Een meisje in Bangkinang kamp

Bangkinang en de kampervaringen van een 16-jarig meisje

Gerdy, parents and brothers

Gerdy, parents and brothers

Tijdens de Tweede Wereldoorlog in het voormalig Nederlands-Indië had Bangkinang 2 Japanse interneringskampen, want de Jappen hielden de mannen en jongens ouder dan 12 jaar gescheiden van de vrouwen en de kinderen. Bangkinang was in het midden van een jungle van rubberbomen gelegen en ongeveer 250 km van Padang. Mannen en vrouwen kamp waren ongeveer 2 km van elkaar gelegen en halverwege lag het moratorium Koeboeran.

Tijdens de maand december 1943 moesten we onze gevangenis in Padang verlaten en lopen met onze beperkte bagage naar het station. Geblindeerde wagontreinen brachten ons naar Pajacombo en hierna moest er worden overgestapt op open vrachtwagens. 35 Mensen per open vrachtwagen, en een totale colonne van 400 tot 500 vrouwen en hun kinderen naar Bangkinang.
Alles gebeurde onder de brandende zon en geen eten en water. De gehele transport naar onze nieuwe locatie in de Jungle duurde meer dan 8 uur.
Het grootste probleem in dit kamp van ongeveer 2300, zoals in alle Japanse kampen, is de vreselijke honger en gebrek aan medicijnen, en niet te vergeten de wreedheden van een deel van de Japanse, Koreaanse en Indonesiërs bewakers.
Het dagelijkse eten bestond uit een blikje rijst en een kleine hoeveelheid tapiocameel, dat “blubber” werd genoemd, zei Meity met afschuw. Haar moeder kwam later dan Meity in het kamp aan, want ze had een been infectie opgelopen en werd met andere zieken vervoerd.

Tijdens het vervoer met de vrachtwagens van Pajacombo naar Bangkinang was ook een Japanse bewaker op de truck aanwezig. Meity had in de gaten dat deze bewaker haar voortdurend zat op te nemen. terwijl ze haar gouden ketting waar een kruis aan hing, vasthield. Toen de Japanse soldaat merkte dat hij haar aandacht had, wees hij naar zichzelf, maakte een kruisteken en wees naar zichzelf waarmee haar aangaf dat hij ook een christen was. Vervolgens maakte Meity ook een kruisteken, daarbij hem aangevend dat zij hem begrepen had. Eenmaal in Bangkinang liep deze Japanse bewaker snel naar haar toe en gaf haar een pakje dat ze onder haar kleren moest verbergen. Later in de barak, opende ze het pakketje en er zat gedroogde zoute vis in. Hij had haar eten gegeven.
Sommige van de Indonesische bewakers waren behulpzaam smokkel van brieven tussen de vrouwen en mannen kampen. Een van de belangrijkste uitwisseling plek was, gruwelijk genoeg, het kamp mortuarium, een gebouw gelegen tussen de twee kampen in. Na de dood van een persoon, waren we toegestaan afscheid te komen te nemen en tegelijkertijd werden brieven uitgewisseld.

Eten smokkelen vond ook zeer vaak plaats. Maar we moesten oppassen voor een Koreaanse bewaker, die wij de bijnaam de Cycloop hadden gegeven. Hij stond altijd verborgen in het donker ergens tegen de hoge hek afscheiding, op de loer om ons te pakken te nemen tijdens het smokkelen van voedsel. Immers door het dagelijks gebrek aan voedsel waren we vaak uitgehongerd. Het was eng en tegelijk spannend om het te doen, vooral wanneer de Cycloop op wacht was, want hij stond bekend als een wreed persoon.
Meity herinnert één voorval waarbij een jonge moeder van 2 kleine kinderen zich bij de anderen aansloot om ook voedsel binnen te smokkelen. Tijdens de werkzaamheden in de tuin net buiten het kamp werd ook gesmokkeld. Deze jonge moeder ontmoete iemand uit de kampong en ze kocht via hem een pakje nasi ramas.
De Jappen betrapten haar, pakten haar beet en ranselden haar af – ze viel op de grond en vervolgens kreeg zij met de kolf van het geweer ook nog een paar klappen na terwijl andere Jappen ook haar met hun laarzen bewerkten.
We stonden daar en we konden niet helpen, omdat de andere bewakers ons in bedwang hielden met hun geweren. Deze jonge moeder, Nelly Körnmann, heeft van dat moment met niemand meer gesproken, alleen met haar 2 kleine kinderen.

