Buitensporige martelingen in Padang, Sumatra

Japanse monsters veroorzaken een hel in het Maria Huis te Padang, Sumatra!
Drie operationele veldeenheden Kempeitai met eigen staf werden onder leiding van een ervaren commandant, de kolonel Hirano Toyoji, die op jeugdige leeftijd al zijn bloedsporen had verdient, op Sumatra gestationeerd.
De chef van de Kempei-staf was de chef algemene zaken en zijn staf bestond uit de chef militaire politie (Kempeitai), de chef speciale hogere politie (Tokko) en de chef van de inlichtingendienst (Johokikan).
Op 18 september 1942 werden 317 vrouwen en kinderen uit het MV-huis (Maria-Vereniging) verwijderd en afgevoerd naar de overzijde van de straat, waar het Missiecomplex was gelokeerd. De volgende dag werd het gebouw direct door de Tokko in gebruik genomen.

Het Maria huis waar de meest gruwelijke Japanse martelingen plaatsvonden

Op de 20ste werden o.a. alle “vrije” Indo-Europeanen, Molukkers en Menadonese inwoners uit Padangpandjang en Sawahlunto opgepakt en naar het MV-huis (Maria- Vereniging) vervoerd.
Op de 3de oktober kwamen de twaalf Indische Europeanen uit de gevangenis van Sawahlunto ook in het MV-huis terecht.
Op de 4de en de 7de oktober werden 30 mannen uit de boei, die daar sinds 3 september 1942 gevangen hadden gezeten, ook opgeroepen om zich bij de wacht te melden. Deze groep bestond uit personeel van de Ombilin Steenkool Maatschappij, aangevuld met 5 uit Padang, schier willekeurige Europese en Molukse jonge mannen. Ze werden verlijd met werk, maar in plaats daarvan werden ze gedwongen op een vrachtauto te gaan en kregen een jute zak over hun hoofd waarna ze ook naar het MV-huis werden vervoerd, het verzamelpunt van de Tokko waar uiteindelijk een bezetting van ongeveer 300 gevangen bijeen was, allen geboeid. Vervolgens moesten ze in de toneelzaal op de grond met gekruiste benen doodstil gaan zitten met de ogen naar de grond gericht. Iedere communicatie werd met buitensporige pak slaag afgestraft. Vervolgens werden ze per beurt door de Tokko officieren, die weer door tolken werden vertegenwoordigd, “verhoord”. Zo’n verhoor bestond hoofdzakelijk uit het martelen met de vuist, zweep, bullypees, een eind stuk hout, elektriciteit kabels of met een slaginstrument (spiked rattan) inslaan op de gevangene, die toch was geboeid. Deze rotan is in 4 delen gespleten en aan het einde voorzien van van binnenuit aangebrachte metalen nagels, waarmee het slachtoffer van kleding en huid ontdaan kon worden. Ook werd op de gevoelige delen flink in geschopt. Een zeer geliefd kunstje was ook de gevangene tijdens de ondervraging te laten knielen met een stuk hout in de knieholte. Bij het terug zakken pijnigt de persoon zich zelf. Ook werd het pijn gehalte op de proef gesteld door brandletsel van brandende sigaretten, kaarsen, olielantaarns, of roodgloeiend metaal. Ook het hangen met de benen omhoog was een geliefde sport van de Tokko. De andere gevangen, die nog niet aan de beurt waren, mochten alleen naar de grond kijken, maar de reuk en gehoor buiten werking zetten, ging niet. De “verhoren” duurden soms zonder ophouden voor perioden van 24 tot 48 uren.
Afhankelijk van de situatie werden ze dan teruggebracht naar het MV-huis, waar ze door de huisbeulen onder handen werden genomen. Vervolgens werden ze weer naar de toneel zaal gehaald, waarbij hun reeds opengereten en geïnfecteerde huid een nieuwe hardhandige behandeling kregen. Gemiddeld duurde deze manier van beulen ongeveer 10 dagen.
De marteldeskundigen moesten allerlei middelen toepassen om aan de gewenste informatie te komen, maar ze mochten hun slachtoffers niet doden.
Pembatu’s waren helpers zoals gevangenisbewaarders of medegevangenen, die voor het leveren van hand en spandiensten en het verklikken of vals beschuldigen van mede gevangenen, werden voorzien van speciale kleding en een insigne en die mild werden behandeld en soms zelf op waardering konden rekenen. Hun belangrijkste taak was het rondbrengen van schaars voedsel, het verwijderen van vuil en ook van ontzielde lichamen. Ook werd hun ander werk opgedragen en daarbij waren alle soorten handelingen van pijn en vernedering ten aanzien van derden niet uitgesloten.
Ondanks alle denkbare methoden van martelen werd, zoals later blijkt, door niemand prijsgegeven wat de Kempeitai wilde weten. Er werd niets over de veronderstelde wapens, munitie en dynamiet, waar men naar zocht, gevonden en prijsgegeven.

