De overleving van KNIL soldaat Rudy Uijleman Anthonijs

Rudy Uijleman Anthonijs

Rudy Uijleman Anthonijs werd op 21 oktober 1923 te Sawah Lunto op West Sumatra geboren.
Door de dreigende oorlog werd ook Rudy opgeroepen en op 12 december 1941 trad hij in dienst bij het 1ste Infanterie Bataljon te Bandung. Na de aanslag op Pearl Harbor vielen de Jappen ook het voormalig Nederlands-Indië in januari 1941 binnen. Op 8 maart 1942 was de capitulatie van Bandung en omgeving een feit en Rudy Uijleman Anthonijs werd krijgsgevangene te Cimahi, Java.
Op 25 april 1943 werden duizenden Nederlanders, inclusief mijn persoon en Britse krijgsgevangenen in vijf schepen van Java naar de Zuid-Molukken en Timor overgebracht voor de aanleg van Japanse vliegvelden bij Liang op Ambon, Palao op Haroekoe, Amahei op Ceram en Maamere op Timor.
Met inbegrip van Britse gevangenen waren er totaal 6300 krijgsgevangenen. Door uiterst onmenselijk optreden van de Jappen werd dit Molukken transport en dwangarbeid bij de vliegvelden een groot drama. November 1943 zijn er van de krijgsgevangenen nog maar 2874 in leven. In totaal zijn 3426 krijgsgevangenen omgekomen door ziekte, uitputting of executie. Na voltooiing van het vliegveld bij Amahei werd de Ceram-groep in oktober 1943 overgebracht naar Haroekoe en samengevoegd met de Palao-groep. Toen ook het vliegveld van Palao in november 1943 klaar was, volgde vanaf begin december een reeks geallieerde luchtaanvallen waarbij onder de krijgsgevangenen slachtoffers vielen. De gecombineerde Ceram- en Haroekoe-groepen werden van november 1943 tot juli 1944 in fasen naar Ambon overgebracht, waar ze bij het vliegveld Liang en in enkele andere kampen (Roemahtigah, Waiame en Laha) werden ondergebracht. Eind november 1943 vertrok het eerste transport terug naar Java, bestaande uit ruim 1.100 zieken uit alle drie de groepen, verdeeld over twee schepen. Eén van de twee schepen werd onderweg door een Amerikaanse onderzeeboot getorpedeerd, waardoor alle 539 opvarende krijgsgevangenen om het leven kwamen. Op het andere schip stierven onderweg meer dan 100 man, zodat het transport bij aankomst in Surabaya slechts ongeveer 500 overlevenden telde.
In augustus en september 1944 vertrokken nog drie groepen naar Java. Van deze transporten kwamen omstreeks 380 gevangenen om het leven, o.a. doordat opnieuw een van de schepen door een Amerikaanse vliegtuig tot zinken werd gebracht. Begin oktober 1944 ging de laatste groep, waarbij ik hoorde, van ongeveer 450 man op weg naar Java, maar na een reis vol hindernissen strandden we op Celebes.
In een geïmproviseerd kamp op het eiland Moena in Zuidoost-Celebes stierven maar liefst 174 krijgsgevangenen door de slechte behandeling, geallieerde luchtaanvallen, honger, ziekte en uitputting. Na ruim een jaar moeten werken aan de aanleg van een vliegveld, werden we op transport gezet naar gevangenkamp “Makassar” buiten Batavia.

Nauwelijks bekomen van de ellende aldaar, werd ik voor de zoveelste keer uitgezocht om op transport te worden gesteld en met mij vele anderen.
Ook in de kampen heerste corruptie! Het waren steeds dezelfde die weg moesten. De afstand naar de haven Tandjong Priok werd te voet afgelegd. Het weinige dat je bezat, een etenspan plus lepel, een gehavend uniform ( van een dode geërfd) vormde geen belemmering wat gewicht betreft. Dit was anders voor diegenen die voor het eerst opstap gingen en alles meesjouwden wat ze maar konden dragen. Een half uur later waren de meesten een groot deel van hun spullen kwijt; onderweg achter gelaten, te zwaar om nog verder mee te nemen. Achterom ziende kon ik in de verte groepjes Indonesiërs waarnemen, die al kibbelend, zich over de spullen ontfermden.

