What is an Indo and who is an Indo?

Eurasians!

We Indo people or Indos, Dutch Indonesians, Indo-Dutch, or Dutch-Indos consist of Europeans, Asians, and persons of mixed European–Asian origin and we Indo people have been part and experienced the colonial culture of the former Dutch East Indies.
In general Indos or Eurasians are a mixed of Dutch and Indonesian descent.
To differentiate us Eurasians from the Totoks, the white Dutch people, we got the name Indos because of our European and Indonesian parentage and intermarriages over many centuries.
I am a “full blooded” Indo, both my parents are Indo, my grandparents and their grandparents and their parents were Indo and that up to at least the sixth generation. Before that I have great-great-great-grand parents who came from The Netherlands, France, Portugal and they integrated with Sumatrans, people from Java and Molukken.
Continue reading

Militair Tehuis Bronbeek

| Video | Defensie.nl

Militair tehuis Bronbeek

Deze film gaat over het leven in het Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum Bronbeek in Arnhem. Het tehuis biedt ouderenzorg aan oud-militairen (veteranen) van de Nederlandse krijgsmacht en het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Het Mediacentrum Defensie won met deze film de eerste prijs op het 24e International Defence Film Festival in Bracciano in Italië.

De film is ingesproken in het Engels.
https://www.defensie.nl/actueel/videos/2014/11/18/militair-tehuis-bronbeek

Film News

http://BoudieRijksschroeff.nl
BOUDIE RIJKSSCHROEFF
A must see film Www.theamerindodream.com

The Hague Film Club (HAF) have given the documentary film www.theamerindodream.com in a competition the first price. The next round will be at a regional level. This will take place in the month of April 2017. Around 35 documentary movies will compete for a top spot.
But do not wait and watch the movie on your computer. Many of you will recognize your own experiences.
In the meantime you can also watch the movie made by Boudie Rijksschoeff called www.spijtoptanten.nl
This movie last about 30 minutes and has won the 1st price as a documentary movie last year 2016.

KNIL soldaat Rudy Uijleman Anthonijs

Het echte gebeuren:
http://myindoworld.com/de-overleving-van-knil-soldaat-rudy-uijleman-anthonijs/

Familie Uijleman Anthonijs met in het midden staande Rudy en rechts Meity Ungerer

Proloog:
Nog niet zo lang geleden vertelde ik Meity Ungerer en haar echtgenoot Daniel Ungerer over het liefde werk van luitenant kolonel b.d. Jacq. Z. Brijl, die alsnog een verdiende onderscheiding kan regelen voor hun overleden familielid, zijnde vader, oom en/of broer. Mijn nicht Meity Ungerer, haar moeder is een zus van mijn vader Eddie Geenen, vertelde mij toen het relaas van een van haar broers, Rudy Uijleman Anthonijs. Zij bleken alle benodigde informatie en een interview op papier in hun bezit te hebben. Rudy was een van de slachtoffers, waar nooit aandacht was besteed. Hij heeft o.a. de grootste scheepsramp, Japanse Junyo Maru, overleefd. Voordien ook de Molukken transporten.
Dezelfde dag heb ik een email met alle benodigde gegevens aan de heer Jacq. Brijl verzonden en binnen de kortste tijd kreeg ik een positief antwoord. En dit in een periode dat de heer Jacq brijl met enorme pijn, niet kon lopen en zelf medische hulp nodig had. Een paar weken geleden kreeg ik een telefoon van de Ungerer’s dat ze via de aangetekende post uit Nederland van het ministerie van Defensie een grote enveloppe hadden ontvangen, t.w. het Mobilisatie- Oorlogskruis, het Ereteken voor “Orde & Vrede” en het Demob. Insigne KNIL.

Rudy Uijleman Anthonijs:
Hij werd geboren op 21 oktober 1923 te Sawah Lunto, Sumatra geboren.
Hij werd op 12 december 1941 opgeroepen voor militaire dienst en ingedeeld bij het 1ste Infanterie Bataljon te Bandung, Java.
Hij werd op 8 maart 1942 krijgsgevangen op Cimahi, Java.
Hij werd op 25 april 1943 via Surabaya ingescheept naar Timor waar hij onder erbarmelijke omstandigheden en wrede Jappen slavenwerk moest verrichten bij de aanleg van vliegvelden.
Hij werd ruim een jaar later op transport gezet naar gevangenkamp Makassar buiten Batavia.
Hij werd uitverkoren om te voet en onder Japanse bewaking naar Tandjong Priok te gaan.
Hij werd op 12 september 1944 ingescheept en in een ruim gestopt van hellschip Junyo Maru voor transport naar de westkust van Sumatra.
Hij geraakte op 15 september 1944 in de baai van Benkoelen te water. Dit nadat de Junyo Maru door 2 torpedo’s van de onderzeeboot Tradewind was getroffen en zonk.
Hij werd na 3 dagen in zee te hebben rondgezwommen en hangend aan balken en lijken op 18 september 1944 opgepikt door een Japanse torpedojager.
Hij werd op 19 september 1944 in Emmahaven, Sumatra, van boord gehaald en per vrachtwagen vervoerd naar het militair hospitaal in Padang.
Hij werd een maand later naar Pakan Baru getransporteerd en aan het werk gezet bij de bouw van de beruchte 220 km lange dodenspoor dwars door moerasoerwoud en bergen.
Hij werd na de Japanse capitulatie bij het KNIL Infanterie Bewakingspeloton te Bangkinang ingelijfd.
Hij werd eind oktober 1945 overgeplaatst naar Padang.
Hij werd in januari 1946 op transport naar Batavia gezet en ingedeeld bij de 1ste depot te Djaga Monjet peloton onderdeel mitrailleur afdeling.
Hij werd overgeplaatst naar de Pau – Pel, B Divisie.
Hij werd overgeplaatst naar de Staf B. Divisie met toestemming opzending naar Nederland.
Hij heeft in 1946 en 1947 als militair deelgenomen aan de acties Pasar Minggoe, Depok, Tangerang, Balaradja, en omgeving Tjiandeer.
Hij heeft ook deelgenomen aan de politionele acties te Pekalongan, Pemalang, en omgeving Tegal gedurende periode 21 juli tot 4 augustus 1947.
Hij werd op 27 maart 1948 per m.s. Sloterdijk op transport naar Nederland gezet.
Hij werd in Nederland eervol ontslagen en op 22 april 1948 met groot verlof gezonden.

De overleving van KNIL soldaat Rudy Uijleman Anthonijs

Rudy Uijleman Anthonijs

Rudy Uijleman Anthonijs werd op 21 oktober 1923 te Sawah Lunto op West Sumatra geboren.
Door de dreigende oorlog werd ook Rudy opgeroepen en op 12 december 1941 trad hij in dienst bij het 1ste Infanterie Bataljon te Bandung. Na de aanslag op Pearl Harbor vielen de Jappen ook het voormalig Nederlands-Indië in januari 1941 binnen. Op 8 maart 1942 was de capitulatie van Bandung en omgeving een feit en Rudy Uijleman Anthonijs werd krijgsgevangene te Cimahi, Java.
Op 25 april 1943 werden duizenden Nederlanders, inclusief mijn persoon en Britse krijgsgevangenen in vijf schepen van Java naar de Zuid-Molukken en Timor overgebracht voor de aanleg van Japanse vliegvelden bij Liang op Ambon, Palao op Haroekoe, Amahei op Ceram en Maamere op Timor.
Met inbegrip van Britse gevangenen waren er totaal 6300 krijgsgevangenen. Door uiterst onmenselijk optreden van de Jappen werd dit Molukken transport en dwangarbeid bij de vliegvelden een groot drama. November 1943 zijn er van de krijgsgevangenen nog maar 2874 in leven. In totaal zijn 3426 krijgsgevangenen omgekomen door ziekte, uitputting of executie. Na voltooiing van het vliegveld bij Amahei werd de Ceram-groep in oktober 1943 overgebracht naar Haroekoe en samengevoegd met de Palao-groep. Toen ook het vliegveld van Palao in november 1943 klaar was, volgde vanaf begin december een reeks geallieerde luchtaanvallen waarbij onder de krijgsgevangenen slachtoffers vielen. De gecombineerde Ceram- en Haroekoe-groepen werden van november 1943 tot juli 1944 in fasen naar Ambon overgebracht, waar ze bij het vliegveld Liang en in enkele andere kampen (Roemahtigah, Waiame en Laha) werden ondergebracht. Eind november 1943 vertrok het eerste transport terug naar Java, bestaande uit ruim 1.100 zieken uit alle drie de groepen, verdeeld over twee schepen. Eén van de twee schepen werd onderweg door een Amerikaanse onderzeeboot getorpedeerd, waardoor alle 539 opvarende krijgsgevangenen om het leven kwamen. Op het andere schip stierven onderweg meer dan 100 man, zodat het transport bij aankomst in Surabaya slechts ongeveer 500 overlevenden telde.
In augustus en september 1944 vertrokken nog drie groepen naar Java. Van deze transporten kwamen omstreeks 380 gevangenen om het leven, o.a. doordat opnieuw een van de schepen door een Amerikaanse vliegtuig tot zinken werd gebracht. Begin oktober 1944 ging de laatste groep, waarbij ik hoorde, van ongeveer 450 man op weg naar Java, maar na een reis vol hindernissen strandden we op Celebes.
In een geïmproviseerd kamp op het eiland Moena in Zuidoost-Celebes stierven maar liefst 174 krijgsgevangenen door de slechte behandeling, geallieerde luchtaanvallen, honger, ziekte en uitputting. Na ruim een jaar moeten werken aan de aanleg van een vliegveld, werden we op transport gezet naar gevangenkamp “Makassar” buiten Batavia.

Nauwelijks bekomen van de ellende aldaar, werd ik voor de zoveelste keer uitgezocht om op transport te worden gesteld en met mij vele anderen.
Ook in de kampen heerste corruptie! Het waren steeds dezelfde die weg moesten. De afstand naar de haven Tandjong Priok werd te voet afgelegd. Het weinige dat je bezat, een etenspan plus lepel, een gehavend uniform ( van een dode geërfd) vormde geen belemmering wat gewicht betreft. Dit was anders voor diegenen die voor het eerst opstap gingen en alles meesjouwden wat ze maar konden dragen. Een half uur later waren de meesten een groot deel van hun spullen kwijt; onderweg achter gelaten, te zwaar om nog verder mee te nemen. Achterom ziende kon ik in de verte groepjes Indonesiërs waarnemen, die al kibbelend, zich over de spullen ontfermden.

Junyo Maru

Ruim een uur later kwamen wij in de haven aan. Het schip waar wij op moesten had de naam Junyo Maru. Met veel gevloek en geschop werden wij de loopplanken opgejaagd en toen wij aan dek waren moesten wij de ruimen in. Daar beneden stonden houten stellages langs de wanden en aan weerszijden van het midden was een houten verhoging aangebracht van twee verdiepingen waar Indonesische jongens als sardientjes in blik waren ondergebracht. Wij, krijgsgevangenen, dienden maar zelf een plaats te zoeken op een van de stellages. Spoedig was het ruim overvol. Je had geen ligplaats, daarvoor waren wij met te veel mensen opeen gepakt. Het enige wat je kon doen was zitten en afwachten. Boven je hoofd het gebonkt van kisten en balen goederen die op het dek werden gestapeld, geschreeuw in het Japans en het geratel van lieren.

Volgepakte ruimen met Japanse krijgsgevangenen

De hitte in het ruim was drukkend en de lucht zweterig en muf. Het gekakel van de romusha’s en het gedempte gepraat van de gevangenen deed me denken aan een verstoor bijennest. Ik voelde me rusteloos en vroeg me af waarheen wij weer zouden worden vervoerd. Ik dacht aan de vrienden die achter waren gebleven. Schertsend had ik hen voorspeld dat ik naakt in mijn geboorteland zou arriveren. Het eiland Sumatra. Het is nog uitgekomen ook!
Enige tijd later begon het schip te trillen, het teken van vertrek (12 september 1944). Een paar uur later deinde de boot op volle zee. Ik weet niet meer hoe lang wij destijds voeren, voordat het schip werd getorpedeerd. Wel weet ik nog, dat het in de middag was en dat het schip noordwaarts koerste.
Plotseling een daverende klap ergens in het voorschip. Wij keken elkaar aan. Op het dek, waar de rest van de gevangenen was ondergebracht, riep iemand dat er een ontploffing in de machinekamer had voorgedaan. Ik geloofde er niet in en wrong me tussen de anderen door naar het open luik waar de ladder stond. Ik plaatste mijn voet op de onderste sport en wilde net naar boven klauteren toen er een dreunende klap volgde en een waterzuil omhoog spoot. Tien seconden later lag ik in zee. In die paar seconden zag ik gestalten door de lucht vliegen, mensen aan dek overboord slaan en de boot langzaam achterover hellen. “Getorpedeerd!” Die gedachte flitste door me heen. Zo snel mogelijk weg wezen om buiten de draaikolk van het zinkende schip te komen en niet naar de zeebodem meegezogen te worden.

