Het hertje en mijn vader

Peggy praat met het hertje bij het graf van onze vader Eddie Geenen

Peggy praat met het hertje bij het graf van onze vader Eddie Geenen

Mijn naam is Peggy Geenen, geboren op Sumatra tijdens de 2de wereld oorlog in het Japanse concentratiekamp te Padang. In het Fraterhuis op 8 oktober 1943 zag ik het levenslicht als één van de laatst geboren baby`s, die in leven zijn gebleven. Ik was nog geen 3 pond in gewicht. Werd in leven gehouden door 18 maanden borstvoeding van een uitgemergelde moeder, een beetje gestolen rijstwater uit de keuken en wat gesmokkelde thee, die mij gevoerd werd met een theelepeltje door Moesje, mijn oma.

In 1996 besloten mijn vriend Jacob van der Weide, ik en nog 6 andere personen een reis van 2 maanden naar Indonesië te maken en onze “roet” terug te vinden en op te zoeken.
De vruchtentijd oktober-november werd gekozen voor onze reis. Van mijn toen nog in leven zijnde moeder Claire Elisabeth Chevalier, kreeg ik de opdracht bepaalde plekken te fotograferen, o.a. ook het eerste huisje op palen in Sawahlunto op west Sumatra wat ze van opa en oma Geenen gekregen hebben en natuurlijk ook het graf in Jakarta van mijn overleden vader Eddie Geenen.

In Medan begon onze reis naar Padang met 2 busjes. Het huisje op palen in Sawahlunto heb ik na een lange zoek periode, uiteindelijk, gevonden.
Na de rondreis Medan-Padang-Medan en 3 dagen Bali, kwamen we aan op Oost-Java.
In Malang bleven we een week, waarna wij met een busje van oost naar west via Jogjakarta, Bandung, Buitenzorg naar Jakarta trokken. Een onvergetelijke tijd van vele steden, dorpen, prachtige sawa’s, die wij passeerden. De Borobudur en vele andere tempels, die wij bezochten, waren heel indrukwekkend.

De laatste week in Jakarta brak aan. Mijn moeder, vader en haar 4 kinderen werden direct na de oorlog naar het toenmalige Batavia per boot vervoerd. Onze vader Eddie Geenen, die vele martelingen had ondergaan, had namelijk heel urgent medische behandelingen nodig. En dat kon alleen het beste in het CBZ ziekenhuis te Batavia gegeven worden. Wij kregen toen een woning aan de Tjilamajaweg nr.:13 in Tjideng, dat ik meteen opzocht. Helaas, ik was te laat! De woning was gesloopt en alleen wat puin en fundamenten waren er nog over. Ons rest nu nog het graf of de tegel van mijn overleden vader te vinden. Diverse kerkhoven hebben we bezocht en uiteindelijk vonden wij een klein ommuurd Nederlandse kerkhof.

Er was een vriendelijke bewaker, die meteen naar ons toekwam. Ik vertelde hem dat ik de tegel of de begraafplaats van mijn vader “Eddie Geenen” zocht, die hier waarschijnlijk in 1948 is begraven. Hij liep meteen naar de langste muur en wij volgenden en bekeken alle tegels die ingemetseld waren. De bewaker was reeds verdwenen en aangezien het al 1:00 in de middag was, brandde de zon op onze hoofden. Jaap was alleen vooruit gelopen en sneller langs de tegels gegaan. Plotseling draaide hij zich naar mij toe, greep mij bij mijn schouders en zei:” Hier is de tegel van je vader”. Een onbeschrijfelijke ontroering overviel mij, want na lang zoeken hadden wij het toch gevonden! Olga en Jaap lieten mij even alleen met mijn vader en raapten in de tussentijd wat witte gevallen bloemen van de Cambodjaboom op en drapeerden het boven mijn vaders tegel op het muurtje. Na een poosje moesten wij voorlopig afscheid nemen en terug gaan naar het hotel. Wij liepen naar de poort, maar tot onze verbazing was die op slot. De bewaker was in geen velden of wegen te zien. Onze chauffeur van het busje konden wij ook niet bereiken. Olga en ik besloten uiteindelijk op twee smeedijzeren bankjes tegenover elkaar te zitten om wat te praten, Japie was een opening aan het zoeken. Plotseling zei Olga tegen mij:”Kijk Peg, een hert”. Ik keek richting haar wijzende vinger en zag tot mijn stomme verbazing een hinde over het pad lopen. Van af het eind van het grasveld begon ik foto’s te maken van deze hinde. Jaap die inmiddels achter mij stond, hielp mij over de puinhoop heen. Samen liepen wij voorzichtig verder in de richting van het hertje. Ze was op een kapotte zerk gaan staan waar wat gras groeide. Het diertje liet ons rustig naderen. Ik gaf mijn fototoestel aan Jaap en vroeg hem foto’s te blijven maken. Zelf knielde ik bij het hertje neer en begon haar over haar flank te strelen voordat ik haar kopje begon te aaien. Ze liet het me allemaal rustig toe, keek mij strak en liefdevol bijna menselijk aan, met haar mooie warme reebruine ogen, ze knipperde niet met haar ogen. Op een gegeven moment keek ik naar links en tot mijn verbazing stonden wij precies in het verlengde van mijn vaders tegel. Ik keek het hertje weer aan en vroeg:”Zit papa Ed misschien in jou? “Papa Ed, geef mij een teken dat jij in dit hertje zit”. Tot mijn verbazing verscheen er in beide ogen een geel lichtje alsof er een lampje aangestoken was.

