Archives for February 2016

Indische herinneringen van Clara Elisabeth Chevalier – 1

De Chevalier Familie

De Franse Keizer Napoleon Bonaparte werd op 18 juni 1815 definitief verslagen tijdens de slag bij Waterloo, een Belgisch plaatsje ten noorden van Brussel dat daardoor historische betekenis kreeg.
Het leger sloeg toen op de vlucht. Antoine Cezar Chevalier, edelman en kapitein bij het Franse cavalerie, besloot Frankrijk te verlaten. Per schip zeilde hij met zijn familie naar het zuidoosten en ging maanden later voor anker bij het eiland Nias voor de westkust van Sumatra, het voormalig Nederlands-Indië.

Antoine Cesar Chevalier - Paps

Antoine Cesar Chevalier – Paps

Mams - Jacqueline Chevalier - Beljaars

Mams – Jacqueline Chevalier – Beljaars

Vervolgens besloot de familie Chevalier zich in tweeën op te splitsen; onze stamvader Antoine Cezar Chevalier besloot tot de oversteek naar west Sumatra en lande bij de plaats Sibolga, later de hoofdplaats van de residentie Tapanulie. De rest van de Chevalier familie zeilde door naar het eiland Java, waar een nieuw bestaan werd opgebouwd.
Op 8 maart 1835 is overgrootvader Antoine Cezar Chevalier te Batavia in het huwelijk getreden met de Belgische Coletta Cecillia Romanville Velu waarna zij zich op west Sumatra, Fort de Kock (Bukittinggi) vestigden. Zij kregen 8 kinderen, waar van de jongste Henri Alphons Chevalier mijn opa was.
Opa Henri Alphons Chevalier werd op 24 oktober 1848 te Padang, Sumatra geboren en is in 1884 te Padang Pandjang in het huwelijk getreden met Clara Rozenburg. Opa en oma kregen 11 kinderen, waarvan de drie na oudste, Ceasar Antoine Chevalier, mijn vader is. Pa is met mijn moeder Jacqueline Beljaars op 28 mei 1903 te Padang in het huwelijk getreden en kregen 9 gezonde kinderen. Ik was het 7de kind en ben op 22 maart 1915 geboren.

De oudste broer van opa Henri Alphons Chevalier, Adolf Caesar Chevalier, geboren te Padang in 1839, was in het huwelijk getreden met Helena Elisabeth Lamballais Tessensohn en kregen 8 kinderen.
Dan was er nog een zusje Carolina, die nooit was getrouwd, maar wel jaren gezorgd heeft voor de zoon van haar zus. De zoon was oom Dolf en zijn moeder is in het kraambed overleden en begraven te Padang.
De familie Chevalier had trouwens op de begraafplaats te Padang een groot stuk grond gekocht dat bestemd was als familiegraf.
De familie Chevalier waren trotse afstammelingen van Frankrijk, want alle officiële teksten en ook die op de begraafplaatsen waren in de Franse taal. Alleen onze overgrootvader Antoine Cezar Chevalier en overgrootmoeder Coletta Cecillia Romanville Velu liggen in het familiegraf te Fort de Kock. Onze overgrootvader is trouwens heel oud geworden, namelijk 100 jaren en een paar maanden. En de oude Minangkabauers van Fort de Kock wisten van hem te vertellen dat hij op hoge leeftijd nog te paard reed door de stad.