Onerzeeboot HMS Tradewind

(Op 15 september 1944 werd de Junyo Maru door de Britse onderzeeër HMS Tradewind ontdekt. De gezagvoerder Maydon had door zijn periscoop de Japanse vlag gezien. Hij naderde tot 1750 meter afstand en vuurde om 15.53 uur vier torpedo’s af. Twee ervan troffen doel. De Junyo Maru zonk in 20 minuten op 30 zeemijlen van de Sumatraanse kust.)
Binnen 10 minuten was het gebeurd. Ik zag nog hoe vanaf het achterdek tientallen mensen omlaag stortten en met het schip in de golven verdwenen en daarna de grote massa vanaf het voordek. Overal om me heen dreven doden in het rond en vele gewonden. Ik zelf had ook een paar wonden op armen en benen; waarschijnlijk getroffen door rondvliegende splinters. Ik ontdekte Japanners die met zwemvesten om rondzwommen en op fluitjes bliezen. Op deze wijze konden ze met elkaar in contact blijven. Zij waren natuurlijk de eersten die door een korvet van de Japanse marine werden opgepikt en wat later een beperkt aantal gevangenen die dicht in de buurt rondzwommen aan boord genomen. De rest werd met bajonetten weggeslagen. Even later stoomde het korvet weg. Ik had al zwemmend de afstand tussen het zinkende schip en mij zelf vergroot, omdat ik niet de minste behoefte had door een Japanse boot te worden opgepikt. Mijn hoop was gevestigd op redding door een geallieerd schip (een kinderlijke gedachte). Om het moreel hoog te houden riepen we elkaar toe kalm te blijven en ons drijvende te houden door aan wrakstukken te gaan hangen.
Velen konden niet zwemmen, vooral onder de ouderen. Ik weet zelf niet meer hoeveel van hen ik aan planken en stukken balk heb geholpen, waaraan zij hangen konden. Ik had, met mijn 20 jaren, nog voldoende energie. Na de bevrijding kreeg ik van kennissen te horen, dat verscheidene gevangenen naar mij op zoek waren gegaan omdat ik hen van de verdrinkingsdood had gered. Toen ben ik ondergedoken.
Wel is mij bekend dat enkelen van hen naar Amerika zijn geëmigreerd.

De eerste avond en nacht werden half slapend, zwemmend en hangend aan balken of lijken, doorgebracht. De zee was gelukkig kalm. De volgende ochtend ontdekte ik op enige afstand een vlot of raft, een geval van 1 meter in het vierkant, waaraan lussen van touw waren bevestigd. Vijf personen zaten er op. Ik zwom er heen. Mijn schamele kleren waren door het zoute water in de afgelopen nacht afgeweekt. Het enige dat ik nog bezat was een stuk halsdoek dat om mijn nek hing. Ik klom op het en liet, zoals de anderen mijn benen in het water bengelen. Naast mij zat een man van ongeveer 45 jaar, een volbloed Nederlander, de vier anderen waren jonger. De jongste was een Indonesiër van een jaar of dertien: Soekarno’s werkkracht in Japanse dienst (romusha). De man van middelbare leeftijd wilde mij zijn trouwring geven om die t.z.t. aan zijn vrouw te overhandigen. Hij noemde mij zijn naam. Ik weigerde de ring aan te nemen, omdat wij er geen van beiden zeker van waren levend aan land te komen. In de verte kon ik een dunne lijn waarnemen: de Sumatraanse kust; veel te ver om er heen te zwemmen, vooral door de draaiende golfstroom die zich zeewaarts bewoog.
Een blik scheepsbeschuit dat met de stroom kwam aandrijven werd nagezwommen en op het vlot gebracht. Even later dook ik achter een slof sigaretten aan (waarvoor…?) Het gezelschap op het vlot was weinig spraakzaam. Een ieder was met zijn eigen gedachten bezig en ik hoopte nog steeds door een geallieerd schip te worden opgepikt.
Het was bloedheet op het water. De zon brandde je huid stuk en het zoute water beet in de opgedane verwondingen. Beurtelings lieten wij ons in het water zakken dat koel aanvoelde om zo wat verlichting te krijgen, anders droogde je volkomen uit. De dorst werd steeds erger. De zon stond hoog aan de hemel. Je hoofd deed pijn. Je voelde je slap. Nadrukkelijk waarschuwde ik mijn lotgenoten niet van het zeewater te drinken. Het zou de dorst maar verergeren. Ik zag geen lijken meer, die waren verdwenen. Op enige afstand dartelden scholen dolfijnen, een geruststellend gevoel, want waar zij zich ophouden zijn geen haaien te bekennen. Af en toe kreeg ik een prik tussen de dijen wanneer een naaldvis in volle vaart tegen mijn kruis opbotste. De gehele dag keken we uit naar schepen die zich echter niet lieten zien. In de loop van de middag begonnen de anderen zeewater te drinken, uitgezonderd de Indonesische jongen en ik. Ik foeterde hen uit want van mijn vader wist ik dat een mens er gek van kon worden. Ze waren te apathisch om naar mij te luisteren.
Tegen de avond begon de ellende. Overgeven, maagkrampen, opnieuw drinken en weer overgeven. Tenslotte begonnen twee raar te doen. De ene wilde op de motorfiets naar Batavia toe en stapte zo het water in. Ik sprong hem na en slaagde erin hem op het vlot te krijgen. Ondertussen was de andere met veel misbaar het water ingedoken. “Ik ga naar huis, ja naar huis!” Hij schreeuwde het uit.
Ik kon nog maar nauwelijks een meter of vijf voor mij uit zien. De golfstroom waarin hij was geraakt verwijderde hem hoe langer hoe verder van het vlot en de sufferd zwom met de stroom mee ook. Hier kon ik echt niets meer doen. Ik was trouwens te slap om nog wat te kunnen uitrichten.

Een tijdje later werd het stikdonker. De hemel zag er zwart uit en er was geen ster te bekennen. Er stak een stevige bries op. Een zware storm was in aantocht. De hemel zag er zwart uit en er was geen ster te bekennen. Er stak een stevige bries op. Een zware storm was in aantocht. Het vlot begon te deinen en we moesten ons aan de lussen vastklampen om niet van het vlot te geraken. ( de Golf van Benkoelen is er berucht om: in een paar uur tijd kan het mooie weer omslaan in een hevige storm).
Toen brak de hel in alle hevigheid los. Huizenhoge golven, bliksem en donderslagen losten elkaar in snel tempo af. De wind gierde langs ons heen en de temperatuur daalde flink. Om wat warm te worden liet ik mij in het water zakken en hield me stevig aan de touwen vast. Merkwaardig genoeg voelde het water lauw aan. Na een poosje kroop ik weer op het vlot. Plotseling begon het te regenen. Dikke druppels beukten in ons gezicht. “Mond open”, schreeuwde ik, “drinken!” Wij probeerden zoveel mogelijk regenwater naar binnen te krijgen. Met de enkels hield ik me aan de touwlussen vast en vouwde de handen als een trechter om de geopende mond. Op deze wijze kreeg ik wat regenwater naar binnen. Niet genoeg! Maar het was in ieder geval vocht.
Zo snel als de storm was opgestoken, zo snel verdween hij weer en de regen hield op. Wat bleef was nog een stevige wind en woeste golven. Van slapen was geen sprake, anders duvelde je in het water. Langzaam soesde ik weg en verbeeldde me dat ik te paard zat en over een uitgestrekt gebied galoppeerde. De wind die langs je lichaam suisde en het deinende vlot gaven je het gevoel dat je met een behoorlijke snelheid voortbewoog. Vandaar de illusie! In ieder geval hield mijn fantasie mij wakker.

Plotseling hoorde ik een plons achter me. Met mijn arm voelde ik om me heen; weer een lege plaats. Ik riep en schreeuwde, maar het enige dat ik hoorde was het geklotst van de zee en het gieren van de wind. Weer een makker weg. De hopeloosheid en de onmacht om iets te kunnen uitrichten, maakten dat ik stil begon te huilen. Na een poosje voelde ik mij wat beter.
De lucht klaarde op en aan de horizon begon het licht te worden. De ochtend brak aan en de zee was weer zo glad als een spiegel. Wij waren nog maar met zijn drieën: meneer X van de trouwring, de Indonesische jongen en ik. De anderen waren verdronken. Honger en dorst deden zich voelen. Aan elkaar konden we zien hoe wij er aan toe waren: blaren op gezicht en lichaam, gezwollen ogen en gebarsten lippen en het zoute zeewater hield de wonden op armen en benen open.
Op enige afstand passeerden scholen vissen ons vlot en zo nu en dan dreef een kwal vlak langs. Een zonnige dag en een rustige zee. ’s Middags begon de hitte ondragelijk te worden en na verloop van tijd werd ik door hallucinaties overrompeld. Ik nam dingen waar die er in feite niet waren. Er voer een kano op een paar meter afstand langs het vlot. Drie mannen met ontbloot bovenlijf en haren tot op de schouders peddelden dat het een lieve lust was. Ik riep hen aan, maar ze reageerden niet. Keken op noch om en roeiden voort. Vertwijfeld keek ik hen na. Mijn lotgenoten vonden mijn gedrag maar vreemd. Ze zeiden echter niets, ze keken mij alleen aan met hun bloeddoorlopen ogen.
Jaren later kan ik mij er nog steeds over verbazen dat een mens, onder bepaalde omstandigheden, dingen waarneemt die er in werkelijkheid niet zijn of wel soms…. In een ander dimensie?
In de verte ging de zon langzaam onder. Hij leek op een vuurbal die de hemel in brand stak. Ik voelde hoe alles vervaagde en raakte in een half bewusteloze toestand. Ik had geen dorst en geen honger meer. Langzaam werd het donker om me heen. In de verte, heel vaag, hoorde ik nog een plons in het water. Toen werd mijn aandacht getrokken door prachtige muziek. Het leek wel alsof ik tussen de klanken rondzweefde. Een blij en tevreden gevoel maakte zich van mij meester, ik genoot.

Opeens voelde ik een stoot en hoorde een stem die mij riep: “ He, bangoen!” (word wakker) Ik opende de ogen en merkte dat ik voorover lag. Ons vlot dreef zachtjes langs een scheepswand en ik hief mijn hoofd op. Voor mijn neus bengelde een dik touw en daarboven hoorde ik roepen: “Pak het touw beet!” Ik greep het vast en voelde hoe ik omhoog werd gehesen. Ik stapte over de reling, zei: “Dank je wel” en zakte door de knieën. Die jongeman die mij aan boord van de Japanse torpedojager had gehesen fluisterde mij toe: “ Niet gaan liggen en niet gaan slapen, want dan denken die smeerlappen dat je als werkkracht niets meer waard bent”. Mij ondersteunend sleepte hij me voort over het dek en liet me zitten met de rug geleund tegen een scheidingswand. Hij verliet me en kwam even later met een mok drinkwater en een rijstbal. “Langzaam met tussenpozen drinken” adviseerde hij. “ en probeer wat te eten”. Hij zette zich zich naast mij neer. Aan zijn haveloze korte broek hing een Rode Kruisband. Terwijl ik met lange pauzes een paar slokken water nam, bracht hij mij op de hoogte van de gebeurtenissen in de afgelopen dagen. Hij behoorde bij de eerste groep geredden kort na de torpedering. Samen met 10 anderen moest hij aan boord van de jager blijven om eventuele overlevenden op te pikken. Ik bofte, want het was de laatste dag dat er nog naar drenkelingen werd gezocht. Ik kreeg ook te horen dat de Jappen uit zee opgeviste schipbreukelingen weer overboord smeten als zij van uitputting bewusteloos raakten. Vandaar dat hij mij in het begin waarschuwde niet in slaap te vallen.
De boot had reeds uren geleden de steven gewend en stoomde met topsnelheid noordwaarts, bestemming Padang. Het begon langzaam donker te worden. De stem van mijn redder klonk gedempt alsof hij door een laag watten sprak. Mijn hersens waren nog te beneveld om alles in mij op te nemen. Ik proefde de rijstbal die in vet was gebakken, maar kon nog geen hap door mijn keel krijgen. Ik had meer dorst dan honger. Trouwens hevige slaap begon mij te overmannen, waaraan ik toegaf. Het was toch al donker geworden.
De Jappen konden mij toch niet meer zien zitten.

Diep in de nacht werd ik wakker door een razende dorst. Mijn tong voelde aan als leer en mijn gescheurde lippen waren kurkdroog. Ik merkte dat mijn redder niet meer naast mij zat, greep naar de drink mok om wat te drinken en ontdekte dat hij leeg was. Ik moest trachten aan water te komen, daarom ging ik, al kruipend op zoek naar een deur. Iets verderop bevond zich er een. Hij stond op een kier. Voorzichtig duwde ik hem open en keek in een verlichte kajuit. Tegen de wand was een smal bed geplaatst en daartegenover een tafel waarop, tot mijn vreugde, een karaf met drinkwater stond. Ik kroop er heen, pakte de karaf op en begon te drinken. Ik genoot van elke teug. Net toen ik aan de laatste slokken toe was, stapte een Japanse officier de kajuit binnen. Scheldend pakte hij de karaf af en schopte mij de kajuit uit. De kajuitdeur viel met een klap achter mij dicht. Het kon mij niet schelen, de dorst was in ieder geval gelest.

De volgende ochtend, 19 september 1944, meerde de torpedobootjager af in Emmahaven, een bekende en vertrouwde omgeving voor mij. Iedereen werd van boord gebracht. Dezelfde jongeman, een verpleger, droeg mij de loopplank af omdat ik nog steeds niet op mijn benen kon staan. In een loods moesten wij wachten op vervoer. Een vrachtwagen bracht ons uiteindelijk naar Padang waar wij werden ondergebracht in de plaatselijke gevangenis. Rudy Uijleman Anthonijs en een paar anderen werden direct naar het militair hospitaal in Padang gebracht om te herstellen van de Junyo Maru gevolgen.

NB: Aan boord van de Junyo Maru waren duizenden gevangenen, waar onder Nederlanders, Australiërs, Engelsen, Ambonezen en vele Javaanse romusha’s, die niet meer de overvolle ruimen konden ontvluchten en verdronken als ratten. Degenen die zich in wanhoop aan de twee Japanse reddingsboten vastklampten, werden met samoerai-zwaarden de vingers of handen afgehouwen. Door de escorterende schepen werden uiteindelijk 723 drenkelingen opgevist. Het totale dodental was 5620 onder wie 1370 Nederlanders.

