Kunaicho: verschrikking voor iedere journalist

Koninklijk Huis-verslaggever Antoin Peeters over wat hem opvalt in het nieuws.

Laat ik het eens hebben over de Kunaicho, het Agentschap van de Keizerlijke Hofhouding. Ik moet het even van me afschrijven namelijk. Het is de grootste verschrikking voor iedere journalist. De meeste collega’s zullen er hoogstwaarschijnlijk nooit iets mee te maken krijgen en mijn advies luidt: houden zo! Ik ben er na twee dagen Japan volledig klaar mee en zelfs de meegereisde medewerkers van de RVD liggen inmiddels aan de beademing.

“Ik ben inmiddels drie keer op het terrein geweest van de keizer, het is voor een journalist zo ongeveer de hel op aarde.” 

Echt, ik ben als Koninklijk Huis-verslaggever best wat gewend. Regeltjes, pasjes, persvakken, dit kan niet, dat kan niet: het is ‘part of the job’. Er is altijd wel een beetje ‘strijd’ met de Rijksvoorlichtingsdienst, maar vergeleken met de Kunaicho zijn RVD’ers je allerbeste vrienden. We waren er ook al voor gewaarschuwd. Het agentschap van de keizer is oppermachtig en berucht. Zij zijn er om de eeuwenoude keizerlijke tradities in stand te houden en dat gaat ten koste van alles. Zelfs de keizer is ondergeschikt aan de Kunaicho. Het instituut is het allerbelangrijkste en wie dat vertegenwoordigt is niet zo relevant, als het maar een man is in de keizerlijke lijn van troonopvolgers.

Ik ben inmiddels drie keer op het terrein geweest van de keizer, het is voor een journalist zo ongeveer de hel op aarde. Overal lopen mannetjes in zwarte, slecht zittende pakken. Ze lopen met pakken papier en plattegronden en doen erg druk met druk doen. We staan op lijsten, dan weer niet, krijgen pasjes en gekleurde lintjes. Er zit voor ons totaal geen logica in en voor de medewerkers van het agentschap, 1050 (!) man sterk, eigenlijk ook niet. We mogen vrijwel niets – alleen ademhalen mag nog net. Een slokje water drinken? “Sorry sir, that’s not allowed.” En maar blijven lachen en buigen. We worden van hot naar her gestuurd en elke keer als we bij een nieuw persvak aankomen, zijn we óf te laat óf staan er tweehonderd Japanse journalisten in de weg. Die snappen het kennelijk wel.

Twee collega’s van de NOS die ontbreken op een nieuw, vaag namenlijstje, worden letterlijk opgesloten in een kantoortje, wel met koffie en vage hapjes overigens. Een mannetje wordt voor de deur gezet om ze te bewaken. Als de welkomstceremonie begint, word ik ineens naar de uitgang gedirigeerd. Ik probeer nog duidelijk te maken dat ik daar elf uur voor in een vliegtuig heb gezeten, maar het heeft geen zin. Terwijl het Wilhelmus klinkt, mag ik vertrekken. “Sorry, thank you!” Want tja, ik was op dat moment nou eenmaal ‘geel’, en ‘geel’ mag alleen de aankomst zien. ‘Rood’ is voor de ceremonie. Had ik maar ‘rood’ én ‘geel’ moeten hebben, of ‘groen’. Helder toch?

“Ik mag kijken naar de keizer die een hand geeft aan onze koning. Maar o wee als ik daar een foto van maak.”

Ik heb nog nooit zo veel journalisten zien ontploffen. Collega Marc van der Linden wordt witheet als een mannetje vertelt dat hij te laat is voor het persvak in de eetzaal. De reden van onze late aankomst is dat een ander mannetje ons een uur zoet houdt met een niet gevraagde rondleiding door de catacomben van het paleis (zie onderstaande foto). Radio-collega Menno Reemeijer vliegt er bijna eentje aan als hem duidelijk wordt gemaakt dat hij zijn microfoon niet mag aansluiten. Waarom niet? Van radioverslaggevers heeft de Kunachio nog nooit gehoord. Astrid Kersseboom doet nog een verwoede poging om een ‘stand-upper’ bij de hoofdingang op te nemen. Kansloos. De RVD’ers doen intussen wat ze kunnen. “You’re not flexible”, roepen ze naar hun Japanse collega’s. Maar het helpt allemaal geen snars.

Het agentschap leeft in de prehistorie. Ik ben in hun ogen geen tv-verslaggever die – zoals het normaal gaat – met zijn cameraman verhaaltjes maakt. Normaal ben je een team, in Japan leven wij gescheiden van elkaar. Mijn cameraman Peter wordt constant bij me vandaan getrokken en naar andere plekken gebracht. En ik? Ik ben gepromoveerd tot  ‘pen-journalist’. Ik behoor me op te stellen in rijen van drie en mag alleen een pen vasthouden, wat mijn Japanse collega’s dan ook keurig doen. Vervolgens mag ik kijken naar de keizer die een hand geeft aan onze koning. Maar o wee als ik daar een foto van maak. Dan is er direct dikke stress. Ik besluit het toch te doen, denkend aan al die enge Japanse vechtsporten. Maar ik ga ervoor, leve de persvrijheid! Dan maar de martelkamer!  Er komen vijf mannetjes om me heen staan. Ze raken me niet aan, maar werpen enkel een truttig blaadje voor de lens van mijn smartphone. Ze doen druk, maar verder gebeurt er niets. Het voelt als een overwinning. Dat een journalist in 2014 met tablets en iPhones werkt en daarmee zelfs foto’s maakt, is binnen de keizerlijke muren nog niet doorgedrongen.

“Ik wil hier weg, het opengaan van de keizerlijke poort voelt als een bevrijding. Wegwezen hier.”

Heel erg professioneel komt het allemaal ook niet over. Als ik kennelijk weer met een verkeerd kleurtje meeloop, word ik direct teruggestuurd. Vervolgens loop ik met twee collega’s moederziel door de donkere gangen van het paleis. Niemand te zien, ik kan alle kanten op. Gelukkig vinden we de uitgang, snel naar de bus. Ik wil hier weg, het opengaan van de keizerlijke poort voelt als een bevrijding. Wegwezen hier. Mocht de keizer ooit nog naar Nederland komen, dan reken ik op zoete wraak van de RVD!

Japanse gastvrijheid? Misschien voor de koning en koningin. Ik wil er niks meer mee te maken hebben!

 

Speak Your Mind

*