Junyo Maru

Ruim een uur later kwamen wij in de haven aan. Het schip waar wij op moesten had de naam Junyo Maru. Met veel gevloek en geschop werden wij de loopplanken opgejaagd en toen wij aan dek waren moesten wij de ruimen in. Daar beneden stonden houten stellages langs de wanden en aan weerszijden van het midden was een houten verhoging aangebracht van twee verdiepingen waar Indonesische jongens als sardientjes in blik waren ondergebracht. Wij, krijgsgevangenen, dienden maar zelf een plaats te zoeken op een van de stellages. Spoedig was het ruim overvol. Je had geen ligplaats, daarvoor waren wij met te veel mensen opeen gepakt. Het enige wat je kon doen was zitten en afwachten. Boven je hoofd het gebonkt van kisten en balen goederen die op het dek werden gestapeld, geschreeuw in het Japans en het geratel van lieren.

Volgepakte ruimen met Japanse krijgsgevangenen

De hitte in het ruim was drukkend en de lucht zweterig en muf. Het gekakel van de romusha’s en het gedempte gepraat van de gevangenen deed me denken aan een verstoor bijennest. Ik voelde me rusteloos en vroeg me af waarheen wij weer zouden worden vervoerd. Ik dacht aan de vrienden die achter waren gebleven. Schertsend had ik hen voorspeld dat ik naakt in mijn geboorteland zou arriveren. Het eiland Sumatra. Het is nog uitgekomen ook!
Enige tijd later begon het schip te trillen, het teken van vertrek (12 september 1944). Een paar uur later deinde de boot op volle zee. Ik weet niet meer hoe lang wij destijds voeren, voordat het schip werd getorpedeerd. Wel weet ik nog, dat het in de middag was en dat het schip noordwaarts koerste.
Plotseling een daverende klap ergens in het voorschip. Wij keken elkaar aan. Op het dek, waar de rest van de gevangenen was ondergebracht, riep iemand dat er een ontploffing in de machinekamer had voorgedaan. Ik geloofde er niet in en wrong me tussen de anderen door naar het open luik waar de ladder stond. Ik plaatste mijn voet op de onderste sport en wilde net naar boven klauteren toen er een dreunende klap volgde en een waterzuil omhoog spoot. Tien seconden later lag ik in zee. In die paar seconden zag ik gestalten door de lucht vliegen, mensen aan dek overboord slaan en de boot langzaam achterover hellen. “Getorpedeerd!” Die gedachte flitste door me heen. Zo snel mogelijk weg wezen om buiten de draaikolk van het zinkende schip te komen en niet naar de zeebodem meegezogen te worden.

Onerzeeboot HMS Tradewind

(Op 15 september 1944 werd de Junyo Maru door de Britse onderzeeër HMS Tradewind ontdekt. De gezagvoerder Maydon had door zijn periscoop de Japanse vlag gezien. Hij naderde tot 1750 meter afstand en vuurde om 15.53 uur vier torpedo’s af. Twee ervan troffen doel. De Junyo Maru zonk in 20 minuten op 30 zeemijlen van de Sumatraanse kust.)
Binnen 10 minuten was het gebeurd. Ik zag nog hoe vanaf het achterdek tientallen mensen omlaag stortten en met het schip in de golven verdwenen en daarna de grote massa vanaf het voordek. Overal om me heen dreven doden in het rond en vele gewonden. Ik zelf had ook een paar wonden op armen en benen; waarschijnlijk getroffen door rondvliegende splinters. Ik ontdekte Japanners die met zwemvesten om rondzwommen en op fluitjes bliezen. Op deze wijze konden ze met elkaar in contact blijven. Zij waren natuurlijk de eersten die door een korvet van de Japanse marine werden opgepikt en wat later een beperkt aantal gevangenen die dicht in de buurt rondzwommen aan boord genomen. De rest werd met bajonetten weggeslagen. Even later stoomde het korvet weg. Ik had al zwemmend de afstand tussen het zinkende schip en mij zelf vergroot, omdat ik niet de minste behoefte had door een Japanse boot te worden opgepikt. Mijn hoop was gevestigd op redding door een geallieerd schip (een kinderlijke gedachte). Om het moreel hoog te houden riepen we elkaar toe kalm te blijven en ons drijvende te houden door aan wrakstukken te gaan hangen.
Velen konden niet zwemmen, vooral onder de ouderen. Ik weet zelf niet meer hoeveel van hen ik aan planken en stukken balk heb geholpen, waaraan zij hangen konden. Ik had, met mijn 20 jaren, nog voldoende energie. Na de bevrijding kreeg ik van kennissen te horen, dat verscheidene gevangenen naar mij op zoek waren gegaan omdat ik hen van de verdrinkingsdood had gered. Toen ben ik ondergedoken.
Wel is mij bekend dat enkelen van hen naar Amerika zijn geëmigreerd.

