen ze hoorde van het zinken van Hr. Ms. De Ruyter).

Tot 1943 bleef ik in het kamp en ik moest een formulier ondertekenen dat ik voor de Japanners moest werken. Vanwege mijn dienst vak van Stoker Olieman zou ik een baan krijgen als machinist.
Dit bleek later niet waar te zijn, want met 10 andere niet Europese gevangenen, die ook niet van de Koninklijke Marine waren, werd ik ’s avonds naar een kazerne van het Knil op Gunungsari gebracht waar wij in een lege goedang (opberg ruimte) konden slapen. (De andere gevangen waren inheemse gevangen die o.a. bij de stadswacht hoorden). Deze kazerne werd nu door de Jappen gebruikt. De volgende ochtend kregen we orders om de hele kazerne schoon te maken en te houden. Zo werden wij verplichte schoonmaakarbeiders. Alle orders werden in gebaren taal gegeven, immers wij verstonden geen Japans.
Naast de Japanse kazerne stond een andere Knil kazerne dat gebruikt werd als interneringskamp voor Europeanen. Met een Japanse chauffeur moest ik dikwijls met de vrachtauto naar de pasar. Wij moesten dan de kerandjangs (manden) met sajoeran (groenten) in de truck dragen en bij de kazerne weer uit de truck halen en naar de dapoer (keuken) dragen.
Beetje bij beetje begon ik Japans te leren om mishandeling te ontlopen. Goddank, is dat mij nooit overkomen.

De Japanse soldaten werden overgeplaatst en ik kreeg werk in de werkplaats DAI 10360 Butai “Don Bosco” in Surabaya. Don Bosco is een katholieke school en het hoofdgebouw en het hoofdgebouw werd als hoofdkantoor. Op het grote erf werd een semipermanente werkplaats opgetrokken waar ik wapens moest repareren. Hier werd ik in de gelegenheid om na vast werken (Maritiem: het beëindigen van de dagtaak) een cursus Japans te volgen. Ook kreeg ik permissie om in een garage van een van de in beslag genomen huizen rond Don Bosco te slapen.

(De parochie Don Bosco staat in de woonwijk Sawahan. Hier heeft zijn moeder Boenandir twee of driemaal opgezocht. Toen hij zijn moeder vertelde dat hij na de oorlog weer wilde varen was haar antwoord: “Dat is goed, maar je moet eerst gaan trouwen”. Rap ging zij op weg om voor zoon een bruid te zoeken die zij ook vond! Haar bedoeling was dat haar zoon, als hij eenmaal getrouwd was, niet meer naar zee ging)

Deel 1 – De slag in de Java zee

Tjip Boenandir, Stoker-Olieman op Hr. Ms. De Ruyter

Dit jaar 2017 herdenken wij dat wij 72 jaar geleden bevrijd werden van de Japanse onderdrukkers.
De oorlog in de Indische archipel begon met de slag in de Java zee op 27 februari 1942, dat is 75 jaar geleden. Goddank, waren er ook bemanningsleden van onze vloot die deze rampzalige zeeslag hebben overleefd. Een van hen, Edward G Welcker, nu woonachtig in Orange Country, Californië is in de leeftijd van 98 jaar. Een ander overlevende woonde in Malang, Oost Java, is intussen ook in Malang in de leeftijd van 90 jaar in december 2010 overleden. Een paar jaar geleden heeft hij zijn ervaringen met de hulp van Benno Apon op papier gezet en een kopie aan Ed Welcker gegeven. Zijn relaas, aangepast aan de dag van vandaag, volgt hier beneden:

Mijn naam is Tjip Boenandir. Ik ben geboren aan de voet van de Gunung Kelud, de vulkaan in de buurt van Blitar. Op mijn geboortedag in 1919 was er ook een uitbarsting van deze vuurspuwende berg. Aangezien er in die tijd geen geboorteaktes werden uitgegeven werd mijn geboortedatum gesteld op 20 juni 1920. Ik heb de HIS, Hollands Inlandse School, doorlopen en kwam op de Ambachtsschool in Malang op de Europese afdeling van de Metaalbewerking. Nadat ik deze opleiding heb voltooid waren er overal plakkaten: “Saja orang Marine, ikutlah saja”. (“Ik ben een Marineman, ga met mij mee”.)
Zodoende ben ik bij de Koninklijke Marine terecht gekomen.

