Bersiap Moordpartij aan de Olo

Het bloedbad van 18 november 1945 op 27 Djalan Olo in Padang tijdens de Bersiap periode.

Peter Havinga geboren in Padang, West-Sumatra, en de zoon van Frederik Hendrik Havinga, een Nederlandse vader (een totok) en een Indonesische moeder met de naam van Si Toenej, was een vriend van Jeeke de Vries, uit Sawahlunto en Gerrit Witveen. Tijdens de vakanties ging Jeeke vaak zijn familie, de Urban’s, in Sawahlunto opzoeken en soms ging Peter met hem mee.
Peter leerde zo Noni (Sonja) Urban kennen tot wie hij zich aangetrokken voelde (dat was overigens wederzijds). Toen de oorlog in 1945 eindigde, namen Britse soldaten het over van de Japanners en kort nadien werden de eerste Engelse clubs geopend en de Indische meisjes uitgenodigd om te komen dansen, wat zij ten zeerste waardeerden. Sonja genoot er ook van, maar Peter kon daar geen waardering voor hebben. Vooral ook omdat de Nederlands-Indische jongens niet welkom waren in deze clubs.
Na de oorlog in augustus 1945 brak de Bersiap periode aan waarin over en weer verschrikkelijke moordpartijen plaatsvonden. Peter Havinga werd bijna het dodelijk slachtoffer van een van deze moordpartijen.
Als een van de laatsten verliet Peter het Japanse gevangen kamp samen met de familie Kretzer. Frederik (Pendek = Kleine, Shorty) Kretzer wilde niet binnen de veiligheidszone blijven die door de Britten was ingesteld en nam zijn vrouw en kinderen mee naar een huis aan de Olo straat 27 in Padang. Peter besloot zich aan te sluiten bij de Kretzer familie, nadat hij zich heeft kunnen redden uit een eerder gepleegde moordpartij in Padang.
Een paar dagen voor de Olo moordpartij werd hij met andere Indische vrienden door permuda’s gevangen genomen en geboeid. Hij was de enige die zich toen kon losmaken terwijl de groep voor de met bajonetten bewapende permuda’s stond. De groep zou met de bajonet worden afgemaakt. Peter, een sterke jongeman, stond achter in de rij. Hij kon zich uit zijn boeien loswringen en gaf aan om het touw te vieren zodat de anderen ook los konden komen. Dat lukte echter niet. Zijn vrienden zeiden, ga maar Peet, het lukt niet. Maar Peet wachtte op het juiste moment, want hij moest langs de bajonetten rennen. Plotseling schoot hij weg, duwde de man weg en rende, rende voor zijn leven. Op blote voeten, over prikkeldraad, takken, scherpe stenen, als een gek door het hoge gras. Hij bleef rennen en wist in het donker niet meer waar hij was.
De volgende dag is Peter, ondanks waarschuwingen, terug gegaan naar de beruchte plaats. Wat hij daar zag was onbeschrijfelijk gruwelijk. Al zijn vrienden dood en her en der ondiep begraven. Hij kon de open gesneden kelen zien. Als 19 jarige heeft hij al een paar maanden daarvoor zijn vader moeten begraven als doodgraver van het kamp.
Si Pendek (Shorty), bijnaam van Frederik Kretzer, had een bepaalde rancune tegen de inheemse bevolking en schold ze vaak uit. Velen hadden hem gewaarschuwd er mee te stoppen, want de Indonesische bevolking zal dat niet vergeten en eens zullen ze misschien wraak nemen. Hij werd al eerder door een paar uitgedaagd, maar toen hij er op inging, waren de Indonesiërs niet thuis, omdat ze wisten, dat hij een goede pencak silat (martial art) vechter was.
Het huis aan de Olo Straat 27 was een groot huis waarin de volgende personen en families verbleven : Peter Havinga, de familie Kretzer (Frederik Kretzer, zijn vrouw Elize Kretzer-Wijsheijer, hun kinderen Gerard, Irma, Johnny en Ludwig). Ook mevrouw Wijsheijer was er met Wilhelmina, Henri en Willem. De familie Moschel met hun twee dochters en de familie Apitule met Johanna (Joke), Lydia (Lieke), Rudolf (Rudi) en Theodoor en Johny. Moeder Apitule was ondertussen overleden en lag opgebaard in een kamer waarbij het venster open stond. Verder waren er de families Scheffer (Hanny, Iris en Peggy) en Brenneisen (Wilhelmina en Frans), mevrouw Butter-van Leenen, Hitipeu en Sapulete.