Maar dit was nog niet het einde van het verhaal. De overlevenden werden onder erbarmelijke omstandigheden naar Pakan Baru gebracht. Ook Rudy Uijleman Anthonijs werd een maand later overgebracht naar het krijgsgevangenkamp Pakan Baroe waar aan de aanleg van de 220 km lange Pakan Baroe spoorweg, beter bekend als de dodenspoor, gewerkt moest worden. De dodenspoor, dwars door de groene hel van het Sumatraanse moerasoerwoud, heeft aan ongeveer 2500, meest Nederlanders maar ook Britse, Australische en Amerikaanse de dood gekost. Ook ongeveer 80.000 romusha’s vonden hierbij de dood.
Als oorzaak verdrinking, uitputting, mishandeling, ondervoeding en tropische ziekten zoals dysenterie.
De aanleg van de 220 km. lange Pakan Baroe-spoorweg, dwars door de groene hel van het Sumatraanse moerasoerwoud en bergen in de jaren 1943 en 1945, is lang een bijna vergeten oorlogsdrama geweest. Toch stierven er voor deze krakkemikkige spoorweg waarschijnlijk tachtigduizend door de Japanners geronselde Javanen (romusha), zo blijkt uit archiefonderzoek dat Henk Hovinga deed voor de vierde aanzienlijk uitgebreide druk van zijn boek ‘Eindstation Pakan Baroe’. Behalve deze 80.000 Indonesie¨rs vonden bijna twee-en-een-halfduizend, meest Nederlandse krijgsgevangenen een ellendige dood door verdrinking, uitputting, mishandeling, ondervoeding en tropische ziekten zoals dysenterie.

De Japanners verzwegen aan de dwangarbeiders dat Japan gecapituleerd had, zodat de dwangarbeiders door bleven werken aan de spoorweg.
Na de capitulatie en zijn bevrijding van de Pakan Baroe dodenspoor werd Rudy Uijleman Anthonijs bij het Knil Infanterie bewakingspeloton te Bangkinang ingelijfd. Eind oktober 1945 vond overplaatsing plaats naar Padang in afwachting op transport naar Batavia.
Januari 1946 werd Rudy ingedeeld bij de eerste depot te Djaga Monjet peloton onderdeel mitrailleur afdeling.
Vervolgens weer overgeplaatst naar Pau – Pel B. Divisie tot en met januari 1948. Hierna overgeplaatst bij de staf B. Divisie met bestemming opzending Nederland.
In 1946 en 1947 deelgenomen aan de acties Pasar Minggoe, Depok, Tangerang, Balaradja, en omgeving Tjiandjeer.
Vervolgens ook als militair deel genomen aan de Politionele acties: Pekalongan, Pemalang, en omgeving Tegal gedurende de periode 21 juli – 4 augustus 1947.
Op 27 maart 1948 per m.s. Sloterdijk naar Nederland vertrokken en op 22 april 1948 met groot verlof gezonden wegens beëindiging van de dienst – en reserveplicht t.a.v. KNIL, eervol ontslagen uit de militaire dienst bij het KNIL.

Nawoord: Mede dankzij Marijke van Horn – van Raalten, ook geboren te Sawahlunto en bijna 60 jaren vriendschap met Meity Ungerer, heeft Rudy Uijleman Anthonijs zich bereidt verklaard zijn verhaal van de Junyo Maru aan haar te vertellen.

Bersiap en de ervaringen van een tiener.

Jaar, tijd vergeten en ik wil niet een datum geven dat niet accuraat is. Werkte in de operatie kamer van St Borromeus aan de Dago weg, Bandung. OR (operatie kamer) schoon maken na een operatie, instrumenten en verband wassen en steriliseren. Dat deed ik voor de scholen weer begonnen. Het hoofd gebouw kijkt uit op een drie sprong, Dago weg en ik geloof Technische Hoge School Blvd. Schuin tegenover het hospitaal was een woning in die tijd door Japanse militairen (soldaten en officier) bezet. Op een dag zat ik op het muurtje die de voortuin van de weg scheidde. Hoorde een gegil en zag een bende Indonesiërs met goloks (hakmessen), bamboo runcings (bamboe speren met scherpe punten) de Dago op rennen richting St. Borromeus, ook hoorde ik heel duidelijk het “Merdeka, merdeka”. Japanse officier kwam naar buiten, keek naar de rennende massa en schreeuwde bevelen, soldaten met hun geweren midden op de Dago weg, eerste rij knielen, achter hun een andere rij soldaten, op bevelen van hun officier grendelen ze hun geweren en schoten pardoes in de rennende massa. Het schieten en laden werd een paar maal herhaald totdat de permoedas waren verdwenen. Naderhand hebben Gurkas en hun Engelse commandant het huis van de Japanners overgenomen, zij hebben toen een kleine bunker opgetrokken met a 50 kaliber machine geweer midden in de driesprong voor het hospitaal. De 50 kaliber werd verschillende keren getest en het rapport was luid. BTW, wij woonden in die tijd aan de Zorgvliet laan, op de hoek met Pahud de Montange.
Ben de namen van de zijstraten, die achter St. Borromeus liepen en op zij, vergeten. De Gurka’s hebben prikkeldraad barrière om het hospitaal aangelegd en een andere kleine bunker achter een bijgebouw dicht bij de kapel neergezet.
Zaterdag midden in de nacht werd er op de voordeur gebonkt, “Allemaal er uit naar St. Boromeus”. In de verte hoorden wij schoten, mijn moeder, jongste broer en ik renden het huis uit de straat op tezamen met andere bewoners en in het donker naar St. Borromeus. De schoten kwamen dichter en dichter. De Gurka’s sloten de laatste barricade en de hel brak los. Heb voor mijn moeder en broer een lege hospitaalkamer gevonden waar beiden in een bed sliepen en ik op de grond. Schoten waren te horen gedurende de nacht. Volgende dag, zondag, ging ik naar de kapel voor de mis. Gedurende de mis deden de permoedas een aanval op St. Borromeus, allerlei wapens kon men horen en de lucht rook naar cordiet. De permoedas kwamen dichter bij het hospitaal, je zag ze aan de overkant van de straat. Wonder boven wonder, drie militaire trucks kwamen aan, stopten en Japanse soldaten sprongen uit de voertuigen met geweren en automatische wapens en openden vuur op de permoedas. Binnen ongeveer 20 min. was het zooitje opgeruimd. De Japanners patroneerden door de straten en tuinen en af en toe hoorde je een schot of het geratel van een automatisch wapen. De Japanners hebben ons het leven gered! Dat was de tijd dat ik als vrijwilliger vermoorde mensen of delen van hun hielp begraven. De eerste keer dat ik en een paar anderen een huis binnen kwamen begon ik direct over te geven, muntah, heb gekokhalsd tot dat mijn maag pijn deed. Ik zal nooit vergeten wat ik die dag heb gezien, later barste ik zelf in tranen uit. Zelf nu brengt deze herinnering tranen in mijn ogen, de afslachting en het bloedbad waren ongelooflijk, de mensen waren niet alleen gedood, ze werden in stukken gesneden en afgeslacht en dat is waarom ik doodziek wordt wanneer ik lees over de toen begane wandaden van onze militairen en niets over de wandaden van de Indonesiërs. Waarom komen mensen niet naar voren en schrijven wat zij met eigen ogen hebben gezien?
Dan kwam de tijd dat Bandung verdeeld was in noord en zuid met als grens de spoorbaan, de bomen waren gesloten. In zuid Bandung zaten de Indonesiërs en het noorden de Engelsen en de Nederlanders. De Indonesiërs hebben later zuid Bandung verbrandt voordat wij het zuiden binnen mochten.
Gelukkig ging de Christelijke Lyceum (overbrugging) weer open, 1A, 2B or C, 3A, ik herinner mij dat wij in een klas zaten, die in een hoek was gelegen. In 1949 ben ik naar Nederland vertrokken en ingetrokken bij mijn tante en oom in Maastricht.
Het bovenste is geschreven met de wetenschap dat er hopelijk iemand is die dit verhaal kan bevestigen of bestrijden.
Ik wil liever niet over die tumultueuze periode schrijven. Het overkomt mij nog steeds als een wrede en schier onoverkoombare periode.

Henri E. Ṧibek

 

Deel 3 – Tjip Boenandir en Edward G. Welcker

Na de Oorlog

Edward Gilles Welcker, Electro-monteur, Hr. Ms. de Ruyter

Op 16 april 1944 kreeg ik 3 dagen verlof om te trouwen, andere faciliteiten werden niet verleend. Mijn vrouw mocht wel bij mij in de garage komen wonen. In 1945, toen ik uit de garage weg moest, verhuisden wij naar een kleine woon-annex slaapkamer in een dessa in de omgeving.

Op 17 augustus 1945 werden alle werklieden van de werkplaats ontslagen. Ik werd aangehouden om de inventarisatie op te maken van alle machines en materieel ten einde het over te geven aan de Sekoetoe-sekoetoe. De inventarisatie was nog niet beëindigd toen de hele inventaris door de Indonesische regering werd ingepalmd.
In 1945 sloot ik mij aan bij de B.K.R. (Badan Keamanan Rakjat = Security Agency). Inderdaad, ik kwam niet terug bij de Marine. Mijn lieve moeder hoorde het nieuws van de ondergang van Hr. Ms. De Ruyter een maand na het gebeuren. Het nieuws over de ondergang na een maand maakte mijn moeder half gek toen zij het vernam. Zij verkeerde onder hoge geestelijke druk en stress. Vandaar dat zij mijn huwelijk op 16 april 1944 doorzette al waren de condities kritisch. Haar bedoeling was dat ik als getrouwde man niet hoefde te varen, immers varen betekende voor haar oorlog. In 1945 heb ik dan ook besloten om bij mijn moeder en schoonouders aan de wal te blijven.

Uit mijn marine tijd ben ik nog in het bezit van alle toen vereiste documenten en boekjes, inclusief namen van de desbetreffende officieren.
In 1998 heb ik een verzoek ingediend aan de PUR/WUV om in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Dit heb ik ondersteund met bezwaarschriften, correspondentie en namen van diegenen die ik mij nog herinneren kon als getuigen, enz. Na het geding ter zitting van 5 april 2001, waar ik niet aanwezig kon zijn, kreeg ik de beslissing: De Centrale Raad van beroep rechtdoende “Verklaart het beroep ongegrond”. Dus dat betekent afgewezen …….ddo. 18 mei 2001.

Op 13 maart 2002 plaatste ik een advertentie in het maandblad “Aanspraak” in Nederland: “Ik zoek overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter die op 27-2-1942 door een Japanse torpedo werd getroffen en even daarna zonk”. Graag reacties aan ex-stoker Olieman Boenandir ….enz. Adres enz.
Hierop kreeg ik veel reacties: Nummer i. Asia Maior, Uitgeverij Asia Maior, Postbus 150, 4300 AD Zierikzee, Nederland. Mevr, W. Leijnse heeft mij de namenlijst gestuurd van de bemanning van Hr. Ms. De Ruyter per 26 februari 1942. In die namenlijst staan zij die omgekomen waren en die gered werden.
Toen kwam de reactie van de heer Johan van Leer, 230 Baystreet #6, Santa Monica, CA 90105-1031.
Ook een reactie van de heer M.G.J. van Zeeland, Fransche Brug 22a, 2371 BE Roelofsarendsveen, Nederland

Bijzonder goed en behulpzaam was de volgende reactie:
Verklaring voor degene die het aangaat: Hierbij verklaar ik dat de heer Boenandir door mij is herkend als een van de overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter.
Wij hebben elkaar ontmoet bij de Japanse landing op 1 maart 1942 in Kragan (noord kust Midden Java)
Verder in krijgsgevangenschap tot onze splitsing (Jaarmarkt)
De heer Boenandir heeft zich getoond als een waardige persoon en een betrouwbare Koninklijke Marineman.

Hoogachtend,
Edward G. Welcker, 16614 E Kingside Drive, Covina, Ca 91722

Alle stukken en bundels heb ik naar PUR/WUV verzonden. Ik weet niet hoe het proces van de behandeling van de stukken is verlopen, maar een arts uit Nederland gaf mij een volledig lichamelijk onderzoek en controleerde mijn lichamelijke klachten.

Uiteindelijk begin juni 2003 Gode zij dank en nog maal God zij dank kwam de erkenning en de beslissing gezamenlijk met de uitkering. Hierop heb ik bijna vijf jaar gewacht. Nu ben ik trots en voel me zeer gelukkig en uit het diepst van mijn hart dank ik u nog maal, heren, die mij geholpen hebben.

Ik wens u allen veel geluk en succes.

w.g. Boenandir

Deel 2 – Tjip Boenandir als gevangene van de Japanners

Op 3 maart 1942 werden wij in Kragan in de buurt van Rempang (Midden Java) aan land gezet. Hier wilden de Jappen hun landing uitvoeren.

Wij werden verzameld op het erf van de wedana en bivakkeerden daar als krijgsgevangenen onder permanente Japanse bewaking. Het erf was groot en beplant met asembomen met een heg van “pohon Luntas”. Bewegingsvrijheid was er niet en de hele maand sliepen wij open en bloot onder de asembomen op de grond zonder tikar (slaapmat). Er was geen sanitaire of medische hulp. Wonden werden met kranten verbonden om de vliegen op afstand te houden. Op het erf werden wc’s uitgegraven en bij een diepte van 60 cm kwam het water al boven vanwege onze ligging dicht bij zee.