In 1937 kreeg ik aan boord van het Marine opleidingsschip “Soerabaja” te Surabaya mijn opleiding tot Stoker. Hierna werd ik als Stoker Tweede Klas met Stamboeknummer 2589 geplaatst aan boord van Hr. Ms. “de Ruyter” als lid van het machinekamerpersoneel. Hier heb ik flink aangepakt en werd bevorderd tot Stoker Eerste Klas. Daarna volgde mijn bevordering tot Stoker Olieman.

Toen de tweede wereldoorlog uitbrak zat ik ook op Hr. Ms. De Ruyter. We voeren uit naar de Java zee en tijdens de confrontatie met de Japanse vloot heb ik alle manoeuvres en wendingen van ons schip doorstaan. Ik heb mijn post onder het pantserdek niet verlaten.

Op 27 februari 1942, even na 23:30 uur werd het achterschip door een torpedo getroffen. Dit ging gepaard met veel lawaai en een harde knal. De stoomdruk daalde tot nul en onder het pantserdek werd het pikdonker. Ik bevond mij in de voorste machinekamer en met al mijn energie probeerde ik bovendeks te komen. Na veel botsingen en omwegen vanwege geblokkeerde waterdichte schotten kwam ik aan dek. Aan stuurboord begon de munitiebergplaats te ontploffen, lichtkogels schoten als vuurpijlen de lucht in. Met moeite wist men aan bakboord een werksloep te strijken. De capaciteit van 20 personen werd bijna driemaal overschreden. Belicht door de ontploffende seinkogels kwam ik ook in de sloep. Een officier, mijnheer H. Bennink, Ltz 1st klas, gaf commando om alles van gewicht over board te gooien en de sloep zo licht mogelijk te maken.

Het achterschip van Hr. Ms. De Ruyter was toen al gezonken, het voorschip was nog boven water zichtbaar. Met onze handen roeiden wij zover mogelijk van het schip te komen. In de verte konden wij het geschreeuw van de bemanningsleden horen die op het schip achter zijn gebleven. Na ongeveer twee uren konden wij nog zien hoe onze Hr. Ms. De Ruyter in de schemering van de nieuwe dag ten onder ging.

Later op die dag kwam een Amerikaanse onderzeeboot boven water om twee Amerikaanse seiners van de sloep te halen. De onderzeeër ging vlug onder, immers er vlogen nog Japanse vliegtuigen rond.
Van hen hoorden wij onze locatie: ongeveer 60 mijl ten noorden van Semarang.

Twee etmalen dreven wij roerloos in de lekkende sloep, zonder eten en weinig water uit het sloepreservoir. De zon scheen onbarmhartig fel.
We werden door een Japanse torpedobootjager opgevist en als gevangen behandeld. De sloep werd door de Jappen vernietigd.

 

Geschiedenis en overleving van Edward G. Welcker.

De ondergang van Hr. Ms. De Ruyter in de slag van de Java Zee.

Voorwoord: zondag, 19 februari 2017 j.l. had ik de eer Ed Welcker te mogen ontmoeten. Heb een paar dagen er voor telefonisch contact gehad met zijn zoon Ernest, die mij ook uitnodigde om langs te komen. Daar had ik het genoegen zijn dochter Yvonne te ontmoeten, die mij vooral aan veel informatie heeft geholpen en een gesprek aan te gaan met haar vader, die in de leeftijd van 98 jaar is.