De eerste avond en nacht werden half slapend, zwemmend en hangend aan balken of lijken, doorgebracht. De zee was gelukkig kalm. De volgende ochtend ontdekte ik op enige afstand een vlot of raft, een geval van 1 meter in het vierkant, waaraan lussen van touw waren bevestigd. Vijf personen zaten er op. Ik zwom er heen. Mijn schamele kleren waren door het zoute water in de afgelopen nacht afgeweekt. Het enige dat ik nog bezat was een stuk halsdoek dat om mijn nek hing. Ik klom op het en liet, zoals de anderen mijn benen in het water bengelen. Naast mij zat een man van ongeveer 45 jaar, een volbloed Nederlander, de vier anderen waren jonger. De jongste was een Indonesiër van een jaar of dertien: Soekarno’s werkkracht in Japanse dienst (romusha). De man van middelbare leeftijd wilde mij zijn trouwring geven om die t.z.t. aan zijn vrouw te overhandigen. Hij noemde mij zijn naam. Ik weigerde de ring aan te nemen, omdat wij er geen van beiden zeker van waren levend aan land te komen. In de verte kon ik een dunne lijn waarnemen: de Sumatraanse kust; veel te ver om er heen te zwemmen, vooral door de draaiende golfstroom die zich zeewaarts bewoog.
Een blik scheepsbeschuit dat met de stroom kwam aandrijven werd nagezwommen en op het vlot gebracht. Even later dook ik achter een slof sigaretten aan (waarvoor…?) Het gezelschap op het vlot was weinig spraakzaam. Een ieder was met zijn eigen gedachten bezig en ik hoopte nog steeds door een geallieerd schip te worden opgepikt.
Het was bloedheet op het water. De zon brandde je huid stuk en het zoute water beet in de opgedane verwondingen. Beurtelings lieten wij ons in het water zakken dat koel aanvoelde om zo wat verlichting te krijgen, anders droogde je volkomen uit. De dorst werd steeds erger. De zon stond hoog aan de hemel. Je hoofd deed pijn. Je voelde je slap. Nadrukkelijk waarschuwde ik mijn lotgenoten niet van het zeewater te drinken. Het zou de dorst maar verergeren. Ik zag geen lijken meer, die waren verdwenen. Op enige afstand dartelden scholen dolfijnen, een geruststellend gevoel, want waar zij zich ophouden zijn geen haaien te bekennen. Af en toe kreeg ik een prik tussen de dijen wanneer een naaldvis in volle vaart tegen mijn kruis opbotste. De gehele dag keken we uit naar schepen die zich echter niet lieten zien. In de loop van de middag begonnen de anderen zeewater te drinken, uitgezonderd de Indonesische jongen en ik. Ik foeterde hen uit want van mijn vader wist ik dat een mens er gek van kon worden. Ze waren te apathisch om naar mij te luisteren.
Tegen de avond begon de ellende. Overgeven, maagkrampen, opnieuw drinken en weer overgeven. Tenslotte begonnen twee raar te doen. De ene wilde op de motorfiets naar Batavia toe en stapte zo het water in. Ik sprong hem na en slaagde erin hem op het vlot te krijgen. Ondertussen was de andere met veel misbaar het water ingedoken. “Ik ga naar huis, ja naar huis!” Hij schreeuwde het uit.
Ik kon nog maar nauwelijks een meter of vijf voor mij uit zien. De golfstroom waarin hij was geraakt verwijderde hem hoe langer hoe verder van het vlot en de sufferd zwom met de stroom mee ook. Hier kon ik echt niets meer doen. Ik was trouwens te slap om nog wat te kunnen uitrichten.