Mijn vader, Ceasar Antoine Chevalier werkte eerst als Stationschef bij de spoorwegen, maar al in 1912, voordat ik werd geboren, is hij voor zichzelf als ondernemer begonnen.
Hij opende een Garage bedrijf in de Chinese wijk van Padang en was importeur van de Amerikaanse Hudson. Daarnaast was hij ook vendumeester in Padang. Door zijn zakelijke instinct maakte hij goed geld, dat in huizen en stuk land zowel in Padang, Padang Pandjang en Fort de Kock werd omgezet.
Vervolgens kocht paps voor mams het hotel restaurant Belantung, het grootste in Padang.
Bij ons huis aan de slingerlaan hadden wij, behalve garages waarin de auto’s stonden ook stallen met renpaarden.
De hengst King en de merries Rosaline, die vele wedstrijden voor paps heeft gewonnen, Liberty 3, ook een winner, Betsy 4 en moederpaard en haar veulen Wodan. Dan waren er nog 3 karbouwen, 1 stier en 2 koeien en 4 gansen. Deze laatsten dienden als wakers in de nacht. Ook een kippenren met de nodige Red leghorns, krielkippen en de ajam kebirie en andere siersoorten. Enkele hadden van heel mooie lange staarten. Bij de eenden vijver hadden we de Maleise eenden en de Manilla eenden. Deze werden speciaal gefokt voor het gerecht zwart-zuur. Met het zicht op de garage was er ook nog een konijnenhok met konijnen en marmotten.

Bij de opengalerij van de eetkamer was de kooi van de pratende beo. Hij was alleen van de eetkamer te zien en 3 kanten van de kooi waren afgeschermd met zwart leer. Kippen die geslacht werden, blijven lang na spartelen en bloeden en komen dan in de buurt van de kooi. En Beo’s kunnen niet tegen het zien van bloed. Opzij van de verblijven van de bedienden stonden 2 grote duiventillen, waaronder ook de pauwstaarten. Zeker tweemaal per jaar werden jonge duiven geslacht voor duivenpastei.
Onder de grote ramboetanboom was het hok van de grote klapper aap. Feitelijk waren het twee hokken verbonden door een dikke bamboe stam. Om de bamboe zat een metalen ring en daaraan zat een lange ketting waaraan de aap vast zat. Zo kon hij de hele dag van de ene kant naar de ander slingeren.
Als de klappers rijp waren, klom de aap voor ons in de boom om ze te plukken en wat wij fantastisch vonden, was dat hij precies altijd wist welke klappers rijp waren. Oma maakte ook zelf de klapperolie.
Dan waren er nog 2 honden, Jantje en Itor, een zwart witte kat Minet en in een koperen kooi 2 Saksische kanaries. Deze kanaries zongen altijd mee als er piano door ons werd gespeeld.

Velen jaren later, ik was al 12 jaar, werd door een grote brand in de Chinese wijk, zijn hele auto bedrijf en werkplaats in de as gelegd.
Paps kwam helemaal in het verband thuis, zijn hoofd, zijn handen en kleren, maar hij is genezen. Maar littekens aan zijn handen heeft hij tot zijn dood behouden.
Paps was echter maanden uitgeschakeld en de brand heeft zijn zaken een enorme tik gegeven.
Van de 4 auto’s heeft hij de twee Hudsons verkocht en alleen de Fiat en een truck bleven over.
Daarnaast werden de renpaarden, de 3 karbouwen en het pluimvee verkocht.
Ook het personeel kwam aan de beurt. Op een enkele na werd iedereen ontslagen, gedwongen door gebrek aan werk en inkomsten.
Paps stierf vrij jong, op 55 jarige leeftijd, op 19 mei 1937 te Padang Pandjang. Mams heeft daarentegen de oorlog meegemaakt en o.a. bij ons in Bangkinang Jappenkamp doorgebracht. Na de oorlog is ze samen met haar jongste zoon, die beroeps bij de MLD was, en zijn gezin naar de Nederland vertrokken.
Zij kon zich daar echter niet aarden, want haar wortels heeft ze moeten achterlaten.
Op een morgen werd ze door haar kleindochter, Sylvia van Bronckhorst, dochter van mijn overleden zusje Romanville Chevalier en Meindert van Bronckhorst, dood liggend op de grond, in haar kamer van het pension in Katwijk, gevonden. Jacqueline Beljaars, ons moesje, stierf op 11 maart 1951 en ligt ook in Katwijk begraven.

Indische herinneringen van Clara Elisabeth Chevalier – 2

Zaken en Leven in Padang, West Sumatra

Het huis aan de Slingerlaan te Padang, waar ik in 1915 geboren ben, was een heerlijk groot huis. Mijn vader Ceasar Antoine Chevalier heeft dit huis in 1913 gekocht. Daar heb ik ook voor het eerst met mijn broer Rudie, die van het internaat uit Bandung thuis kwam, gedanst.