Het verhaal hier beneden heb ik zoveel mogelijk in takt gehouden.
Ronny Geenen, Glendora, CA (20-2-2017)

Edward Gilles Welcker, geb. 15-10-1918

Ed Welcker werd op 15 oktober 1918 in Magelang, nu Indonesië, geboren.
Zijn vader, Praktijk Ingenieur (Pring), werkte als opzichter bij het Nederlands Indisch Spoor (NIS).
Van 1924 tot 1932 bezocht Ed de Rooms Katholieke Lagere School in Yogjakarta. In die tijd had de lagere school nog zeven klassen. Hierna volgde een opleiding van vijf jaar aan de Koningin Wilhelmina school (KWS) in Batavia (nu Jakarta) op de afdeling Bouw en Waterbouwkunde.
In 1937 vervolgde hij zijn opleiding voor 1 ½ jaar op het IVEVO (Instituut voor elektrotechniek vakopleiding). Net als zijn vader kon hij toen in dienst treden bij het NIS. Dit werd in 1939 opgevolgd door een oproep van de Koninklijke Marine om zijn militaire dienstplicht te vervullen.
Zijn eerste militaire opleiding kreeg hij in de Marine kazerne op Gubeng, waar hij na een maand matroos werd. Bij de Technische Opleidingen Koninklijke Marine in Ujung gelegen kreeg hij zijn vakopleiding tot elektromonteur dat, vanwege zijn vooropleiding, slechts een half jaar in beslag nam. Hierna werd hij als elektromonteur Zee milicien op Hr. Ms. De Ruyter geplaatst.

Kruiser de Ruyter

Het jaar 1942 was een roerige tijd en de oorlogsdreiging werd goed gevoeld. Oefeningen met het eskader in de Java zee, rond Bali, enz. Op 27 februari 1942 ging Ed, na baksgewijs (appel) naar zijn post, de voor elektrische centrale. Zijn taak: de elektriciteit verdelen naar de verschillende delen van het schip.
Het zelfde werd gedaan door zijn collega in de achter elektrische centrale. De verdeling werd centraal geregeld. Rond 16:00 uur werd Ed afgelost door Adjudant Electromonteur Langendoen.
Hij kreeg toen opdracht om naar Vuurtoren I te gaan om te assisteren bij het laden van de 15 cm granaten. Hier zag hij Indonesische matrozen, gehurkt, alsof zij bevangen waren door vrees, totaal overstuur, bevend en stijf. Zij konden het laden van de granaten niet meer aan.
Hoogstwaarschijnlijk zijn zij oververmoeid of door angst overvallen.. Ed en anderen moesten hen vervangen tot ongeveer 18:30 uur, het begon toen al donker te worden. Vervolgens kreeg Ed opdracht naar het stuurboord zoeklicht te gaan. Deze werkpost lag hoger, onder de commandotoren (zie foto de Ruyter) zodat Ed een goed overzicht had over de stuurboordzijde van het schip. De vloot was bezig met een scherpe stuurboordmanoeuvre uit te voeren en Ed kon goed zien hoe Hr. Ms. Java in vlammen opging en in enkele minuten zonk.
Ed zag ook de torpedobellenbaan die onder een hoek van 45 graden op zijn schip afkwam. Hr. Ms. De Ruyter werd midscheeps getroffen en verloren meteen snelheid. Kennelijk was de tandwielkamer beschadigd die de schroeven moesten aandrijven. De vlammen sloegen over het dek en niet lang daarna stond het afweergeschutplatform in vuur en vlam. Granaten ontploften als vuurwerk.