Bijna ieder morgen moesten wij 4 tot 5 km lopen om de plek op het strand te bereiken waar wij de Japanse schepen moesten lossen. Kisten, vaten en andere collies moesten wij van de landingsvaartuigen naar het strand dragen.
Tweemaal per dag kregen wij eten: halfgare rijst met een beetje suiker. Bestek kregen wij niet, dus gebruikten wij oud papier van schriften, enz. als bord en aten met de hand. Wij werden daarbij nog gedwongen om snel te eten om te voorkomen dat vliegen met de rijst meegingen!
In deze periode overleden drie lotgenoten die op het erf van de wedana werden begraven.

Wij waren in Kragan met ongeveer 80 gevangenen. Op zekere dag moesten enkelen van ons onder gewapende begeleiding ongeveer 1 ½ kilometer een kampong in om uit een put drinkwater te halen.
De hele maand kregen wij geen kleren behalve een gonjezak van een vierkante meter. Tijdens onze corvee vouwden wij deze gonjezak op en plaatsten het op onze schouder en nek ter bescherming bij het dragen van de zware kisten als wij corvee op het strand hadden.
De hele maand in Kragan zonder mandiën, tandenborstel, warme thee of koffie. Alleen het ongekookte water.

Terug naar Surabaya.
Op goede vrijdag, 3 april 1942, kreeg iedereen een set KNIL uniform compleet met bamboehoed. Er stonden 14 vrachtwagens gereed en wij moesten afscheid nemen van kamp Kragan om in konvooi naar Surabaya te vertrekken. In Tjepoe werd een uurtje halt gehouden voor het middagmaal. Het bleek het zelfde rantsoen te zijn dat wij ook in Kragan kregen: half gare rijst met wat suiker. Bij gebrek aan borden gebruikten wij ook hier beschreven bladzijden uit schriften als bord en aten met onze handen. Uit een houten vat dronken wij ons koude putwater.

In Surabaya werden we naar het interneringskamp Jaarmarkt getransporteerd. Het COVIM, een Europese vrouwenclub, hoorde dat overlevenden van Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java waren aangekomen. Van de Japanners kreeg deze club toestemming ons te ontvangen. Ongeveer 19:30 uur kwamen wij het kamp binnen en werden achter de grote poort verzameld. De COVIM dames kwamen en gaven ons o.a. kleren, odol tandpasta, tandenborstel, een zinken bord, lepel en zeep. Speciaal voor de drenkelingen van Hr. Ms. De Ruyter en Hr. Ms. Java een kopkussen (bantal). Wij sliepen niet meer op de harde grond zoals in Kragan, maar op bamboo balé-balés (bed van bamboe).
Kamp Jaarmarkt was een groot kamp met ongeveer duizend geïnterneerden, merendeel Knil’ers. In de eerste weken was de voeding redelijk, maar daarna kregen wij dagelijks een beetje pap. De zieken werden door een Japanse dokter behandeld. Zelf kreeg ik toen malaria en kreeg daar pillen voor.

(Hier heeft mijn broer mij gevonden en van buiten het kamp naar mij gewuifd. Hij mocht het kamp niet in. Dit heeft hij mijn moeder in Malang verteld die heel erg van slag was toen ze hoorde van het zinken van Hr. Ms. De Ruyter).

Tot 1943 bleef ik in het kamp en ik moest een formulier ondertekenen dat ik voor de Japanners moest werken. Vanwege mijn dienst vak van Stoker Olieman zou ik een baan krijgen als machinist.
Dit bleek later niet waar te zijn, want met 10 andere niet Europese gevangenen, die ook niet van de Koninklijke Marine waren, werd ik ’s avonds naar een kazerne van het Knil op Gunungsari gebracht waar wij in een lege goedang (opberg ruimte) konden slapen. (De andere gevangen waren inheemse gevangen die o.a. bij de stadswacht hoorden). Deze kazerne werd nu door de Jappen gebruikt. De volgende ochtend kregen we orders om de hele kazerne schoon te maken en te houden. Zo werden wij verplichte schoonmaakarbeiders. Alle orders werden in gebaren taal gegeven, immers wij verstonden geen Japans.
Naast de Japanse kazerne stond een andere Knil kazerne dat gebruikt werd als interneringskamp voor Europeanen. Met een Japanse chauffeur moest ik dikwijls met de vrachtauto naar de pasar. Wij moesten dan de kerandjangs (manden) met sajoeran (groenten) in de truck dragen en bij de kazerne weer uit de truck halen en naar de dapoer (keuken) dragen.
Beetje bij beetje begon ik Japans te leren om mishandeling te ontlopen. Goddank, is dat mij nooit overkomen.

De Japanse soldaten werden overgeplaatst en ik kreeg werk in de werkplaats DAI 10360 Butai “Don Bosco” in Surabaya. Don Bosco is een katholieke school en het hoofdgebouw en het hoofdgebouw werd als hoofdkantoor. Op het grote erf werd een semipermanente werkplaats opgetrokken waar ik wapens moest repareren. Hier werd ik in de gelegenheid om na vast werken (Maritiem: het beëindigen van de dagtaak) een cursus Japans te volgen. Ook kreeg ik permissie om in een garage van een van de in beslag genomen huizen rond Don Bosco te slapen.

(De parochie Don Bosco staat in de woonwijk Sawahan. Hier heeft zijn moeder Boenandir twee of driemaal opgezocht. Toen hij zijn moeder vertelde dat hij na de oorlog weer wilde varen was haar antwoord: “Dat is goed, maar je moet eerst gaan trouwen”. Rap ging zij op weg om voor zoon een bruid te zoeken die zij ook vond! Haar bedoeling was dat haar zoon, als hij eenmaal getrouwd was, niet meer naar zee ging)

Deel 1 – De slag in de Java zee

Tjip Boenandir, Stoker-Olieman op Hr. Ms. De Ruyter

Dit jaar 2017 herdenken wij dat wij 72 jaar geleden bevrijd werden van de Japanse onderdrukkers.
De oorlog in de Indische archipel begon met de slag in de Java zee op 27 februari 1942, dat is 75 jaar geleden. Goddank, waren er ook bemanningsleden van onze vloot die deze rampzalige zeeslag hebben overleefd. Een van hen, Edward G Welcker, nu woonachtig in Orange Country, Californië is in de leeftijd van 98 jaar. Een ander overlevende woonde in Malang, Oost Java, is intussen ook in Malang in de leeftijd van 90 jaar in december 2010 overleden. Een paar jaar geleden heeft hij zijn ervaringen met de hulp van Benno Apon op papier gezet en een kopie aan Ed Welcker gegeven. Zijn relaas, aangepast aan de dag van vandaag, volgt hier beneden:

Mijn naam is Tjip Boenandir. Ik ben geboren aan de voet van de Gunung Kelud, de vulkaan in de buurt van Blitar. Op mijn geboortedag in 1919 was er ook een uitbarsting van deze vuurspuwende berg. Aangezien er in die tijd geen geboorteaktes werden uitgegeven werd mijn geboortedatum gesteld op 20 juni 1920. Ik heb de HIS, Hollands Inlandse School, doorlopen en kwam op de Ambachtsschool in Malang op de Europese afdeling van de Metaalbewerking. Nadat ik deze opleiding heb voltooid waren er overal plakkaten: “Saja orang Marine, ikutlah saja”. (“Ik ben een Marineman, ga met mij mee”.)
Zodoende ben ik bij de Koninklijke Marine terecht gekomen.

In 1937 kreeg ik aan boord van het Marine opleidingsschip “Soerabaja” te Surabaya mijn opleiding tot Stoker. Hierna werd ik als Stoker Tweede Klas met Stamboeknummer 2589 geplaatst aan boord van Hr. Ms. “de Ruyter” als lid van het machinekamerpersoneel. Hier heb ik flink aangepakt en werd bevorderd tot Stoker Eerste Klas. Daarna volgde mijn bevordering tot Stoker Olieman.

Toen de tweede wereldoorlog uitbrak zat ik ook op Hr. Ms. De Ruyter. We voeren uit naar de Java zee en tijdens de confrontatie met de Japanse vloot heb ik alle manoeuvres en wendingen van ons schip doorstaan. Ik heb mijn post onder het pantserdek niet verlaten.

Op 27 februari 1942, even na 23:30 uur werd het achterschip door een torpedo getroffen. Dit ging gepaard met veel lawaai en een harde knal. De stoomdruk daalde tot nul en onder het pantserdek werd het pikdonker. Ik bevond mij in de voorste machinekamer en met al mijn energie probeerde ik bovendeks te komen. Na veel botsingen en omwegen vanwege geblokkeerde waterdichte schotten kwam ik aan dek. Aan stuurboord begon de munitiebergplaats te ontploffen, lichtkogels schoten als vuurpijlen de lucht in. Met moeite wist men aan bakboord een werksloep te strijken. De capaciteit van 20 personen werd bijna driemaal overschreden. Belicht door de ontploffende seinkogels kwam ik ook in de sloep. Een officier, mijnheer H. Bennink, Ltz 1st klas, gaf commando om alles van gewicht over board te gooien en de sloep zo licht mogelijk te maken.

Het achterschip van Hr. Ms. De Ruyter was toen al gezonken, het voorschip was nog boven water zichtbaar. Met onze handen roeiden wij zover mogelijk van het schip te komen. In de verte konden wij het geschreeuw van de bemanningsleden horen die op het schip achter zijn gebleven. Na ongeveer twee uren konden wij nog zien hoe onze Hr. Ms. De Ruyter in de schemering van de nieuwe dag ten onder ging.

Later op die dag kwam een Amerikaanse onderzeeboot boven water om twee Amerikaanse seiners van de sloep te halen. De onderzeeër ging vlug onder, immers er vlogen nog Japanse vliegtuigen rond.
Van hen hoorden wij onze locatie: ongeveer 60 mijl ten noorden van Semarang.

Twee etmalen dreven wij roerloos in de lekkende sloep, zonder eten en weinig water uit het sloepreservoir. De zon scheen onbarmhartig fel.
We werden door een Japanse torpedobootjager opgevist en als gevangen behandeld. De sloep werd door de Jappen vernietigd.

 

Geschiedenis en overleving van Edward G. Welcker.

De ondergang van Hr. Ms. De Ruyter in de slag van de Java Zee.

Voorwoord: zondag, 19 februari 2017 j.l. had ik de eer Ed Welcker te mogen ontmoeten. Heb een paar dagen er voor telefonisch contact gehad met zijn zoon Ernest, die mij ook uitnodigde om langs te komen. Daar had ik het genoegen zijn dochter Yvonne te ontmoeten, die mij vooral aan veel informatie heeft geholpen en een gesprek aan te gaan met haar vader, die in de leeftijd van 98 jaar is.

Het verhaal hier beneden heb ik zoveel mogelijk in takt gehouden.
Ronny Geenen, Glendora, CA (20-2-2017)

Edward Gilles Welcker, geb. 15-10-1918

Ed Welcker werd op 15 oktober 1918 in Magelang, nu Indonesië, geboren.
Zijn vader, Praktijk Ingenieur (Pring), werkte als opzichter bij het Nederlands Indisch Spoor (NIS).
Van 1924 tot 1932 bezocht Ed de Rooms Katholieke Lagere School in Yogjakarta. In die tijd had de lagere school nog zeven klassen. Hierna volgde een opleiding van vijf jaar aan de Koningin Wilhelmina school (KWS) in Batavia (nu Jakarta) op de afdeling Bouw en Waterbouwkunde.
In 1937 vervolgde hij zijn opleiding voor 1 ½ jaar op het IVEVO (Instituut voor elektrotechniek vakopleiding). Net als zijn vader kon hij toen in dienst treden bij het NIS. Dit werd in 1939 opgevolgd door een oproep van de Koninklijke Marine om zijn militaire dienstplicht te vervullen.
Zijn eerste militaire opleiding kreeg hij in de Marine kazerne op Gubeng, waar hij na een maand matroos werd. Bij de Technische Opleidingen Koninklijke Marine in Ujung gelegen kreeg hij zijn vakopleiding tot elektromonteur dat, vanwege zijn vooropleiding, slechts een half jaar in beslag nam. Hierna werd hij als elektromonteur Zee milicien op Hr. Ms. De Ruyter geplaatst.

Kruiser de Ruyter

Het jaar 1942 was een roerige tijd en de oorlogsdreiging werd goed gevoeld. Oefeningen met het eskader in de Java zee, rond Bali, enz. Op 27 februari 1942 ging Ed, na baksgewijs (appel) naar zijn post, de voor elektrische centrale. Zijn taak: de elektriciteit verdelen naar de verschillende delen van het schip.
Het zelfde werd gedaan door zijn collega in de achter elektrische centrale. De verdeling werd centraal geregeld. Rond 16:00 uur werd Ed afgelost door Adjudant Electromonteur Langendoen.
Hij kreeg toen opdracht om naar Vuurtoren I te gaan om te assisteren bij het laden van de 15 cm granaten. Hier zag hij Indonesische matrozen, gehurkt, alsof zij bevangen waren door vrees, totaal overstuur, bevend en stijf. Zij konden het laden van de granaten niet meer aan.
Hoogstwaarschijnlijk zijn zij oververmoeid of door angst overvallen.. Ed en anderen moesten hen vervangen tot ongeveer 18:30 uur, het begon toen al donker te worden. Vervolgens kreeg Ed opdracht naar het stuurboord zoeklicht te gaan. Deze werkpost lag hoger, onder de commandotoren (zie foto de Ruyter) zodat Ed een goed overzicht had over de stuurboordzijde van het schip. De vloot was bezig met een scherpe stuurboordmanoeuvre uit te voeren en Ed kon goed zien hoe Hr. Ms. Java in vlammen opging en in enkele minuten zonk.
Ed zag ook de torpedobellenbaan die onder een hoek van 45 graden op zijn schip afkwam. Hr. Ms. De Ruyter werd midscheeps getroffen en verloren meteen snelheid. Kennelijk was de tandwielkamer beschadigd die de schroeven moesten aandrijven. De vlammen sloegen over het dek en niet lang daarna stond het afweergeschutplatform in vuur en vlam. Granaten ontploften als vuurwerk.