Mijn gevoelens zijn met geen pen te beschrijven. Ik bleef haar strelen, haar kopje, tot ik dacht dat zij er genoeg van had. Maar nee, want ze legde zelfs haar kopje in mijn schoot. Onbeschrijfelijk!
Toen was het moment aangebroken om afscheid te nemen. We liepen naar de poort die inmiddels weer open was. Het hertje liep met mij mee. Ik nam met een omhelzing afscheid van het hertje. Tot mijn verbazing bleef het beestje binnen de poort en keek ons na. Terug in het hotel bleef ik echter nadenken over de bijna onleesbare tekst op de grafsteen van mijn vader. `s Avonds sprak ik er over met Olga. Ik wilde nog een keer terug naar die grafsteen. Ik wilde de woorden op de steen duidelijker maken, tenslotte kon ik schilderen. Een fijn kwastje en wat inkt of verf was genoeg. Olga zei:”Dat het wel over 3 dagen nog zou kunnen”.

Drie dagen later was het zover. Jaap zei meteen, dat hij naar het hertje ging zoeken en wilde weten of het hertje echt naar een dier rook. Aangekomen ging ik meteen naar de grafsteen en Jaap naar het hertje dat in de schaduw lag te herkauwen. Hij vroeg aan het hertje of hij even aan haar mocht snuffelen. Ze liet het hem rustig toe. Ze rook totaal niet naar een dier. Jaap zei tegen het diertje:”Ga je mee, Peggy is ook hier”. Het hertje stond meteen op en volgde hem naar mij, waar ik al druk bezig was de letters van papa`s Ed zijn naam duidelijker te maken. Waarom ik juist met zijn naam begonnen was, wist ik op dat moment nog niet. Dat werd pas duidelijk toen ik halverwege de achternaam Geenen was. Toen kwam Olga naar mij toe (ze stond met de oppasser te praten), ik moest ophouden. Ze deden het liever zelf, want dit kerkhof was van monumentenzorg. Ik vroeg wel of ik de naam van mijn vader mocht afschilderen. En dat mocht (Jaap gaf de oppasser later wat roepia’s om er zeker van te zijn dat het goed kwam en ik deed er nog een schepje boven op, om hem de omstandigheden van mijn vader, de oorlog, mijn moeder en ons leven in Holland te vertellen. Olga hielp mij met het vertalen in het Indonesisch. Toen ik klaar met de naam Geenen was kwam Jaap eraan met het hertje naast zich. Ik zag dat het hertje over de puinhopen naar mij toe wilde komen. “Nee, zei ik “ik kom wel naar jou toe, want anders breek je straks nog je pootjes”. Tot mijn stomme verbazing trok het hertje zijn pootje van de losse puinstukken weg en wachtte geduldig op mij. Vervolgens stond ze me weer toe om haar te aaien en te knuffelen. Ze liep weer mee naar de poort en daar nam ik weer voor de tweede keer afscheid van het hertje en tevens van mijn vader.

Natuurlijk werd, bij aankomst thuis, alles in geuren en kleuren en met foto’s aan de familie verteld. Ook schreef ik Olga een brief met een verzoek om een foto te maken van de opgeknapte graftegel. De man had het inderdaad weer duidelijk gemaakt.

Veertien dagen later reed ik met mijn jongste dochter Glenda, haar man en haar negen maanden oude baby Roxanne naar Duitsland om heerlijk buiten te eten. Daarna reden we weer terug van Waldfeucht naar Nederland. Het was inmiddels donker geworden. Zeker langs de weg tussen de bossen waar geen verlichting was. Al stoeiende met mijn kleindochter keek ik lachend op en zag tot mijn verbazing in de voorruit van de auto het lachende gezicht van mijn vader, papa Ed, verschijnen als of hij iets wilde zeggen, Twijfel niet… “Ik was in het hertje”. Meteen waarschuwde ik Japie mijn vriend, die alles met mij in Indonesie heeft meegemaakt, dat ik papa Ed zag. Maar toen hij keek, was papa`s Ed gezicht weer verdwenen. Het was kennelijk alleen voor mijzelf bedoeld.

Dit is het waargebeurde verhaal van het hertje en mijn vader Eddie Geenen.
Peggy is mijn jongere zus en Eddie Geenen ook mijn vader