Kruiser de Ruyter

Ed ging toen naar de hijskraan om te helpen de sloepen te strijken. Er was echter geen elektriciteit en de afwezigheid hiervan melde hij direct aan de Bootsman. De sloepen werden toen met de hand gestreken. Iedereen kreeg toen van commandant KLTZ E.E.B. Lacomblé de opdracht om het schip te verlaten. De commandant dankte iedereen en nam afscheid van hen, staande op de brug. Er was geen paniek onder de bemanning, iedereen wist zijn taak te volbrengen.
Ed Haalde toen zijn zwemvest op de speciaal daarvoor aangegeven plaats, sprong overboord bij de boeg aan bakboord en zwom naar het vlot waarop hij was ingedeeld. De zee was zo woelig dat het vlot kapseisde en Ed besloot met hulp van zijn zwemvest zich maar drijvende te houden. Zo heeft Ed de hele dag in de brandende zon in zee gedreven totdat hij rond 17:00 uur dooe een Japanse torpedobootjager werd opgevist.

Aan boord werd goed behandeld. Zijn door de zon gebrande huid werd met zalf behandeld en hij kreeg zacht voedsel te eten. De volgende dag rond 19:00 uur moest hij zich bij de Japanse commandant melden die hem ondervroeg. Hierbij zag hij Ed’s Mido polshorloge dat Ed kort tevoren in Surabaya gekocht had. De Japanse commandant vroeg Ed of hij het horloge van hem mocht kopen. Ed dacht even na————–ze hebben hem een goede behandeling gegeven aan boord————Zijn antwoord:” Neen, u kunt hem niet kopen, maar ik geef het u als een gift, u mag het hebben” en hij overhandigde zijn horloge aan de Japanse commandant.

De volgende dag werd Ed overgebracht naar een andere torpedojager waar hij de andere opgeviste Marinemensen uit de sloep ontmoette. Voordat hij op de andere torpedojager stapte kreeg hij een plunjezak aangereikt en een briefje die hij aan de Japanner kon laten zien. Op die andere torpedojager wilde men weten wat de plunjezak bevatte. Ed toonde de jap het briefje en de nip stapte beleefd weg. Wat er op het briefje stond heeft Ed nooit geweten. De plunjezak bevatte kleren, sigaretten (ofschoon Ed niet rookte) en Japans beschuit.

Tijdens dit transport ontmoette Ed ook Adjudant Electromonteur Langendoen die hem zijn verwonding liet zien: zijn buik was opengereten. Zo goed en zo kwaad als het ging verpleegde Ed zijn superieur daarbij gebruikmakend van de nieuwe kleren uit de plunjezak. Zo belandden ze dan allemaal in de tuin van de wedana in Kragan bij Rembang. Zij konden bivakkeren in de tuin, slapen op de grond zonder de deken of hoofdkussen. Er was ook geen wasgelegenheid. Hier werd de Adjudant Langendoen in de garage gehuisvest, dat als ziekenboeg in gebruik werd genomen. Er waren geen bedden, geen ligmatjes zodat de patiënten in het begin op de cementen vloer vol olie en vet gelegd moesten worden.
Als Ed geen corvee deed dan verpleegde hij Adjudant Langendoen zo goed mogelijk. Dit corvee bestond uit het ontladen van de landingsvaartuigen op de landingsplaats Kalipang, ongeveer een kwartier lopen van het huis van de wedana. Drie dagen later, tijdens een corveedienst van Ed , is de Adjudant Elektromonteur Langedoen overleden.

Een medegevangene van kamp Kragan, de dienstplichtige matroos-monteur K.L. Topée verklaarde na de oorlog voor de hoorcommissie: “In het begin van onze kamptijd hebben wij zeer veel te danken gehad aan de milicien-matroos-monteur Welcker, die met veel risico voor eigen leven, het kamp herhaalde malen heimelijk verliet, om voor ons voedsel bij elkaar te krijgen”.
Tijdens deze “voedseltochten” kreeg Ed hulp van de lokale bevolking: Ze gaven Ed wat zijzelf hadden.
De bevolking stond sympathiek tegenover de gevangenen. Ed kreeg zelf een fiets om te vluchten. Hij heeft het niet gedaan uit vrees voor represailles tegen zijn ouders.
Ook de wedana was pro-rood/wit/blauw en wilde de Nederlandse driekleur niet strijken. Hiervoor werd hij, zijn vrouw en dochter in hun kippenhok door de Nip opgesloten. Later werden ze door zijn bevolking bevrijd. Het is deze vlag van de wedana die door Sergeant Machinist Soeratman later demonstratief werd verscheurd.