Kruiser de Ruyter

Ed ging toen naar de hijskraan om te helpen de sloepen te strijken. Er was echter geen elektriciteit en de afwezigheid hiervan melde hij direct aan de Bootsman. De sloepen werden toen met de hand gestreken. Iedereen kreeg toen van commandant KLTZ E.E.B. Lacomblé de opdracht om het schip te verlaten. De commandant dankte iedereen en nam afscheid van hen, staande op de brug. Er was geen paniek onder de bemanning, iedereen wist zijn taak te volbrengen.
Ed Haalde toen zijn zwemvest op de speciaal daarvoor aangegeven plaats, sprong overboord bij de boeg aan bakboord en zwom naar het vlot waarop hij was ingedeeld. De zee was zo woelig dat het vlot kapseisde en Ed besloot met hulp van zijn zwemvest zich maar drijvende te houden. Zo heeft Ed de hele dag in de brandende zon in zee gedreven totdat hij rond 17:00 uur dooe een Japanse torpedobootjager werd opgevist.

Aan boord werd goed behandeld. Zijn door de zon gebrande huid werd met zalf behandeld en hij kreeg zacht voedsel te eten. De volgende dag rond 19:00 uur moest hij zich bij de Japanse commandant melden die hem ondervroeg. Hierbij zag hij Ed’s Mido polshorloge dat Ed kort tevoren in Surabaya gekocht had. De Japanse commandant vroeg Ed of hij het horloge van hem mocht kopen. Ed dacht even na————–ze hebben hem een goede behandeling gegeven aan boord————Zijn antwoord:” Neen, u kunt hem niet kopen, maar ik geef het u als een gift, u mag het hebben” en hij overhandigde zijn horloge aan de Japanse commandant.

De volgende dag werd Ed overgebracht naar een andere torpedojager waar hij de andere opgeviste Marinemensen uit de sloep ontmoette. Voordat hij op de andere torpedojager stapte kreeg hij een plunjezak aangereikt en een briefje die hij aan de Japanner kon laten zien. Op die andere torpedojager wilde men weten wat de plunjezak bevatte. Ed toonde de jap het briefje en de nip stapte beleefd weg. Wat er op het briefje stond heeft Ed nooit geweten. De plunjezak bevatte kleren, sigaretten (ofschoon Ed niet rookte) en Japans beschuit.

Tijdens dit transport ontmoette Ed ook Adjudant Electromonteur Langendoen die hem zijn verwonding liet zien: zijn buik was opengereten. Zo goed en zo kwaad als het ging verpleegde Ed zijn superieur daarbij gebruikmakend van de nieuwe kleren uit de plunjezak. Zo belandden ze dan allemaal in de tuin van de wedana in Kragan bij Rembang. Zij konden bivakkeren in de tuin, slapen op de grond zonder de deken of hoofdkussen. Er was ook geen wasgelegenheid. Hier werd de Adjudant Langendoen in de garage gehuisvest, dat als ziekenboeg in gebruik werd genomen. Er waren geen bedden, geen ligmatjes zodat de patiënten in het begin op de cementen vloer vol olie en vet gelegd moesten worden.
Als Ed geen corvee deed dan verpleegde hij Adjudant Langendoen zo goed mogelijk. Dit corvee bestond uit het ontladen van de landingsvaartuigen op de landingsplaats Kalipang, ongeveer een kwartier lopen van het huis van de wedana. Drie dagen later, tijdens een corveedienst van Ed , is de Adjudant Elektromonteur Langedoen overleden.

Een medegevangene van kamp Kragan, de dienstplichtige matroos-monteur K.L. Topée verklaarde na de oorlog voor de hoorcommissie: “In het begin van onze kamptijd hebben wij zeer veel te danken gehad aan de milicien-matroos-monteur Welcker, die met veel risico voor eigen leven, het kamp herhaalde malen heimelijk verliet, om voor ons voedsel bij elkaar te krijgen”.
Tijdens deze “voedseltochten” kreeg Ed hulp van de lokale bevolking: Ze gaven Ed wat zijzelf hadden.
De bevolking stond sympathiek tegenover de gevangenen. Ed kreeg zelf een fiets om te vluchten. Hij heeft het niet gedaan uit vrees voor represailles tegen zijn ouders.
Ook de wedana was pro-rood/wit/blauw en wilde de Nederlandse driekleur niet strijken. Hiervoor werd hij, zijn vrouw en dochter in hun kippenhok door de Nip opgesloten. Later werden ze door zijn bevolking bevrijd. Het is deze vlag van de wedana die door Sergeant Machinist Soeratman later demonstratief werd verscheurd.

Populaire corveediensten waren:

  1. Water halen want men had dan contact met de buitenwereld en men kon zich bij de put ook wassen
  2. Hout hakken voor de Japanse keuken, waar de mannen af en toe de etensresten van de bewakers kreeg.

Ook melde Topée dat de Indonesiërs onder de krijgsgevangenen opvarenden van Hr. Ms. De Ruyter zich in Kragan bijna allemaal openlijk distantieerden van de Nederlanders. Eerder al waren ze weinig coöperatief geweest toen men probeerde roeiend de kust van Java te bereiken. In het kamp heeft de Inlandse Sergeant Machinist Soeratman duidelijk zijn anti-Nederlandse stemming laten blijken, door de Nederlandse vlag te verscheuren, waarbij de rest van de Inlandse bemanning lachend stond toe te kijken. Twee Inheemse schepelingen deden er niet aan mee: de Inlandse ziekenverpleger Mandalika en de Inlandse Stoker-Olieman Boenandir.
Later werden alle krijgsgevangen van kamp “huis van de wedana” te Kragan per konvooi overgeplaatst naar kamp Jaarmarkt te Surabaya.

Op Hr. Ms. De Ruyter waren ook Amerikaanse seiners gedetacheerd. Zij moesten het contact met de Amerikaanse, Australische en Engelse schepen onderhouden. Een van hen, D.S. Rafalovich, trok altijd met Ed op, ook toen ze van kamp Kragan overgeplaatst werden naar kamp Jaarmarkt in Surabaya.
Uiteindelijk werden zij eind 1943 toch gescheiden: de Amerikanen gingen naar Japan en Ed werd naar Thailand overgeplaatst, waar hij aan de Burmaspoorweg moest werken. Ook deze ellendige periode met de vaak sadistische Jappen heeft Ed Welcker overleefd.

Na de capitulatie van Japan ging Ed in augustus 1945 met een groep van zeven Marine mensen met de KPM terug naar Batavia (Jakarta). Hij werd gestationeerd in Semarang en gedetacheerd aan de haven waar hij patrouillediensten moest onderhouden.

Op 27 februari 1947 trouwde Ed in Semarang met Gusta, Cornelia Frieser en na de bruiloft ging het bruidspaar op huwelijksreis naar Bandung. Een bevriende piloot gaf hen de gelegenheid mee te vliegen.
In die tijd was het bijna onmogelijk om over de weg van Semarang naar Bandung te reizen.
Het bruidspaar was een dag in Bandung toen de MP Ed al kwam ophalen om hem terug te brengen naar Surabaya. Hij moest zich weer melden aan boord van Hr. Ms. Abraham Crijnsen. Men had een Elektromonteur nodig. Ed werd ook bevorderd tot Korporaal Elektromonteur Zee Milicien. Bij zijn weten is hij de enige Marine dienstplichtige die deze rang heeft.

Op 5maart 1948 ging Ed met groot verlof van de Koninklijke Marine waar hij in totaal 12 jaar in heeft gezeten en begon zijn burger carrière bij de Biliton Maatschappij. Ed was toen inmiddels dertig jaar oud.

Het volgende ligt Ed na aan het hart en daarom moet het ook van zijn hart:

  1. In 1997 las Ed in het blad “De Indo” dat uitkomt in Californië dat de Koninklijke Marine in Rotterdam een reünie organiseerde voor de overlevenden van de slag in de Java zee. Persoonlijk heeft hij nooit een uitnodiging ontvangen. Naar aanleiding van wat hij in De Indo heeft gelezen, heeft hij zichzelf aangemeld als een van de overlevenden. Samen met zijn dochter Yvonne is hij er heen gegaan.
  2. Hij ontmoette daar Niek Koppen, de maker van de filmdocumentaire over de slag in de Java zee, die Ed ontweek. Deze documentaire met verhalen van overlevenden door hunzelf verteld is op de Nederlandse TV geweest. Ed is nooit benaderd zijn belevenissen te vertellen. Wel ging het verhaal de ronde dat Ed geen interesse heeft getoond in een interview voor de film.
  3. Als tafelgenoot had hij dhr. Van Zeeland, die tegen Ed zei: “Jullie zijn zo verspreid, het is moeilijk u te vinden”. In die tijd was Ed nog Nederlands Staatsburger en stond als zodanig ingeschreven bij het Consulaat van het Koninkrijk der Nederlanden in Los Angeles. Ed’s Antwoord: “De inspecteur van de belastingen in Nederland heeft mij wel gevonden!” Hierna heeft Ed nooit meer iets van de Koninklijke Marine gehoord. Waarom heeft dhr. Van Zeeland Ed’s relaas voor de Marine verzwegen?
  4. Twee verzoeken om ontslag uit de krijgsdienst voor carrière-opbouw in de burgermaatschappij zijn tot op heden nooit beantwoord. Uiteindelijk, op verzoek van de Biliton Maatschappij, kon Ed de dienst verlaten.
  5. Op de dag dat Ed de dienst ging verlaten werd hem verzocht nog een paar dagen te blijven. Hij bleef maar de reden waarom werd hem pas later duidelijk. Hij werd drie dagen onder quarantaine gesteld. Ed werd door een Marineofficier ondervraagd en beloofde niets over zijn belevenissen te vertellen zoals de positie van de schepen. Is het daarom dat de heren Koppen en van Zeeland hem negeerden?
  6. Verzoek voor WUV voor hem en zijn vrouw zijn negatief beantwoord. Zij hebben beiden nooit een uitkering gekregen.
  7. Ed was als kroongetuige voor Boenandir, die erkend werd als een van de overlevenden van de Slag van de Java zee en nu ook een uitkering van de WUV ontvangt.

 Nawoord: In de knusse huiskamer van Ed en Corrie Welcker in West-Covina heb ik, Benno Apon, dit interview mogen afnemen. Al die jaren hebben bovenstaande 7 punten zwaar op Ed’s borst gedrukt.
Het was voor hem een opluchting dat hij zich bij mij en dus ook bij u, lezer(s) kon luchten.
Zoals hij het zelf zegt: zijn leven is veranderd en persoonlijk ben ik blij dat “De Indo” Ed’s gemoedstand in positieve zin heeft gekeerd.

Benno Apon
Whittier, CA

I was a soldier, or I was a Veteran

Nabestaanden KNIL-militairen naar rechter om backpay

  1. Met uw permissie; een (voor Nederland) aangepaste versie van het Amerikaanse “I was a soldier, or I was a veteran”.
    “I was a soldier, or I am a veteran,we put it simple in those four plain words. We speak them softly, just to ourselves, as others may have forgotten. They are a pledge, that stems from a document which said “I SOLEMNLY SWEAR, to protect and defend, and from a flag called “The Red-White-and Blue”. Listen and you can hear voices echoing “Follow me”, “Medic”, “Oh God”. If you can’t hear them, you weren’t, if you can you WERE. You can hear those echoes, visit a Veterans Administration hospital, hear the sound of Taps, and we are remembering family and buddies who were at Pasir Poetih, Madoera, Djambi, Krawang, Batoedjadar, Dockdja, and many other places, long forgotten by others and friends, NOT by us, who remember those four simple words, you could carve them in stone”
    Opdat wij hen, die decennia geleden, de belofte “To protect and defend” uitvoerden.

    By Robert Beckman Lapre

Het zwarte schaap heette de Turk

Raymond Westerling slaagde er met zijn drastische aanpak in om de terreur te breken, het verzet de kop in te drukken en de steun van de bevolking af te dwingen. De orde keerde op Zuid-Celebes terug. Volgens de historicus Willem IJzereef vielen in de drie maanden durende actie zo’n 5000 slachtoffers. Een groot deel hiervan werd echter niet door de Speciale Troepen gedood, maar door het KNIL, de kampongpolitie en strijdgroepen, die met de Nederlanders samenwerkten. Door het Indonesische verzet werden in dezelfde periode ruim 1500 mensen om het leven gebracht. De Nederlandse legerleiding zag de zuiveringsactie aanvankelijk als een groot succes.

De “40.000” van Zuid-Celebes

De gebeurtenissen op Zuid-Celebes gaf de Indonesiërs echter een sterk wapen in handen. Door Soekarno werd het optreden van Westerling met succes aangegrepen om het elan van zijn eigen troepen op te voeren en om sympathie in het buitenland voor de Indonesische Onafhankelijkheidstrijd te verkrijgen. Westerling werd er van beschuldigd tienduizenden onschuldige burgers om het leven te hebben gebracht. In de algemene vergadering van de Verenigde Naties noemde de Indonesische afgevaardigde zelfs een aantal van 40.000 doden. De “40.000” van Zuid-Celebes blijken een uitstekend propagandamiddel te zijn geweest, die tot de dag van vandaag doorwerkt. Generaal Simon Spoor achtte Raymond Westerling vanwege nieuwe excessen op West-Java en de aanhoudende negatieve publiciteit rond zijn persoon niet langer geschikt voor zijn taak als commandant. Op 16 november 1948 droeg Westerling het gezag over en kwam er een einde aan zijn militaire carrière.