Een tijdje later werd het stikdonker. De hemel zag er zwart uit en er was geen ster te bekennen. Er stak een stevige bries op. Een zware storm was in aantocht. De hemel zag er zwart uit en er was geen ster te bekennen. Er stak een stevige bries op. Een zware storm was in aantocht. Het vlot begon te deinen en we moesten ons aan de lussen vastklampen om niet van het vlot te geraken. ( de Golf van Benkoelen is er berucht om: in een paar uur tijd kan het mooie weer omslaan in een hevige storm).
Toen brak de hel in alle hevigheid los. Huizenhoge golven, bliksem en donderslagen losten elkaar in snel tempo af. De wind gierde langs ons heen en de temperatuur daalde flink. Om wat warm te worden liet ik mij in het water zakken en hield me stevig aan de touwen vast. Merkwaardig genoeg voelde het water lauw aan. Na een poosje kroop ik weer op het vlot. Plotseling begon het te regenen. Dikke druppels beukten in ons gezicht. “Mond open”, schreeuwde ik, “drinken!” Wij probeerden zoveel mogelijk regenwater naar binnen te krijgen. Met de enkels hield ik me aan de touwlussen vast en vouwde de handen als een trechter om de geopende mond. Op deze wijze kreeg ik wat regenwater naar binnen. Niet genoeg! Maar het was in ieder geval vocht.
Zo snel als de storm was opgestoken, zo snel verdween hij weer en de regen hield op. Wat bleef was nog een stevige wind en woeste golven. Van slapen was geen sprake, anders duvelde je in het water. Langzaam soesde ik weg en verbeeldde me dat ik te paard zat en over een uitgestrekt gebied galoppeerde. De wind die langs je lichaam suisde en het deinende vlot gaven je het gevoel dat je met een behoorlijke snelheid voortbewoog. Vandaar de illusie! In ieder geval hield mijn fantasie mij wakker.

Plotseling hoorde ik een plons achter me. Met mijn arm voelde ik om me heen; weer een lege plaats. Ik riep en schreeuwde, maar het enige dat ik hoorde was het geklotst van de zee en het gieren van de wind. Weer een makker weg. De hopeloosheid en de onmacht om iets te kunnen uitrichten, maakten dat ik stil begon te huilen. Na een poosje voelde ik mij wat beter.
De lucht klaarde op en aan de horizon begon het licht te worden. De ochtend brak aan en de zee was weer zo glad als een spiegel. Wij waren nog maar met zijn drieën: meneer X van de trouwring, de Indonesische jongen en ik. De anderen waren verdronken. Honger en dorst deden zich voelen. Aan elkaar konden we zien hoe wij er aan toe waren: blaren op gezicht en lichaam, gezwollen ogen en gebarsten lippen en het zoute zeewater hield de wonden op armen en benen open.
Op enige afstand passeerden scholen vissen ons vlot en zo nu en dan dreef een kwal vlak langs. Een zonnige dag en een rustige zee. ’s Middags begon de hitte ondragelijk te worden en na verloop van tijd werd ik door hallucinaties overrompeld. Ik nam dingen waar die er in feite niet waren. Er voer een kano op een paar meter afstand langs het vlot. Drie mannen met ontbloot bovenlijf en haren tot op de schouders peddelden dat het een lieve lust was. Ik riep hen aan, maar ze reageerden niet. Keken op noch om en roeiden voort. Vertwijfeld keek ik hen na. Mijn lotgenoten vonden mijn gedrag maar vreemd. Ze zeiden echter niets, ze keken mij alleen aan met hun bloeddoorlopen ogen.
Jaren later kan ik mij er nog steeds over verbazen dat een mens, onder bepaalde omstandigheden, dingen waarneemt die er in werkelijkheid niet zijn of wel soms…. In een ander dimensie?
In de verte ging de zon langzaam onder. Hij leek op een vuurbal die de hemel in brand stak. Ik voelde hoe alles vervaagde en raakte in een half bewusteloze toestand. Ik had geen dorst en geen honger meer. Langzaam werd het donker om me heen. In de verte, heel vaag, hoorde ik nog een plons in het water. Toen werd mijn aandacht getrokken door prachtige muziek. Het leek wel alsof ik tussen de klanken rondzweefde. Een blij en tevreden gevoel maakte zich van mij meester, ik genoot.