Populaire corveediensten waren:

  1. Water halen want men had dan contact met de buitenwereld en men kon zich bij de put ook wassen
  2. Hout hakken voor de Japanse keuken, waar de mannen af en toe de etensresten van de bewakers kreeg.

Ook melde Topée dat de Indonesiërs onder de krijgsgevangenen opvarenden van Hr. Ms. De Ruyter zich in Kragan bijna allemaal openlijk distantieerden van de Nederlanders. Eerder al waren ze weinig coöperatief geweest toen men probeerde roeiend de kust van Java te bereiken. In het kamp heeft de Inlandse Sergeant Machinist Soeratman duidelijk zijn anti-Nederlandse stemming laten blijken, door de Nederlandse vlag te verscheuren, waarbij de rest van de Inlandse bemanning lachend stond toe te kijken. Twee Inheemse schepelingen deden er niet aan mee: de Inlandse ziekenverpleger Mandalika en de Inlandse Stoker-Olieman Boenandir.
Later werden alle krijgsgevangen van kamp “huis van de wedana” te Kragan per konvooi overgeplaatst naar kamp Jaarmarkt te Surabaya.

Op Hr. Ms. De Ruyter waren ook Amerikaanse seiners gedetacheerd. Zij moesten het contact met de Amerikaanse, Australische en Engelse schepen onderhouden. Een van hen, D.S. Rafalovich, trok altijd met Ed op, ook toen ze van kamp Kragan overgeplaatst werden naar kamp Jaarmarkt in Surabaya.
Uiteindelijk werden zij eind 1943 toch gescheiden: de Amerikanen gingen naar Japan en Ed werd naar Thailand overgeplaatst, waar hij aan de Burmaspoorweg moest werken. Ook deze ellendige periode met de vaak sadistische Jappen heeft Ed Welcker overleefd.

Na de capitulatie van Japan ging Ed in augustus 1945 met een groep van zeven Marine mensen met de KPM terug naar Batavia (Jakarta). Hij werd gestationeerd in Semarang en gedetacheerd aan de haven waar hij patrouillediensten moest onderhouden.

Op 27 februari 1947 trouwde Ed in Semarang met Gusta, Cornelia Frieser en na de bruiloft ging het bruidspaar op huwelijksreis naar Bandung. Een bevriende piloot gaf hen de gelegenheid mee te vliegen.
In die tijd was het bijna onmogelijk om over de weg van Semarang naar Bandung te reizen.
Het bruidspaar was een dag in Bandung toen de MP Ed al kwam ophalen om hem terug te brengen naar Surabaya. Hij moest zich weer melden aan boord van Hr. Ms. Abraham Crijnsen. Men had een Elektromonteur nodig. Ed werd ook bevorderd tot Korporaal Elektromonteur Zee Milicien. Bij zijn weten is hij de enige Marine dienstplichtige die deze rang heeft.

Op 5maart 1948 ging Ed met groot verlof van de Koninklijke Marine waar hij in totaal 12 jaar in heeft gezeten en begon zijn burger carrière bij de Biliton Maatschappij. Ed was toen inmiddels dertig jaar oud.