Westerling heeft zijn optreden op Zuid-Celebes altijd hardnekkig verdedigd. Dat hij, als hij het nodig vond, meedogenloos te werk ging, heeft hij nooit tegengesproken. In interviews ontkende hij echter zich schuldig te hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden. “Het invoeren van het standrecht op Zuid-Celebes was het gevolg van een zuiver menselijke redenering, alhoewel het voor veel mensen een beestachtige daad was. Maar ga je dieper op de redenering in waarom ik gedwongen was dat te doen – ik heb mezelf opzij gezet, ik heb de krijgsraad geriskeerd en de publieke opinie – dan is het de enige manier om met een minimum aan bloedvergieten de rust en orde te herstellen op Celebes. Dat is van belang, omdat overal waar botsingen zijn er maar één werkelijk slachtoffer is: het volk.”

Onverwachte bijval kreeg Raymond Westerling uit Indonesische hoek. Volgens de Indonesische ex-kolonel en militair historicus Prof. Mr. Natzir Said kan Westerling niet zondermeer als een oorlogsmisdadiger worden bestempeld. “Iedere militair weet: onder een Staat van Oorlog worden mensen ter plaatse doodgeschoten. Dat is normaal. Standrechtelijke executies werden niet alleen door Westerling uitgevoerd, maar ook aan onze zijde. Heel wat spionnen van de Nederlanders zijn door ons doodgeschoten na een onderzoek ter plaatse. We omsingelden dan zo’n desa en als die mensen zeiden: ‘Hij is een mata-mate, spion van het KNIL….naar de boom!’” Waren de standrechtelijke executies volgens Natzir moord? “Dat houdt een oordeel in”, zegt hij, “dat er iets crimineels van maakt, waar de rechter zich mee moet bemoeien. Maar dit was oorlog. Het is vaak moeilijk te begrijpen voor civiele mensen. Volgens de Conventie van Geneve mogen krijgsgevangenen niet zonder onderzoek worden doodgeschoten. Westerling hield zich daaraan, voor zover het ging om gevangenen die verklaarden tot de officiële Republikeinse strijdmachten te behoren. Maar in andere gevallen….geen pardon. Als je de daden van Westerling misdadig vindt, dan moet je ook naar zijn commandanten kijken”.

Door Fredrik Willems (deel biografie)

`Beeld van Molukkers hier is ‘n stereotype’

Molukkers in Nederland
Een artikel van NRC

Vijftig jaar geleden kwam de familie Kukupessy naar Nederland. Langzaam vervlakt de lotsverbondenheid. Maar: `De Molukker is trots, trots op zijn afkomst

Johny Kukupessy koestert een foto van zijn eerste minuten op Nederlandse bodem. Gewikkeld in witte doeken ligt hij in de armen van zijn vader, een trotse Molukse marineman in uniform. Anderhalf jaar oud was Johny destijds. Vijftig jaar later heeft hij een goede baan in de automatisering en woont hij met zijn gezin in Blaricum. Hij is naar zijn zeggen ,,volledig geïntegreerd” in de Nederlandse samenleving.

Toch noemen zijn dochters Esther (24) en Lyoba (21) zichzelf `Molukker in Nederland’. Aanvankelijk waren ze zich niet bewust van hun roots, totdat zij van anderen te horen kregen dat hun familie `als bootvluchtelingen’ in Nederland is terechtgekomen. Nu zijn ze bij alle Molukse manifestaties en bijeenkomsten te vinden en verdiepen ze zich in de geschiedenis van de Molukkers.

Weinig Nederlanders kennen dit verhaal. Esther en Lyoba merken dat vrijwel dagelijks. Het beeld dat heerst over Molukkers is gebaseerd op stereotypen, zeggen zij. ,,`Molukkers kunnen goed voetballen en muziek maken’, krijgen we altijd te horen, maar ze zijn ook `dom, brutaal, vechtjassen’.” Ook over het land van herkomst weten hun leeftijdgenoten niets. ,,Ze maken geen onderscheid tussen de Molukken en Indonesië, en dat land kennen ze alleen van de rijstvelden en de kruidnagelen.”

Sinds woensdag is een nieuwe typering aan dit rijtje toegevoegd. De integratie van de derde generatie Molukkers in de Nederlandse samenleving blijft steken, blijkt uit een onderzoek van de Rotterdamse hoogleraar J. Veenman. Taalproblemen zouden daaraan ten grondslag liggen.

Hoewel Esther en Lyoba zich absoluut niet herkennen in dat beeld – ze hebben een Nederlandse moeder en zijn in tegenstelling tot Johny niet tweetalig opgevoed – is het voor hen geen nieuws. ,,Toen ik op de middelbare school kwam, kreeg ik taallessen aangeboden”, zegt Esther. ,,De leraren gingen er automatisch van uit dat mijn grammatica tekortschoot. Daarop heb ik een taaltest afgedwongen, om het tegendeel te bewijzen.”

Lyoba heeft het nog sterker meegemaakt: zij kreeg na tien minuten op de mavo te horen dat ze naar `niet-Nederlandse hulp’ diende te gaan. ,,Ik was gigantisch boos en heb een hele heisa getrapt”, herinnert ze zich. Gedeeltelijke excuses van haar mentor kwamen pas een half jaar later. Het heeft Lyoba geïnspireerd tot het opzetten van een actie voor een school zonder racisme.

Esther kreeg na de lagere school een mavo-advies, maar ze besloot het op de havo te proberen. Inmiddels is ze, na een paar jaar logopedie gestudeerd te hebben, derdejaars op de pabo. ,,Wij leren daar om buitenlandse kinderen niet te veel te pushen. Die hebben het al moeilijk zat en het helpt bovendien nauwelijks.” Een foute aanpak volgens haar, en anders dan ze thuis gewend was. De Kukupessys hebben hun dochters namelijk altijd gestimuleerd om door te leren. Zelf had Johny graag de hbs willen volgen, maar dat bleek eind jaren ’60 niet haalbaar. ,,Een goede opleiding is ook een kwestie van geld”, zegt hij nu. Want aan motivatie om verder te komen in de maatschappij, ontbrak het hem niet. Via de mulo, avondstudies en een kandidaats rechten werkte hij zich geleidelijk op.

,,Wij moeten altijd extra ons best doen als Molukkers. Dat heb ik van huis uit meegekregen.” Kukupessy verwijst in dit verband ook naar zijn vader, die tot de kleine groep Molukkers behoort die dienden bij de marine. ,,Daar kwam je niet zomaar bij, dat was alleen weggelegd voor de beste Molukkers.” In tegenstelling tot de duizenden KNIL’ers die bij aankomst in Nederland uit militaire dienst ontslag kregen aangezegd, werden de ongeveer honderd Molukse marinemannen opgenomen bij de Koninklijke Marine. Dat betekende echter niet dat hun vernederingen bespaard bleven. ,,Toen mijn vader in 1956 met pensioen ging, werd hem het staatsburgerschap ontnomen. Het hele gezin werd daamee stateloos.”

Kukupessy vertelt het verhaal met een vuur alsof het gisteren is gebeurd. Zijn verontwaardiging is kenmerkend voor de manier waarop veel Molukkers spreken over hun ervaringen in Nederland. Het beeld dat de Molukse gemeenschap hierdoor is samengesmeed tot een hechte eenheid, is echter ook een stereotype. Het maakt nogal wat uit of je in Huizen of in Capelle aan den IJssel woont, of je KNIL’er bent of van de marine, of je half Nederlands bent of niet. Bovendien profileren Molukkers zich onderling tegenwoordig meer dan voorheen op afkomst en geloofsovertuiging. Kukupessy: ,,De onderlinge solidariteit is aan het verdwijnen. Als je tien jaar geleden een Molukker op straat tegenkwam, groette je elkaar. Er heerste nog een gevoel van lotsverbondenheid. Nu is dat vervlakt en verwaterd.”

Kukupessy maakt zich zorgen over de splitsing die hierdoor ontstaat. Ook zet hij vraagtekens bij de wijze waarop de Molukse cultuur in Nederland levend wordt gehouden. ,, Ze hebben het vandaag over cultuur, maar alles wat ik zie, is een eettentje en een standje met sarongs en speldjes. Dat noem ik folklore.” De cultuur levend houden, dat houdt volgens hem veel meer in: het respect voor ouderen moet doorgegeven worden, evenals de kennis over de adat, de traditie. ,,Wel moet het misschien gemoderniseerd worden. Op de Molukken zeggen ze dat we vijftig jaar hebben stilgestaan.”

Zijn er wellicht ook stereotypen die correct zijn? De Molukker als gevoelsmens, misschien? Kukupessy senior: ,,Een gevoelsmens, jazeker. En gezagsgetrouw, hoewel dat voor de jongeren anders ligt.” Na een korte discussie met Lyoba over de inhoud van het begrip gezagsgetrouw, komt Johny Kukupessy tot een andere typering: ,,De Molukker is trots, trots op zijn afkomst en hoeft zich voor niemand te schamen. Daar sta ik nog altijd achter.”

Westerling – Deel 7

De algemene situatie rond Medan, Sumatra

Door de afgekondigde Indonesische onafhankelijkheid op Java ontstond er in 1945 in noord Sumatra 7 actieve politieke groepen die ook hun eigen gevechtseenheden hadden, waarmee zij ten strijde trokken. Deze politieke groepen van Atjeeërs, Batakkers, Javanen, etc. waren onderling ook in een hevige machtsstrijd strijd verwikkeld en slachtten elkaar op een gruwelijke manier af.  Daar moest Westerling met zijn mannen zich dan vaak tussen in mengen voor de orde en handhaving en het beschermen van de mensen. Vooral de Chinezen vanwege hun succes in de handel, moesten het vaak ontgelden.

De politieke partijen met hun strijdende groepen waren:
Partai Nasional Indonesia (PNI) met de eenheden Napindo, Naga Terbang, Harimau Liar en HalilintarPartai Socialis Indonesia (Pesindo) met de eenheid Ksatria Pesindo (Barisan Bintang Merah)
Partai Komoenis Indonesia (PKI) met de eenheid Barisan (Lasjkar) Merah, Hizboellah, Sabilillah en Moedjahidin
Partai Krister Indonesia (Parkindo) met de eenheden Barisan Pemoeda Parkindo, Divisie Parah (Pijl- divisie)
Partai Socialis met de eenheid Pemoeda Partai Socialis
Jkatan Peladjar Indonesia met de eenheid Tentera Peladjar Indonesia (TERPI)
Poetera Negara NEHRU (Br. Indiërs) met de eenheid Tentera Poetera Negara NEHRU. Versterkt met gedeserteerde Japanse-Engelse en Brits Indische troepen.

Bij de brug Titi Papan over de rivier de Deli vonden regelmatig schermutselingen plaats. Deze brug was de verbinding tussen het opstandige westelijke gedeelte en vormde met oostelijke deel de demarcatie lijn. Daarnaast liep parallel de weg tussen Medan en Belawan. Deze verbindingsweg werd de dodenweg genoemd. Dit vanwege de constante aanvallen op konvooien. De weg werd opengehouden door verkenningen van pantserwagens met vliegtuigsteun.

Luitenant Westerling had de opdracht een geheime politiemacht onder de naam Status Blue op te bouwen. Die politiemacht rekruteerde hij uit oud KNIL militairen, die voornamelijk afkomstig waren uit het Korps Marechaussee. Verder vond rekrutering uit de volgende groepen plaats.
Tijdens de oorlog 1942-1945 kwamen vele inheemse KNIL militairen op straat te staan en waren werkeloos. Zij hielden zich bezig met allerhande karweitjes, zoals tuinieren. Deze inheemse soldaten hadden hun gezinnen en hun kinderen (anak kolong di tangsi) waren na de oorlog ook volwassen geworden.
Dan waren er nog de Strappans van de KNIL. Dit zijn langdurig inheemse gestraften, die toen hun straf als drager/koelie uitdienden. Het waren meestal mannen uit de buiten gewesten.

Op een avond melde zich plotseling een van zijn ondergrondse agenten, een Atjeher, bij Westerling in hotel de Boer. Djalil boog zich naar voren en fluisterde: “De Pasukan*-Hayrullah van de Gagak Hitam is in de kampong Petisahdua”
De Gagak Hitam (Zwarte Raven) waren een van de beruchtste terroristenbenden van Medan en omgeving. Hun kern bestond uit ex-sukarelas uit de Japanse militaire school en het uitschot uit de Bataks-Atjeh omgeving. Het waren geen nationalisten maar moorden en verkrachten hun medemens als dieren. Hun leider was Guru Jahja en een van de leiders van zijn strijdkrachten was Hayrullah, de beestmens en getraind door de Jappen. En nu meldde een man met de naam Djalil: : “De Pasukan*-Hayrullah van de Gagak Hitam is in de kampong Petisahdua”
Het ondergrondse politiekorps werd via persoonlijke boodschappen op de hoogte gebracht wat van hun de volgende nacht werd verwacht. Vroeg in de ochtend klonken plotseling het geluid van granaten en Tommyguns.  Toen was het weer stil. De gevangen vrouwen die als seksslaven werden misbruikt werden bevrijd. De Gagag Hitam en Hayrullah bestonden niet meer.