Opeens voelde ik een stoot en hoorde een stem die mij riep: “ He, bangoen!” (word wakker) Ik opende de ogen en merkte dat ik voorover lag. Ons vlot dreef zachtjes langs een scheepswand en ik hief mijn hoofd op. Voor mijn neus bengelde een dik touw en daarboven hoorde ik roepen: “Pak het touw beet!” Ik greep het vast en voelde hoe ik omhoog werd gehesen. Ik stapte over de reling, zei: “Dank je wel” en zakte door de knieën. Die jongeman die mij aan boord van de Japanse torpedojager had gehesen fluisterde mij toe: “ Niet gaan liggen en niet gaan slapen, want dan denken die smeerlappen dat je als werkkracht niets meer waard bent”. Mij ondersteunend sleepte hij me voort over het dek en liet me zitten met de rug geleund tegen een scheidingswand. Hij verliet me en kwam even later met een mok drinkwater en een rijstbal. “Langzaam met tussenpozen drinken” adviseerde hij. “ en probeer wat te eten”. Hij zette zich zich naast mij neer. Aan zijn haveloze korte broek hing een Rode Kruisband. Terwijl ik met lange pauzes een paar slokken water nam, bracht hij mij op de hoogte van de gebeurtenissen in de afgelopen dagen. Hij behoorde bij de eerste groep geredden kort na de torpedering. Samen met 10 anderen moest hij aan boord van de jager blijven om eventuele overlevenden op te pikken. Ik bofte, want het was de laatste dag dat er nog naar drenkelingen werd gezocht. Ik kreeg ook te horen dat de Jappen uit zee opgeviste schipbreukelingen weer overboord smeten als zij van uitputting bewusteloos raakten. Vandaar dat hij mij in het begin waarschuwde niet in slaap te vallen.
De boot had reeds uren geleden de steven gewend en stoomde met topsnelheid noordwaarts, bestemming Padang. Het begon langzaam donker te worden. De stem van mijn redder klonk gedempt alsof hij door een laag watten sprak. Mijn hersens waren nog te beneveld om alles in mij op te nemen. Ik proefde de rijstbal die in vet was gebakken, maar kon nog geen hap door mijn keel krijgen. Ik had meer dorst dan honger. Trouwens hevige slaap begon mij te overmannen, waaraan ik toegaf. Het was toch al donker geworden.
De Jappen konden mij toch niet meer zien zitten.

Diep in de nacht werd ik wakker door een razende dorst. Mijn tong voelde aan als leer en mijn gescheurde lippen waren kurkdroog. Ik merkte dat mijn redder niet meer naast mij zat, greep naar de drink mok om wat te drinken en ontdekte dat hij leeg was. Ik moest trachten aan water te komen, daarom ging ik, al kruipend op zoek naar een deur. Iets verderop bevond zich er een. Hij stond op een kier. Voorzichtig duwde ik hem open en keek in een verlichte kajuit. Tegen de wand was een smal bed geplaatst en daartegenover een tafel waarop, tot mijn vreugde, een karaf met drinkwater stond. Ik kroop er heen, pakte de karaf op en begon te drinken. Ik genoot van elke teug. Net toen ik aan de laatste slokken toe was, stapte een Japanse officier de kajuit binnen. Scheldend pakte hij de karaf af en schopte mij de kajuit uit. De kajuitdeur viel met een klap achter mij dicht. Het kon mij niet schelen, de dorst was in ieder geval gelest.

De volgende ochtend, 19 september 1944, meerde de torpedobootjager af in Emmahaven, een bekende en vertrouwde omgeving voor mij. Iedereen werd van boord gebracht. Dezelfde jongeman, een verpleger, droeg mij de loopplank af omdat ik nog steeds niet op mijn benen kon staan. In een loods moesten wij wachten op vervoer. Een vrachtwagen bracht ons uiteindelijk naar Padang waar wij werden ondergebracht in de plaatselijke gevangenis. Rudy Uijleman Anthonijs en een paar anderen werden direct naar het militair hospitaal in Padang gebracht om te herstellen van de Junyo Maru gevolgen.

NB: Aan boord van de Junyo Maru waren duizenden gevangenen, waar onder Nederlanders, Australiërs, Engelsen, Ambonezen en vele Javaanse romusha’s, die niet meer de overvolle ruimen konden ontvluchten en verdronken als ratten. Degenen die zich in wanhoop aan de twee Japanse reddingsboten vastklampten, werden met samoerai-zwaarden de vingers of handen afgehouwen. Door de escorterende schepen werden uiteindelijk 723 drenkelingen opgevist. Het totale dodental was 5620 onder wie 1370 Nederlanders.