Church and home of the father

Kerk waar op Zondag met de Hudson naar toe reden

Ook mijn oudste broer Henri, Vent is zijn bijnaam, heeft daar zijn 21ste verjaardag in aanwezigheid van de hele tennisclub, gevierd. En vooral niet vergeten het 25 jarig huwelijks feest van mams en paps met vele vrienden en kennissen.
In 1916 kocht mijn vader ook het grote hotel en restaurant “Belantung”, dat mams ging beheren. Het was een groot complex met veel grond er om heen. De hoofdingang was aan de Belantung straat gelegen en het achter erf grensde aan de Djatilaan. Mijn jongere zus Phil en broertje Deeh zijn ook in die periode geboren. Later verschenen er nog 2 hotels in Padang, hotel Centraal en het Oranje hotel, maar die waren wat kleiner.

De Mulo waar ik op heb gezeten

Hoe mams dat allemaal heeft kunnen regelen, terwijl ze nog beviel van een dochter in 1918 en in 1921 van een zoon is bewonderenswaardig.In 1922 heeft paps het huis aan de Slingerlaan goed kunnen verhuren en zijn wij in een huurhuis aan de Djalan Dalam gaan wonen. Dit huis had aan weerszijden van het hoofdgebouw 2 paviljoens met in elk 2 woongelegenheden met eigen gemakken. Dus groot genoeg voor 4 families. Hierdoor kreeg mams het wat rustiger en kon ze wat op adem komen. Twee jaren later kwam het huis aan de Slingerlaan weer vrij en zijn wij er weer in getrokken. Hier heb ik mijn mooiste jeugd gehad.
Maar toen ik 11 jaar was heb ik daar ook mijn eerste zwarte dag in mijn leven meegemaakt. Oudere zus Colette was op haar 2de jaar al erg ziek en de dokter, die haar behandelde, heeft haar, volgens zeggen, als proefkonijn gebruikt. De injectie methode was toen pas uitgevonden en de dokter kwam iedere dag langs om haar een injectie op de zelfde plaats toe te dienen. Echter toen ze beter was kon ze niet meer lopen. Haar spieren waren beschadigd waardoor van nu af aan altijd iemand haar moest vasthouden en begeleiden bij het lopen. Haar vingers en tenen hadden grote knokkels gekregen en de knieën en elle bogen staken erg uit. Colette kon echter goed leren en ondanks haar krom getrokken vingers schreef ze erg mooi en piano spelen deed ze ook. Mams had er voor gezorgd dat ze altijd een baboe ter beschikking had, die haar met alles hielp zoals baden, aankleden, naar de wc gaan. Naar school werden we met de oude Fiat, bestuurd door Pengoeloeh, gereden. Als hij uit de garage kwam voorrijden stonden wij in de voorgalerij bij de trap op hem te wachten. Pengoeloeh kwam dan de trap op en droeg zusje voorzichtig de trap af om haar vervolgens op de voorbank te zetten.
En als wij het schoolterrein op kwamen rijden, stopte de auto altijd vlak voor de trap van de school.
Dan hielp de chauffeur ons 3 kleintjes eerst uitstappen en vervolgens tilde hij zusje voorzichtig uit de auto en droeg haar de 7 treden van de trap op en naar de galerij. Daar stonden altijd een paar klasgenootjes op haar te wachten en Pengoeloeh gaf haar dan over aan 2 meisjes met de woorden: “Pelahan, pelahan sama none”. Het was iedere dag een goedaardig gevecht welke 2 meisjes haar die dag tussen zich in mochten nemen en haar over de galerij naar haar klas mochten brengen. Als de school uitging stond de auto met Pengoeloeh of de andere chauffeur Sainan weer bij de trap en begon het ritueel, maar dan ander om. Colette was ook de mooiste uit het nest en doordat ze haast nooit buiten kon spelen had ze ook een mooie blanke huid. Ook had ze mooi blauw-zwart golvend lang haar, dat tot haar middel reikte. Colette is in ons huis in Padang aan de Slingerlaan als 16 jarige overleden en ligt begraven in het familiegraf waar ook haar overgrootmoeder Colette Cecile Romanville Velu is begraven.