Begin Julie 1946 werd Luitenant Raymond Westerling door de Engelsen van zijn functie ontheven en op 17 juli stapt hij in het vliegtuig om zich in Batavia te melden. Ook het ondergrondse politiekorps werd door de Engelsen ontbonden.
Intussen werd op 15 april 1946 het KNIL Medan Bataljon weer opgericht door het weer oproepen in militaire dienst van de dienstplichtigen. Stadswachter, Landstormers, en het daar aanwezige gewezen inheemse KNIL militairen, vrijwilligers van diverse landaarden, bijvoorbeeld Arabieren, Klingelezen en Chinezen. Tevens werd voor de Chinese wijken een vrijwilligerskorps opgericht de “PO AN THUI” uit pure chinezen en bewapend en getraind door het KNIL.
Op 18 juli 1946 werd de naam Medan Bataljon verandert in VI Bataljon Infanterie (INF.VI). Hierbij werden vele mannen, oud Marechaussees, die onder Westerling hadden gediend, de kern.
Onder het volk stonden ze bekend als Maresosee. Deze mannen hadden o.a. ook geholpen bij het vernietigen van de beruchte bende Gagag Hitam onder leiding van Hayrullah, een prestatie van de bovenste plank.

Gagak Hitam wapen KNIL VI Bataljon Infanterie

Het Gagag Hitam wapenembleem van VI Bataljon Infanterie werd als erenaam met trots door dit korps gedragen.
Waarbij met geplaatste eergevoel de Romeinse cijfer VI in ROOD het beroemd/berucht kraagembleem “de drie bloedvingers ”van het roemruchtig Korps Marechaussee in wordt gezien.

PS: Via een lezer het volgende bericht ontvangen.
“Hier in Amerika is er een groep ex-Westerling soldaten die bij een begravenis van een Westerling wapenbroeder de erewacht houdt in de uniform van toen. Ze kregen veel bekijks bij de Amerikanen toen met de begravenis van zijn oom in Colorado Springs.”

 

CONQUERERS BECAME LOSERS

In order to capture the Queen of the Netherlands and the government, the German army launched operation Fall Gelb on May 10th 1940, where for the first time in modern warfare thousands of paratroopers were deployed in large numbers. The airports Ypenburg, Valkenburg and Ockenburg were among the first attack targets. Kees Oversier (88), then cadet with the Garde Regiment Grenadiers, fought near Ockenburg in The Hague, where the airport was recaptured from the Germans.

It was around four o’clock in the morning of May 10 when hundreds of German paratroopers were dropped around Ockenburg. Kees Oversier, who as a 19-year-old Reservist Cadet Officer and section commander of the 1st Company of the 1st Battalion Grenadiers was stationed a few kilometres north of the airport, said that they were completely taken by surprise by the airborne troops. “We had never been trained for an attack from the air.”

Awakened by the sound of airplanes he immediately reported to Reservist Captain Muller Massis, the company commander. “Ammunition was distributed and we made ourselves ready to advance on the enemy. Where they were, we did not know exactly, but we did go in the direction of the airport Ockenburg in Loosduinen. In any case, we had to ensure that the enemy forces could not advance towards the center of The Hague. In those days communications were very poor, there was little coordination thus allowing anyone acting on their own initiative. However, also a lot of courage was displayed. Knowledge of the strength of the airborne troops we did not have. ”

German Preponderance

The airport itself was guarded and defended by troops of the 22nd Depot Company under Captain Boot.

Oversier: “There were roughly a hundred men who had only been in service for three months. They courageously stood firm and given us an opportunity to mobilize and march on”. While the Depot troops battered the German paratroopers and planes with rifles and faltering machine guns, several German transport aircraft still saw a quick opportunity to land, with the result that within a short time about four hundred Germans landed in and around the airport and immediately opened fire on the Dutch troops. Because of their superiority, the Germans managed to capture the airport early in the morning. The Depot troops lost 24 men and 13 were wounded in this attack. Because of the shelling the airport was out of order; it was one big disaster with twenty plane wrecks blocking the runway, making further German landings impossible. Led by General-Lieutenant Graf von Sponeck the Germans spread out in groups into the surrounding woods. In the meantime Dutch troops had begun encirclement of the woods.

Retake Airport

 Grenadiers and Jagers were quickly given orders to move up to the airport to recapture it. On the north side of Ockenburg the 1st Battalion Grenadier was in action, south-west of the airport, at Monster, the 1st Battalion Jagers. To the east, at Loosduinen, positions where a Grenadiers Section of the 47th Machine Gun Company, 47 PAG (anti-tank guns) and some reinforcements were stationed. The 1 Company Grenadiers, with among others, Oversier marched around eight o’clock in the morning of the 10th of May towards Loosduinen and the airport.

“Civilians were applauding us along the way, glad we went to fight the Germans. The ammunition car soon fell into enemy hands, and there were many skirmishes with the Germans. In the neighbourhood of Loosduinen we came under heavy fire, killing several soldiers and injuring our captain Muller Massis. Command was then transferred to Reservist 1st Lt. Verspyck Mijnssen and I was given responsibility for another section. Now I had as a 19-year-old man suddenly sixty men under me, all fathers with families who were called up during the mobilization. ”

Kees Oversier

War Over

 The next day, on May 12, the Grenadiers, in cooperation with the Jagers, were ordered to clear the entire wooded area around Ockenburg. “I have seen dead German paratroopers hanging in the trees. We also came across a number of motor bikes of the DKW brand, which I myself have ridden. The Germans had all sorts of things with them. I heard that they even had a white horse with them one of the planes to parade and mark their triumphal entry. That day we drew further through the woods to Monster, but by then our war was over and done”.

The parachute troops of Graf von Sponeck had regrouped and did not linger here but had moved toward Wateringen. There they fought on properly. Our task came to an end on that third day though, when Rotterdam was bombed and we as winners became the losers. For that we did cry.”

In the Militaire Spectator of August 1941 the fighting around Ockenburg was discussed in detail. The article also mentions the bold attack on the Belvedere by Kees Oversier: ‘Said Ensign behaved here very brave and showed a lot of prudence.’ ‘Fort this courage I received from my Queen Wilhelmina the Bronze Cross, which, in 1946 was awarded to me in the Dutch East Indies. “I was there, since March 1946, after traveling around the world, as staff officer and head of the Combat Intelligence with the Tiger Brigade in Semarang and Salatiga.

But the Bronze Cross is not the only award that Oversier received. During the war he was actively involved in Dordrecht with the underground resistance and he hid, among others, an American pilot who later could flee through the Biesbosch to the liberated south. For that Oversier received the Verzetsherdenkingskruis (Resistance Commemorative Cross) and even an award from General Eisenhower and the British Air Chief Marshal.

Oversier, when folding the old topographic maps of The Hague dunes and airport Ockenburg, says he can look back on an exciting military episode from his life in the Grenadiers, retiring as reserve Major. But when he talks about those days in May 1940, the bombing of Rotterdam and the subsequent capitulation, his voice falters. It keeps sticking in his throat. Never forgotten.

Van overwinnaars naar verliezers door Anne Salomons uit: Checkpoint nr. 4 / mei 2009. Vertaald door John Papenhuyzen op verzoek van Jacques Brijl.

‘Troostmeisjes waren noodzakelijk tijdens WOII’

Historiek.net meldt:

Onder meer in China en Zuid-Korea is commotie ontstaan over een uitspraak van Toru Hashimoto, de burgemeester van de Japanse stad Osaka. Volgens deze burgemeester waren prostituees tijdens de Tweede Wereldoorlog noodzakelijk. Zonder de prostituees zouden de Japanse militairen de discipline niet hebben kunnen bewaren.

De uitspraak ligt uiterst gevoelig omdat de Japanners tijdens de oorlog duizenden vrouwen dwongen tot prostitutie.

Het aantal vrouwen dat zich moest prostitueren wordt geschat op zo’n tweehonderdduizend. In voormalige Nederlands-Indië zouden ongeveer twintigduizend vrouwen gedwongen zijn tot prostitutie.

Troostmeisjes

De vrouwen en meisjes die door de Japanse overheid beschikbaar werden gesteld aan aan militairen die het keizerrijk dienden, werden ook wel troostmeisjes genoemd. De militairen waren ver van huis en moesten daarom ‘getroost’ worden. De vrouwen die voor deze ‘troost’ moesten zorgen werden in de meeste gevallen gedwongen zich te prostitueren en systematisch verkracht. De Japanse bezetter zag gecontroleerde seks in militaire bordelen als een pragmatische maatregel om geslachtsziekten en grootschalige verkrachtingen te voorkomen.

De burgemeester van Osaka heeft nu gezegd dat de prostituees noodzakelijk waren. “Voor militairen die hun leven waagden was een troostmeisjessysteem noodzakelijk om hen tot rust te laten komen”, aldus de burgemeester. “Dat is voor iedereen duidelijk”.

Chinese en Zuid-Koreaanse overheidsvertegenwoordigers hebben hun teleurstelling over de uitspraken inmiddels geuit. Volgens Zuid-Korea blijkt uit de opmerkingen dat de burgemeester een slecht historisch besef heeft en geen respect heeft voor vrouwenrechten.

‘Geen bewijs’

De uitlating van de burgemeester van Osaka staat niet helemaal op zichzelf. In Japan zijn veel nationalistische politici niet blij met de excuses die het land in 1993 voor de seksslavernij aanbood. Volgens hen is er geen bewijs dat de vrouwen gedwongen werden tot seks met Japanse soldaten en zou er ook geen sprake zijn geweest van stelselmatig misbruik.

 

Westerling – Deel 6

Geïnterneerden uit de kampen naar Medan.

De uitgesproken proclamatie van de Republiek Indonesia had tot nu toe weinig indruk gemaakt op de Sumatranen. Ze hadden veel meer last van de terroriserende bendes en vroegen zich af wanneer de Nederlandse troepen zouden landen. Westerling wist dat en er snel gehandeld moest worden, voordat het geduld op is en de mening veranderde.
Japan beschikte op Sumatra nog steeds over een strijdmacht van ongeveer 70,000 man waarvan 50,000 gelegerd waren rond Pemantansiantar, ongeveer een 100 km beneden Medan.
Van de Nederlanders behorende bij Force 136 waren er slechts 25 man.
En intussen werd de dreiging van de terroristen steeds groter.
Westerling bedacht een plan en legde het voor aan zijn baas Carl Brondgeest.
Ten eerste moest de intussen gevormde ondergrondse politie groep van Westerling de positie in en rond Medan handhaven.
De namen en posities van de benden waren bij Westerling bekend en die moesten spoedig de leegstaande gevangenis Soekamoelia gaan vullen.

Het doel was tweeledig:
Een veiliger omgeving voor de geïnterneerden en POW in Medan.
Reactie peiling van de Japanners. Immers de Engelsen in Colombo hadden hun verantwoordelijk gesteld voor de rust en vrede hier ter plaatse. Het transport zou gedeeltelijk per spoor en ook per truck moeten gebeuren.
Op het zelfde tijdstip van de evacuatie moest er een methode gevonden worden om de rivaliteit tussen de benden aan te wakkeren, vooral langs het spoor en de route die de trucks namen.

Het transport moest begeleid worden door de verantwoordelijke, maar betrouwbare Japanners.

Westerling werd door een aantal hoge Japanse officieren door zijn optreden met respect behandeld. Daarnaast trad hij hun altijd op een vriendelijke manier tegemoet. Hij besloot een paar van de hoogste officieren zoals Kapitein Hundjo en Major Imamura, in het hotel de Boer voor een etentje met veel drank uit te nodigen.
Tijdens het diner sprak hij over zijn en hun familie, waarna aan het einde hij over ging op de situatie van de gevangenen. Het plan werkte en hij kreeg de volledige steun en beschikking van vervoer.

De volgende stap was het verzenden en bezorgen van beledigende brieven en pamfletten en het verspreiden van geruchten via zijn ondergrondse politie.

De volgende dag begon de machinerie van Westerling te draaien. De zuivering van Medan en omgeving verliep, op enkele schermutselingen na, voorspoedig. Daarbij kregen de mannen van Westerling heel wat extra wapens in handen. Daarnaast kregen ze ook diverse documenten, propagandamateriaal en een paar stempels van P.K.I. en P.K.R. in handen. Dit laatste kwam Ray goed van past bij het verspreiden van de valse geruchten om de verschillen en vetes aan te wakkeren.

Tevreden ging Westerling naar bed.

De volgende dag werd hij door Victor verrast, want enkele Nederlandse politiemannen stonden achter hem. Deze mannen wisten ongezien hun kamp te verlaten Onder hen was Inspecteur Generaal Boon van Ochsee, Commissaris Suurbiers en de Inspecteurs van der Plank, Leenhardts en Hooijdonk. Hun aanwezigheid betekende een aanvulling van het kader van zijn ondergrondse politie macht.

Als op 3 oktober de extremisten met elkaar slaags raakten, begon de evacuatie van alle kampen; zowel per trein als per vrachtwagen.
Westerling was bij dit transport niet aanwezig en liet het gebeuren aan de Jappen over.

De geïnterneerden en P.O.W.’s werden beschermd door Japanse soldaten van het Keizerlijke Japanse leger en arriveerden veilig in Medan.
Zonder incidenten werd op 9 oktober de evacuatie voltooid.

 

Westerling – Deel 5

Ray Westerling komt in aktie

Nadat Ray Westerling door Carl Brondgeest van de heersende situatie rond Medan op de hoogte was gebracht, werd besloten dat de Majoor zijn opdrachten en berichten zal blijven doorgeven aan de Engelsen in Colombo. Intussen ging Ray zijn meegekregen opdracht op eigen houtje uitvoeren, namelijk een ondergrondse politiemacht organiseren, buiten de Japanners om.

Twee weken geleden werd hier “All Clear” gegeven, waarbij uit Java berichten kwamen over de proclamatie van een onafhankelijk Republiek Indonesië en de daar reeds uitgebroken rebellie van permudas en ploppers. Hier liepen de Jappen nog steeds zwaar gewapend rond. De bevolking in Medan wist nog steeds niet waar ze aan toe zijn. Ray Westerling besloot, met alle risico van dien, een wandeling door de stad Medan te maken om het volk te peilen.