Meity zelf heeft ook een flink pak slaag van de Cycloop gehad. Zij hielp vaak anderen, door hun juwelen te verkopen. Op dat moment had ze een aantal sieraden als een bundel in een zakdoek gebonden bij zich.
Meity ging op weg naar de muur om een verkoop te regelen, maar een Nederlandse meisje die haar passeerde fluisterde naar haar: “Scheve ogen kijken naar je”, en liep verder naar de toiletten.
Ik volgde haar naar de toiletten.
Toen hoorde ik zijn voetstappen en bonzen op de deuren. Eindelijk trok hij mijn deur open en trok me eruit. Het was Cycloop, de Koreaanse bewaker. Gelukkig keek hij een moment in een andere richting. Ik wipte de zakdoek bundel met de sieraden over de afscheiding.
Cycloop trok me naar buiten en naar zijn kantoor en wilde weten waar het pakketje was. Ik vertelde hem dat ik heb geen pakje. Toen begon hij te slaan en ik belande onder zijn bureau. Door een andere klap viel ik met mijn hoofd tegen de rand van zijn bureau. Hier heb ik mijn hele leven last van gehad, o.a. ook evenwicht problemen, want mijn schedel had plaatselijk een barst.
Hij trok me aan mijn haren op en begon opnieuw mij te raken. Daarna begon hij bij mij te zoeken naar de bundel met juwelen, maar kon het niet vinden. Dit maakte hem nog kwader en ik kreeg nog meer klappen. Dan zette hij me in de hoek en ik moest daar staan, de sadist.
Later hoorde ik van mijn moeder, dat een ander meisje in de ruimte van de wc achter mij zat en ving mijn zakdoek bundel op. Ze hoorde en zag alles en bracht het pakje naar de moeder van Meity.

Meity, op dat moment ongeveer 17 jaar, werd geconfronteerd met haar meest seksueel gevaarlijke situatie en dat een paar maanden voor het einde van de oorlog. Ik werd bevolen om naar de Japanse front office te komen. In dat office stonden al 3 van mijn vrienden uit Sawahlunto, namelijk de 2 zusjes Heidy en Tera Freeth en een jong meisje van 13 met de naam Leksmi. Ik dacht meteen: “Wat is er aan de hand? ‘Buiten stond een zwarte sedan en de Jappen duwde ons in de auto en reed ons uit het kamp. Ze namen ons mee naar hun militair kamp en plaatsten ons in een kamer. Dat militaire kamp was een schok voor ons meisjes, want al die Jappen liepen in de cawak (lendendoek). Na een tijdje kwam Sakai, de Jap, die ons in de auto te zetten, terug met 3 andere officieren. Ze namen ons op alsof wij goedkoop beschikbaar vlees waren en lachten en giechelen. “Welke wil je”? Ongeveer 15 minuten later verliet ze de kamer. Er werd zeker nu overlegd wie wat kreeg. Maar wij wisten niet wat er ging gebeuren.

Ondertussen rende moeder van Meity als een gek van de een naar de ander en ging vervolgens naar de kamp leidsters om hulp. Ze vroeg hen naar de wacht te gaan en de Kempeitai te bellen. Ze dreigde zelfs een opstand met de hulp van de 2300 gevangen vrouwen en kinderen op te zetten. De leidsters gingen naar de bewaker en vertelden hem dat de 4 meisjes door Sakai waren meegenomen en dat ze willen dat hij de Kempeitai belde en hem er over inlicht. De bewaker inderdaad belde de Kempeitai en lichte hem in. De Kempeitai ging naar het Japanse kamp en beviel de officieren de meisjes terug te brengen naar hun ouders. Sakai en de 3 officieren waren woedend en voor de meisjes was het een wonder dat dit gebeurde.

Het einde van de oorlog kwam op 15 augustus 1945. Voedingspakketten werden door de geallieerde troepen gedropt, waardoor er enig verlichting en hoop voor de geïnterneerde Bangkinang vrouwen en kinderen was. RAPWI nam de leiding en Brits Indische troepen vervingen de Japanse en Indonesische bewakers. Meity haar vader kwam van de mannen kamp op bezoek. De meeste van de bevrijde gevangenen bleven in de kampen want geweld en moorden tegen Indische Nederlanders en de totoks veroorzaakt door de Indonesische permudas namen enorm toe. De bersiap was begonnen.

De grootste groep Bangkinang geïnterneerden werden nu door de Britten naar Padang vervoerd en ondergebracht in het grote gebouw van de Landraad en bewaakt door Gurkhas en Indiase Siks. Ouders van Meity besloten dat ook te doen. Een paar maanden later besloten ze naar Batavia te verhuizen, waar Meity werd verenigd met haar broers. Rudi was als krijgsgevangene werkzaam geweest aan de Pakan Baru en overleefde zowel het werk aan de spoorlijn als daarvoor de Junyo Maru scheepsramp, die getorpedeerd werd. Henri was kort na de revolutie gevangen genomen door Indonesische troepen en was opgesloten in kamp Amberawa. Bevrijd door de Britten, werd hij vervolgens naar Sri Lanka vervoerd.
Edwin, de oudste, werd te werk gesteld als een medische verpleger aan de Burma spoorlijn. Hij is door die periode getraumatisseerd geraakt.
In 1947 is het hele gezin Uijleman-Anthonijs uiteindelijk samen vertrokken naar Nederland.

Nu wonen Meity en haar man Daniel Ungerer in Zuid-Californië, beiden in de leeftijd van 87.
Meity (Gerdy) haar moeder tante Lucy is de zus van mijn vader Eddie Geenen.