Oud Padang met links beneden de Boei en rechts boven het Maria Huis

Oud Padang met links beneden de Boei en rechts boven het Maria Huis

De volgende personen, in alfabetische orde, werden ook in het MV-huis door de Jappen gemarteld:
W. van Ameyden van Duyn, L.P. Apitule, P.B. Apitule, C.R. Brouwer von Gonzenbach, E.J.A. Cosijn, H.C. van Don, B. Filet, C.J. Foss, E. Geenen (mijn vader), W.C. Goldman, O. Hisgen, J.H.G. Keim, G. Keller, F. Kretzer, F.J. Keuskamp, J.F.E. Keuskamp, W.J.R. Lanzing, J.A. van Ommen, C.H. van Raalten, A. Schlameisen, J.J. Thenu, F. Urban, A. Uyleman Anthonijs en nog twee andere personen.
Viertien van de dertig mannen kwamen op 1 september 1945 nog levend uit de diverse gevangenissen, twee stierven binnen 2 maanden, terwijl de anderen nog op tijd konden worden opgevangen.

De twaalf Indo-Europese mannen, die in Juni 1943 in Sawahlunto waren opgepakt en op 4 oktober van dat jaar naar het MV-huis werden vervoerd, waren:
C.F.W. Borst, H.E. Brouwer von Gonzenbach, C.H. Camplaire, E.R. Davies, M.R. Davies, G.A. Duyshart, W.A. van der Hoeven-Wijshardt, F. Klots, A. Scheffer, K. Simon, I.R. de Vries.
Hiervan hebben 5 personen het gevangenschap overleefd.

Helaas waren er een paar Indo medegevangenen, die ook als pembantu optraden en/of lotgenoten verlinkten ter verlichting van hun eigen ellende, waar ze van de bewakers de gelegenheid toe kregen.
In de maand maart 1945 zijn de bovenvermelde nog in leven zijnde Indo’s per truck van uit de gevangenis te Pajakoembo naar Bangkinang gereden en vrij direct na aankomst in het mannenkamp door het Kamp Bestuur verhoord, waarbij ook de bovenstaande gegevens en gedrag van de pembantu’s met de kampbewoners werd gedeeld. Na een rechtsspraak werd de dood vonnis voltrokken.
Na de Japanse capitulatie werd de bewaking van kamp Bangkinang door ex-Indiase krijgsgevangenen overgenomen. De heer v.d. Enk en enkele mede lotgenoten besloten het recht in eigen handen te nemen en gingen naar het Politie hoofdkwartier te Bangkinang om de nu ex-bewakers met daarvoor speciaal bewaarde rottam zwepen af te rossen.
Na terugkomst in het kamp Bangkinang kregen de heren huisarrest.

Mijn vader Eddie Geenen is vervolgens naar Batavia met de ms. Sibajak vervoerd geworden waar hij in het CBZ ziekenhuis werd opgenomen en verpleegd.
Echter zijn verwondingen waren dusdanig ernstig waarbij hij bovendien ook nog is gecastreerd geworden. Uiteindelijk is hij op 36 jarige leeftijd aan pleuritisch en gangreen (bloedvergiftiging) op 18 augustus 1948 overleden.

Geraadpleegde literatuur: KURA! De Noorderzon Boven de Gordel van Sumatra – Lou Lanzing
Geraadpleegde personen: G.W. Keller, woonachtig in Nederland en Daniel en Meity Ungerer, woonachtig in California