Na deze nachtelijke conversatie besloten beiden naar bed te gaan.

Met de rode baret op, de pistool op zijn heup, begon Westerling vroeg in de ochtend aan zijn wandeling door Medan. Het enige verkeer bestond uit Japanse vrachtwagens met vijandig kijkende Jappen. De plaatselijke bevolking stond of zat aan de kant en begroeten hem met een glimlach en een lichte beleefde buiging. Iets verder in de Chinese wijk werd hij stormachtig ontvangen. Kwam er eindelijk orde en vrede?

Uit het publiek trad een Indische jongen naar voren. Westerling herkende hem als de bediende van Majoor Brondgeest. Hij stelde zich aan Westerling voor als Victor Sihombing en vertelde hem dat hij de afgelopen nacht met Molukse korporaal Sariwatting had gesproken. Sariwatting zei mij dat ik U alleen moest zien te spreken. Westerling zei hem om 3 uur bij hem op de kamer te komen melden.

Verder lopend zag hij in de straat een opstootje. Een Indiaman stond wild te gebaren terwijl Jappen bezig waren het meubilair uit zijn huis te halen en het op hun truck te laden. Bij de truck stond een officier. De Indiaman vertelde aan Westerling wat er aan de hand was. Westerling liep toen recht op de Japanse officier af, de hand op zijn revolver, en beval hem het meubilair terug te brengen. Na een heftige aarzeling beval de Japanse officier zijn manschappen de hele inboedel terug te brengen. Toen de inboedel van de Indiër weer teruggebracht was, vroeg Westerling aan de Japanse officier, wie die opdracht had gegeven om de meubelen te nemen. Het hoofdkwartier, zei de officier.

Westerling maakte hem duidelijk dat hij nu het hoofdkwartier vertegenwoordigde, stak zijn hand uit en bedankte hem.

Om 3 uur in de middag meldt Victor zich bij Luit. Westerling op zijn kamer in hotel de Boer. Victor vertelde, dat hij eigenlijk de enige overlevende van de familie was. Na de inval van de Jappen in 1942, werd zijn familie, die als pro-Nederlands bekend stond, deels door de Jappen, deel door de Sukarelas, uitgemoord. Enkelen, zoals zijn vader en broer, waren op een afschuwelijke manier afgemaakt. Ik kon nog net op het nippertje ontsnappen.

Westerling was overtuigd van de jongen en gaf hem een opdracht, die hij met niemand mocht delen. Ook niet met Majoor Brondgeest of korporaal Sariwatting.
Intussen kreeg de luitenant van uit Colombo een dringen verzoek om uit te zoeken wat er precies is gebeurd met Generaal Overakker. Nadat de Generaal door de Jappen geïnterneerd werd, wist hij daar een verzetsbeweging op touw te zetten. Daarna belande hij in een gevangenis in Medan en sindsdien is er niets meer van hem vernomen.
Het onderzoek leidde tot een botsing met de directeur van de gevangenis van Medan Soekamoelia.
Bij het binnentreden van Westerling zat deze vette directeur met een paar Japanse officieren aan de sake.
Toen Westerling hem om de benodigde informatie vroeg, vervloekte hij de luitenant. Met een beweging werd hij over de tafel getrokken en neergeslagen. Het sake feest was over en de zaak opgelost.
Generaal Overakker is gevonden. Hij was onthoofd.

Van nu af aan besloot Westerling harder tegen de Jappen op te treden.

Kapitein Hundjo, die uitstekend Engels sprak, had de leiding over de Jappen in hotel de Boer. Hij had persoonlijk een wacht voor de kamer van Westerling geplaatst. Van de luitenant kreeg Hundjo de opdracht de bewaker voor zijn deur te verwijderen, wat niet direct gebeurde. De volgende dag pakte een boze luitenant de Japanse bewaker met geweer en al beet en smeet hem van de trappen naar beneden.
Daarna ging Luit. Westerling zelf een stap verder en beval Kapitein Hudjo voor een auto te zorgen, die morgen voor de deur diende te staan.

De volgende morgen stond een Hudson voor de deur.

 

Westerling – Deel 4

Operatie Status Blue

Op 16 augustus werd een officier van Force 136 met zijn team bij Pangkalanbrandan gedropt. Carl Brondgeest was van beroep werktuigkundig ingenieur en door zijn werkzaamheden in China sprak hij naast de moderne talen ook verschillende Chinese dialecten en was expert in oosterse aangelegenheden. De situatie in Medan en noord Sumatra was zodanig dat hij zijn bevindingen doorgaf aan Colombo, waar de Nederlanders onder aanvoering van de Engelsen werkten.
Brondgeest, met zijn ervaring, zag al gauw de bui hangen en drong op versterking vanuit Colombo.
Hij drong aan op spoedige maatregelen ter versterking van de troepenmacht, maar de Engelsen toonden geen haast. Trouwens, door het verdrag dat Nederland in Londen met de Engelsen tekende, hadden de Nederlanders van Force 136 in Medan niets te vertellen en werden volledig genegeerd.

En de Japanners hadden alleen naar de Engelsen, die in Colombo zaten,  te luisteren.
Alleen werd op 8 september 1945 de paracommando luitenant Raymond Westerling ontboden bij de commandant Nederlandse Inlichtingendienst te Colombo, kapitein tz. Wingender en kreeg van deze orders voor een zeer geheime operatie met de naam Status Blue, de opbouw van een ondergrondse politiemacht.
Westerling werd 3 dagen later met zijn team van 4 man, bestaande uit de Nederlands De Leeuw, Quinten, de Ambonees Sariwatting en de Engelsman Captain Turkhead per vliegtuig gedropt.
De Engelsman Turkhead werd op het laatste moment door het Engels gezag in Colombo aan zijn team toegevoegd. Zeer waarschijnlijk als spion.

Westerling melde zich na de landing bij majoor Carl Brondgeest terwijl de Jappen onder leiding van hun kapitein Hundjo, die goed Engels sprak, hen van een afstand opnamen. Hij werd ondergebracht in hotel de Boer.

Die zelfde nacht hadden Carl Brondgeest en Raymond Westerling een lang gesprek. Een gesprek waarbij Westerling van de toestand in Medan en omgeving volledig op de hoogte werd gebracht. Gedurende dit gesprek werd aan de overkant in een ander gebouw, waar veel licht brandde door de Japanse officieren hun aanstaande repatriëring gevierd.

Op de vraag van Westerling: “Wie heeft eigenlijk de oorlog gewonnen?” Een goede vraag, was het antwoord van Carl. “Wij in ieder geval niet”. “De Engelsen spelen een spelletje en de Jappen spelen met hen mee”.

In Colombo was aan het hoofd van de Anglo Dutch Country Section (ADCS) Kapitein en luitenant ter Zee C.J. Wingender en zijn directe medewerker Scheepens.
Scheepens had in Colombo Westerling uitgenodigd voor een borrel en daarbij hem ook over de verhoudingen van de Engelsen jegens de Nederlanders ingelicht. Het kwam er op neer dat de Engelsen in geen enkel opzicht te vertrouwen waren.

Majoor Carl Brondgeest haalde toen een paar gedecodeerde telegram formulieren tevoorschijn en liet ze Westerling zien. De eerste is gedateerd op 30 augustus 1945 en hij leest: ……..you are not repeat not empowered accept Japanese surrender or make formal negotiations stop give no promises or guarantees at all to japs…….

Het tweede formulier leest : you are not repeat not empowered accept Japanese surrender or start negotiations them…….. and so on. De afzender was Mounbatten persoonlijk.

Met andere woorden, sprak Brondgeest, alles gebeurt langs mij, over mij en zonder mij.

Op twee andere plaatsen een paar 100 km verder waren nog eens 2 andere Nederlandse officieren van Force 136, de heren Sisselaar en Lefrandt met een radioverbindingsapparaat neergezet. Echter Carl Brondgeest wist niet waar, want de radio verbindingsapparaten konden alleen met Colombo communiceren en niet onderling.

Mountbatten heeft persoonlijk de zorg van het gezag aan de Jappen opgedragen.

En het volk in de straat zagen daardoor de Jappen blijven rond paraderen, nog even zwaar bewapend en met een even grote bek als voorheen.

 

 

Westerling – Deel 3

Het Engels-Nederlands Verdrag

Op 24 augustus 1945 werd er in London een Engels-Nederlands verdrag ondertekend waarin de bevrijding van Nederlands Oost-Indië in twee fasen zou plaats vinden. Eerst de militaire fase; daarin had het S.E.A.C. (South East Asia Command) van admiraal Mounbatten de volledige macht. Van dat moment waren de beslissingen van hem onaantastbaar en bevelen bindend. In de tweede fase mochten de Nederlanders hun eigen zaken mogen regelen.
Deze overeenkomst kwam de Nederlanders heel duur te staan. Zelf de Nederlandse regering in ballingschap verloor haar zeggenschap. Van dat ogenblik af weigerden de Engelsen elke militaire inmenging van Nederland. Daarnaast behartigden de Engelsen eerst hun eigen belangen.
Door de gecreëerde problemen werden de tienduizenden gevangen van de Japanners (sadistische kwelgeesten), waar onder vele vrouwen en kinderen, die nog leden in verloederde kampen, helemaal vergeten.

In oktober 1944 werden de concentratiekampen gehergroepeerd. Mannen en jonge jongens vanaf 11 jaar werden ondergebracht in het kamp Si Ringo-Ringo. Alle vrouwen, meisjes en kinderen werden achter het prikkeldraad van kamp Aek Pamienka gestopt. De Europeanen kwamen terecht in kamp Padang Halaban.
Op 25 augustus liet de kamp commandant in Si Ringo-Ringo de mensen weten dat de oorlog spoedig zal eindigen, liet sigaretten, medicijnen en voedsel uitdelen, maar zei niets over de capitulatie van dat zelfde Japan. Op de zelfde dag werd door de Jap het zelfde spelletje in het vrouwenkamp gespeeld.

En ook op de zelfde dag pleegde de Japanse verantwoordelijke man voor alle concentratiekampen, luitenant-kolonel Ito, harakiri.

Echter de Nederlandse gevangenen zouden nog lang moeten wachten voordat ze de kampen konden verlaten. De aandacht van Groot-Brittannië ging alleen uit naar de Engelse en Australische soldaten en burgers die gevangen hebben gezeten in Malakka, Siam, Birma en Indonesie.
Op 1 september 1945 wandelden 2 officieren van Force 136, de Britse majoor Lodge en de Nederlandse luitenant Sisselaar, het kamp Si Ringo-Ringo binnen. Daar werd aan de gevangen medegedeeld, dat de Jappen van nu af hun moesten beschermen.
Immers de Sukarelas hadden al laten weten dat ze alle blanda’s wilden afmaken.

 

 

 

 

Westerling – Deel 2

Sukarelas

Medio 1944 werden door het geweld van de Amerikanen de Jappen verder over alle linies in de verdediging gedrongen. Om de Indische archipel te verdedigen hadden daarom de Jappen vanaf september 1943 een gewapende Indonesische burgerwacht opgericht, de Tentara Sukarela Pembala Tanah-Air, vertaald het “Vrijwilligers korps van Verdedigers voor het Vaderland”. Naast de vrijwilligers werden ook jongemannen met harde hand gedwongen. Als kader werden ook inheemse KNIL militairen geronseld. Bij weigering stond de doodstraf. En de executies werden door de Sukarelas, vaak onder dwang uitgevoerd. Tegen het einde van de oorlog in 1945 telde deze “Indonesische groep” zo’n 120000 man. Een groep van nationalisten en avonturiers, maar ook van gefrustreerden, wraakzoekers en pure misdadigers. Deze groep zal later de basis vormen van het Indonesische leger, maar ook de basis van een terreurbeweging, die o.a. tijdens de bersiap en jaren er na op verschrikkelijke manier huishielden onder de blanken, de Indo’s en onder hun eigen weerloze volk.

Op 1 maart 1945 richte de Japanse opperbevelhebber van Java een comité op onder leiding van Soekarno en Hatta. Op 7 maart 1945 wordt Soekarno door maarschalk graaf Terauchi, Japans opperbevelhebber voor zuidoost Azie, naar Dalat, Indo-China ontboden. Op 11 augustus 1945 ontwerpen ze samen de officiële proclamatie voor de onafhankelijkheid van Indonesië, dat plaats moest vinden op 24 augustus 1945.
Soekarno is nu voor de Jappen het symbool van het antikolonialisme geworden.

De eigenlijke leider van deze Japanse manipulatie was viceadmiraal Mayeda, ondercommandant van de Japanse marine en hoofd van de Japanse inlichtingendiensten der marine in Indonesië.
Mayeda was ook zeer communistisch gezind. Soekarno en Hatta, met de steun van de communisten, besloten tot de revolutie en de volgende dag, 17 augustus 1945, las Soekarno de onafhankelijkheidsverklaring voor en bevestigde de nieuwe Indonesische Republiek.
De jeugdbewegingen holden de straten op en schreeuwden de kreet: MERDEKA! Dit laatste hadden de Jappen niet verwacht en door de Kempeitai, de Japanse geheime politie, werden de Sukarela-eenheden officieel ontbonden. Echter deze fanatieke jongeren waren reeds met hun wapens ondergronds verdwenen.
De Sukarelas veranderden in kleine bendes en noemden zich op voorstel van Soekarno, Bung (het communistische kameraad) Deze jongere groepen veranderden in gewapende niets ontziende bendes met namen als Zwarte Buffels, Zwarte Raven, Wrekende Tijgers, Bataljon de Doods, Legioen der Zelfmoord Commando’s, enz. Plundering, verkrachting, afpersing en gruwelijke mishandeling was de gewoonte van de dag geworden.