Een paar dagen later beleefden we een tweede schok, een flinke aardbeving rond 2 uur in de middag.
Wij waren in de kamer en we hoorden mams roepen: “Er uit, allen er uit”. Irene Seithen, een weesmeisje, die bij ons logeerde, was de laatste die ons volgde en net toen zij de trap van 7 treden af wilde gaan veerde het huis weer terug waardoor zij van de bovenste trede naar beneden viel. Echter zonder zich te verwonden. Mams was toen bijna verpletterd door een grote glazenkast, die dreigde om te vallen, maar gelukkig terug veerde. Voor onze poort op straat reed net een sado, en paard met wagen vielen omver. Zusje is dus op tijd heen gegaan en deze tijd is mij mijn hele leven bij gebleven.

Ik was 14 jaar toen wij weer gingen verhuizen en dit keer naar de Goeroen Ketjilstraat 1, de straat waar ook de scholen aan lagen. Wie liepen alleen de straat uit om op school te zijn en ik zat toen in de 1ste Mulo.
Paps had weer gezorgd voor een groot huis, want ook hier hadden we pensiongasten, twee werkende vrouwen, namelijk Rawa en mevrouw De Scheenmaker met haar zoon en een jong stel van de KPN.
Hierna zijn wij weer verhuisd naar een huis in dezelfde straat op nummer 13. Dit was een grote woning met een paviljoen met 2 kamers, dat verhuurd werd aan 2 gasten, 2 musici, die piano en cello bespeelden. Het erf was hier veel grote en onze paarden konden weer op stal bij ons zijn. Ook was paps nog venduhouder en had parkeerruimte nodig voor 2 vrachtauto’s, de oude Fiat en Hudson.
Paps ging, na de grote brand in de Chinese wijk en het verlies van zijn garage bedrijf het wat rustiger doen.
Schuin tegenover was de meisjes MULO en ik was in mijn laatste jaar.

Indische herinneringen van Clara Elisabeth Chevalier – 3

Het goede leven in Padang en omgeving van Sumatra

Naast ons mooie huis in Padang aan de Slingerlaan hadden mams en paps ook nog 2 huizen in Padang Pandjang, die in de straat gelegen waren tegenover de resident en naast de katholieke kerk.

Clair Elisabeth Geenen-Chevalier

Clair Elisabeth Geenen-Chevalier

Aan de straat Goegoe Melintang woonden toen ook onze opa Henri Alphons Chevalier en oma Clara Chevalier-Rozenburg. Tegenover hun woonde een zus van paps, tante Ciel die getrouwd was met oom Bram Israel. Een van de huizen van paps diende als een vakantiehuis.
En het waren vakanties om nooit te vergeten.
Ik zat nog op de lagere school en wij kleintjes mochten vaak een vriendje of vriendinnetje meevragen en dan gingen we met de 2 grote 7 zits Hudsons erheen. Een vriend van paps, Chatellin, oom Dollie voor ons, ging vaak ook mee. Hij kon heel goed viool spelen. Ook vrienden van de grote jongens gingen wel eens mee, zoals Arie Snackey, die goed gitaar kon spelen. De buurman, meneer Simon en zijn vrouw, die hadden het andere huis van paps gehuurd, kwamen ook en dan werd er krontjong en Hawaii muziek gemaakt en gezongen. Er werd sate geroosterd en mevrouw Simon heeft toen sate pentul gemaakt. Dit laatste is fijn gehakt rundvlees gemengd met kruiden, dat wordt geknepen om een sate stok en zo geroosterd.

Overdag gingen we vaak zwemmen in het zwembad Lubuk Ajer Minburun vaak in de volksmond ook Lubuk Mata Kutjing genoemd. Het boven bad was rechthoekig van vorm en tegen de bergwand aangebouwd. In dit water zwommen grote goudvissen.