Het volgende ligt Ed na aan het hart en daarom moet het ook van zijn hart:

  1. In 1997 las Ed in het blad “De Indo” dat uitkomt in Californië dat de Koninklijke Marine in Rotterdam een reünie organiseerde voor de overlevenden van de slag in de Java zee. Persoonlijk heeft hij nooit een uitnodiging ontvangen. Naar aanleiding van wat hij in De Indo heeft gelezen, heeft hij zichzelf aangemeld als een van de overlevenden. Samen met zijn dochter Yvonne is hij er heen gegaan.
  2. Hij ontmoette daar Niek Koppen, de maker van de filmdocumentaire over de slag in de Java zee, die Ed ontweek. Deze documentaire met verhalen van overlevenden door hunzelf verteld is op de Nederlandse TV geweest. Ed is nooit benaderd zijn belevenissen te vertellen. Wel ging het verhaal de ronde dat Ed geen interesse heeft getoond in een interview voor de film.
  3. Als tafelgenoot had hij dhr. Van Zeeland, die tegen Ed zei: “Jullie zijn zo verspreid, het is moeilijk u te vinden”. In die tijd was Ed nog Nederlands Staatsburger en stond als zodanig ingeschreven bij het Consulaat van het Koninkrijk der Nederlanden in Los Angeles. Ed’s Antwoord: “De inspecteur van de belastingen in Nederland heeft mij wel gevonden!” Hierna heeft Ed nooit meer iets van de Koninklijke Marine gehoord. Waarom heeft dhr. Van Zeeland Ed’s relaas voor de Marine verzwegen?
  4. Twee verzoeken om ontslag uit de krijgsdienst voor carrière-opbouw in de burgermaatschappij zijn tot op heden nooit beantwoord. Uiteindelijk, op verzoek van de Biliton Maatschappij, kon Ed de dienst verlaten.
  5. Op de dag dat Ed de dienst ging verlaten werd hem verzocht nog een paar dagen te blijven. Hij bleef maar de reden waarom werd hem pas later duidelijk. Hij werd drie dagen onder quarantaine gesteld. Ed werd door een Marineofficier ondervraagd en beloofde niets over zijn belevenissen te vertellen zoals de positie van de schepen. Is het daarom dat de heren Koppen en van Zeeland hem negeerden?
  6. Verzoek voor WUV voor hem en zijn vrouw zijn negatief beantwoord. Zij hebben beiden nooit een uitkering gekregen.
  7. Ed was als kroongetuige voor Boenandir, die erkend werd als een van de overlevenden van de Slag van de Java zee en nu ook een uitkering van de WUV ontvangt.

 Nawoord: In de knusse huiskamer van Ed en Corrie Welcker in West-Covina heb ik, Benno Apon, dit interview mogen afnemen. Al die jaren hebben bovenstaande 7 punten zwaar op Ed’s borst gedrukt.
Het was voor hem een opluchting dat hij zich bij mij en dus ook bij u, lezer(s) kon luchten.
Zoals hij het zelf zegt: zijn leven is veranderd en persoonlijk ben ik blij dat “De Indo” Ed’s gemoedstand in positieve zin heeft gekeerd.

Benno Apon
Whittier, CA

I was a soldier, or I was a Veteran

Nabestaanden KNIL-militairen naar rechter om backpay

  1. Met uw permissie; een (voor Nederland) aangepaste versie van het
    Amerikaanse “I was a soldier, or I was a veteran”. “I was a soldier,
    or I am a veteran,we put it simple in those four plain words.
    We
    speak them softly, just to ourselves, as others may have forgotten.
    They
    are a pledge, that stems from a document which said
    “I SOLEMNLY SWEAR, to protect and defend, and from a flag called
    “The Red-White-and Blue”. Listen and you can hear voices echoing
    “Follow me”, “Medic”, “Oh God”. If you can’t hear them, you weren’t,
    if you can you WERE. You can hear those echoes, visit a Veterans
    Administration hospital, hear the sound of Taps, and we are
    remembering family and buddies who were at Pasir Poetih, Madoera,
    Djambi, Krawang, Batoedjadar, Dockdja, and many other places,
    long forgotten by others and friends, NOT by us, who remember
    those four simple words, you could carve them in stone”
    Opdat wij hen, die decennia geleden, de belofte
    “To protect and defend” uitvoerden.

    By Robert Beckman Lapre