Maar dit was nog niet het einde van het verhaal. De overlevenden werden onder erbarmelijke omstandigheden naar Pakan Baru gebracht. Ook Rudy Uijleman Anthonijs werd een maand later overgebracht naar het krijgsgevangenkamp Pakan Baroe waar aan de aanleg van de 220 km lange Pakan Baroe spoorweg, beter bekend als de dodenspoor, gewerkt moest worden. De dodenspoor, dwars door de groene hel van het Sumatraanse moerasoerwoud, heeft aan ongeveer 2500, meest Nederlanders maar ook Britse, Australische en Amerikaanse de dood gekost. Ook ongeveer 80.000 romusha’s vonden hierbij de dood.
Als oorzaak verdrinking, uitputting, mishandeling, ondervoeding en tropische ziekten zoals dysenterie.
De aanleg van de 220 km. lange Pakan Baroe-spoorweg, dwars door de groene hel van het Sumatraanse moerasoerwoud en bergen in de jaren 1943 en 1945, is lang een bijna vergeten oorlogsdrama geweest. Toch stierven er voor deze krakkemikkige spoorweg waarschijnlijk tachtigduizend door de Japanners geronselde Javanen (romusha), zo blijkt uit archiefonderzoek dat Henk Hovinga deed voor de vierde aanzienlijk uitgebreide druk van zijn boek ‘Eindstation Pakan Baroe’. Behalve deze 80.000 Indonesie¨rs vonden bijna twee-en-een-halfduizend, meest Nederlandse krijgsgevangenen een ellendige dood door verdrinking, uitputting, mishandeling, ondervoeding en tropische ziekten zoals dysenterie.

De Japanners verzwegen aan de dwangarbeiders dat Japan gecapituleerd had, zodat de dwangarbeiders door bleven werken aan de spoorweg.
Na de capitulatie en zijn bevrijding van de Pakan Baroe dodenspoor werd Rudy Uijleman Anthonijs bij het Knil Infanterie bewakingspeloton te Bangkinang ingelijfd. Eind oktober 1945 vond overplaatsing plaats naar Padang in afwachting op transport naar Batavia.
Januari 1946 werd Rudy ingedeeld bij de eerste depot te Djaga Monjet peloton onderdeel mitrailleur afdeling.
Vervolgens weer overgeplaatst naar Pau – Pel B. Divisie tot en met januari 1948. Hierna overgeplaatst bij de staf B. Divisie met bestemming opzending Nederland.
In 1946 en 1947 deelgenomen aan de acties Pasar Minggoe, Depok, Tangerang, Balaradja, en omgeving Tjiandjeer.
Vervolgens ook als militair deel genomen aan de Politionele acties: Pekalongan, Pemalang, en omgeving Tegal gedurende de periode 21 juli – 4 augustus 1947.
Op 27 maart 1948 per m.s. Sloterdijk naar Nederland vertrokken en op 22 april 1948 met groot verlof gezonden wegens beëindiging van de dienst – en reserveplicht t.a.v. KNIL, eervol ontslagen uit de militaire dienst bij het KNIL.

Nawoord: Mede dankzij Marijke van Horn – van Raalten, ook geboren te Sawahlunto en bijna 60 jaren vriendschap met Meity Ungerer, heeft Rudy Uijleman Anthonijs zich bereidt verklaard zijn verhaal van de Junyo Maru aan haar te vertellen.

Comments

  1. Beste Ron,
    Een indrukwekkend en huiverachtig verhaal, dat je uitgebreid hebt kunnen vastleggen en toelichten, over de vele ontberingen die Rudy Uijleman Anthonijs tijdens de periode van de WOII , toen allemaal .heeft moeten meemaken, verwerken en doorstaan.
    Ron, ik heb oprechte bewondering dat jij dit dramatische verhaal hebt weten vast te leggen, zodat iedereen er alsnog kennis van heeft kunnen nemen . Chapeau !!!

    met hartelijke groet,

    Jacq. Z. Brijl

    • Beste Jacq,
      Mijn oprechte dank voor je mooie woorden. Net zoals jij het ook doet, wil ik op mijn oudere lijftijd de families alle eer gegeven waar ze recht op hebbebn

Speak Your Mind

*