In het midden van de zijkant is een afvoer gat gemaakt dan voorzien was van gaas ter voorkoming dat de vissen ook afgevoerd werden. Dit zuivere bronwater van de bergen stroomde dan in het beneden gelegen grote zwembad met een ondiep kikkerbad gedeelte voor de kleintjes en een diep gedeelte met duikplank voor de ervaren zwemmers. Later werd ook een afvoer van de bovenzijde naar het zwembad gebouwd. Wij Chevaliers hadden vrij toegang, want onze opa Henri Alphons Chevalier heeft het hele zwemcomplex, ook voor de vissen, gebouwd.

Brug over de Anai kloof

Brug over de Anai kloof

Padang Pandjang stond bekend om zijn sate Padang (gele warme saus) en goeleh toendjang. Dit laatste was een gerecht van jonge bamboe loten en een soort zeen van de poten van de koe. Een heel bewerkelijk gerecht en werd gekookt in grote aarden potten. In die potten werd het ook naar de pasar gebracht. En dat werd alleen met witte rijst gegeten, een waar goden gerecht. Als de vakantie er opzat en wij weer naar Padang terug moesten, werd er eerst gestopt bij de pasar om de sate en de goeleh toendjang te kopen, met rijst en ketoepat en dan gingen de 2 grote auto’s de helling af naar ajer mantjoer, de grote waterval.
Deze rit duurde ongeveer 20 minuten van Padang Pandjang. Daar wordt meestal gestopt om te picknicken. Na een goed uur van onbezorgd genieten stapten mij met goed gevulde maagden weer op en reden de auto’s naar de laagvlakte, de warmte tegemoet.

Voor korte vakanties gingen wij soms naar Loeboek Selassie en sliepen een paar nachten in de Pasang Grahaan, een logeerhuis. Deze locatie was ten zuidoosten van Padang op de Boekit Barisan. De Boekit Barisan is het gebergte dan van het noorden over heel Sumatra naar het zuiden loopt, van Atjeh in het noorden tot Lampong in het zuiden. In dit keten van het gebergte waren diverse vulkanen die tot uitbarsting komen. Van het noorden naar het zuiden zijn het de Merapi, de Singabang, Korintji, de Soembing en de Dempoh.
Voor de 2 grote Hudson auto’s was het een zware rit door bergterrein en meestal werd er door paps en de chauffeurs om in de Pri te rijden. Dat was in de eerste versnelling en beide auto’s kropen de helling op. De bevolking was erg vriendelijk en waar je ook stopte kreeg je koppie toebroek aangeboden. Het was in de bergen op die hoogte ook koud.

Een uur rijden van Padang richting Padang Pandjang over het Bandjir kanaal hadden wij ook nog een groot stuk land waar vele klapper- en mangabomen op stonden. Op het land stond ook een klein huisje en paps ging het eens in de maand inspecteren. Tegelijk werd er van die dag een picknick dag van gemaakt. Ook hierbij mochten we vriendjes meenemen. Manden met eten, meestal lontong en roedjak werden meegenomen en werd dat dan aan de kant van de grote rivier gegeten.
Even voorbij het Bandjir kanaal sloegen wij een zijweg in, gaan over een brug en niet ver daar vandaan was onze picknick plaats aan de Loeboek Mintoeroen. Hier was een grasveld onder hoge bomen en kon je ook heerlijk zwemmen, daarna lekker eten en luieren.
Tegen een uur of 4 stapten we op en reden de weg af om na een paar km bij het grote stuk grond met vruchtbomen aan te komen.
Paps controleerde dan het perceel en nam met de djaga (oppasser) de stand van zaken op. Wij kinderen gingen dan op vruchten jacht, want er waren altijd wel verschillende djamboe soorten rijp of manga en tjempedah.

Indische herinneringen van Clara Elisabeth Chevalier – 4

Ons huis aan de Slingerlaan in Padang

Ons huis aan de Slingerlaan in Padang was voor die tijd heel groot en voorzien van 6 grote kamers.
Velen van ons zijn daar ook geboren.
In de jongens kamer stonden 4 eenpersoon bedden, 2 grote kleren kasten, een schrijftafel en 4 stoelen.
In de meisjes kamer 3 grote bedden en een grote 5 delige spiegelkast, een dekenkist onder het raam, een kaptafel met 3 spiegels en 4 stoelen. Mams en paps kamer was de grootste. Daar stonden een groot 2 persoon bed, een drie delige spiegelkast, een grote commode met een brede spiegel en onder het raam een grote dekenkist. Ook stonden er 4 mooie houten stoelen met tafel, een grote- stolp en handwerkmand en ook een nachtstilletje.
De andere logeerkamers waren net zo groot als van de kinderen.

Moeder met Ronny, haar oudste

Moeder met Ronny, haar oudste

De voor -, binnen – en achtergalerij waren even groot en hadden de breedte van het huis. Een brede gang liep door het midden van het huis en in de voorgalerij waren nog 2 dubbele deuren en voor deze deuren hingen zware portieres aan koperen roeden, evenals bij de binnengalerij en de gang naar de eetgalerij.
Mam had heel veel planten over de hele breedte van de voorgalerij en paps had voor haar een balustrade gemaakt waarop grote porseleinen potten stonden met verschillende soorten chuvelures, van de mooie grote pauwen staarten tot de kleinste speldenknoppen. Ja, zelf geelgroene Japanse chuvelures. Op het eerste gezicht leken ze op elkaar, maar bij nadere beschouwing ontdek je, dat de lepels een andere kleur hadden, of de meeldraden en de kleuren varieerden van wit, crème, lila, paars, blauw-paars en roze.

Zelf had ik een rode tros orchideeën en die is zeldzaam. Ik had ze allemaal voor het huis in de grond geplant, immers het waren aard orchideeën.

Orchide

Orchide

Mams had echter ook boom orchideeën, die ze zelf op korte stokken (arm dik) omwonden met klapperbast vezels, (saboet klapper) oude aarde en tussen de wortels van de boom orchideeën bevestigd. Dit was een heel werk. Deze orchideeën hingen allemaal onder de grote djeroek balie boom in de schaduw en ze bloeiden daar prachtig in wit, roze, lila, geel en rood (de angre boelan).
Bij tijden verkocht mams ze voor bruiloften of bals. Ik heb ze ook op avondjurken gedragen, als corsage met dat fijne asparagus groen. Als ik tegen de ochtend thuis kwam van het bal, dan was het de corsage voorzichtig losmaken en in een kom fris water met wat ijs leggen, want dan blijven de bloemen zeker nog een week goed.
Die boom orchideeën werden iedere dag tegen de avond met de wortels goed nat gehouden.

Onder de balustrade had ze cementen bakken met bloeiende begonia’s, asters, enz.
In de driehoek voor het huis stond een betonnen platje en daarop een ijzeren tafel, een brede bank en witte stoelen, alles van hout en ijzer. Hier was iedere middag ons thee uurtje, om 4 uur kwam dan de hele familie tezamen. Voor ons kinderen was het iedere dag weer een verassing wat voor lekkers wij bij de thee kregen. Het varieerde van pisang goreng, kwee lapies, kwee talam, boerboer, sepoeloet itam, kwee mangkok, ondeh ondeh, goreng oebi, enz, enz. Iedere dag wat anders.
Als ik nu terug kijkt, hadden we het toch maar erg goed en waren wij goed verwend. Alles vonden we gewoon, wij wisten niet beter.
In de regentijd werd de thee in de eetgalerij gehouden. De driehoek in de voortuin werd gevormd door cementen bloempotten, gemaakt en gegoten door paps en daarin stonden allemaal aard orchideeën, in verschillende kleuren. Deze liefde heb ik van mams geërfd en mams van grootmoeder, want in mijn huwelijk in Sawahlunto, had ik ook een verzameling aard orchideeën.