Naast het gedrag van Kretzer was er een andere reden waarom een deel van de Indonesiërs een wrok hadden tegen de bewoners van Olo straat 27. De Wijsheijer’s hadden hun paarden weggejaagd die nota bene op hún grond leefden en graasden. Met de Bersiap grepen de Indonesiërs hun kans om alles wat Nederlands was, aan te vallen. Bovenstaande redenen verkreeg ik via diverse bronnen. Echter sinds kort kreeg ik ook een betrouwbare en logische reden van de nog in levend zijnde jongere broer, heer C. Havinga. De Indonesiërs waren achter een economisch doel, namelijk de sleutels, die toegang gaven tot de Ombilin kolen mijnen en hoopten deze sleutels op de Olo 27 te vinden daar de meeste mannen in de Ombilin mijn werkzaam waren geweest.
Niet veel later kwamen een deel van de inheemse bevolking er achter wie er al zo op 27 Olo straat woonden en op een nacht overvielen ze het huis en staken het in brand. Iedereen begon te schreeuwen, terwijl anderen waarschuwden stil te zijn. Tussen de waarschuwingen door was er veel geschreeuw terwijl men begon met het meubilair en kasten voor de ramen en deuren te plaatsen, het vuur en moordlustige Indonesiërs rond het huis. Maar vanwege het vuur liep iedereen toch naar buiten. De vrouwen en meisjes werden ter plaatse gevangen genomen en 4 jonge meisjes in de leeftijd van 15 en 16 jaar werden meegesleurd en door de Indonesiërs weggeleid. Een deel van de gevangen mannen en jongens moesten een grote rechthoekige kuil graven terwijl anderen met de handen op de rug werden vastgebonden. Peter, een jonge en sterke knaap van 19 jaar oud, slaagde er intussen in om de touwen rond zijn polsen te verwijderen. Kretzer, die naast hem stond, werd ook geholpen en kwam los. Plotseling namen ze de benen, elk in een andere richting. Peter rende op blote voeten over prikkeldraad, stenen en door velden. Vervolgens maakte hij een grote bocht richting bewoonde wereld om hulp te zoeken. Hij kwam zo bij het huis van de familie Uijleman-Anthonijs terecht. Daar klopte hij op de voordeur en riep om help. Meity, dochter van oom Andre, herkende de stem van Peter en ze lieten hem binnen. Zijn voeten waren beschadigd en zaten onder het bloed. Zijn polsen en handen waren gezwollen. Peter vroeg om samen direct naar de Britse militaire politie post te gaan, maar de Uijleman’s die het gevaar daarvan inzagen, zeiden daarmee te wachten tot de volgende morgen. Kretzer wilde niet wachten en besloot terug te gaan naar het huis om zijn vrouw en kinderen te zoeken. Hij had zich verstopt achter een paar struiken en toen hij dacht dat de situatie tot rust was gekomen, ging hij op pad. Maar de Indonesiërs zagen hem en namen hem weer gevangen en hebben hem levend begraven.
Na de overval op het huis bleek ook de kleine Johnny van de familie Apitule het er levend van af te hebben gebracht. Op een onbewaakt moment was hij in de kuil gesprongen en trok een van de vermoorde Indo’s over zich heen. Toen een ieder weg was, was hij uit de kuil gekropen en de Olo straat in gevlucht en heeft bij het huis van de familie de Haas aangeklopt, waar ook nog Herman Dekker, Urban, Smit en o.a. de familie Le Febre woonden en ook vader, moeder en kind familie Morpeij. De familie Morpey was net ook ingetrokken, want de heer Morpeij was in zijn eigen huis ook aangevallen door een permuda en in zijn schouder met een dolk gestoken. Louis le Febre, vandaag nog wonend in Born, Nederland, zei dat Johnny Apitule geheel onder het bloed zat en met veel moeite zijn verhaal deed.
De volgende morgen gingen oom Andre en Peter Havinga naar de Britse militaire politie post en vertelden aan de Engelsen wat er de afgelopen nacht was gebeurd. Ze gingen naar de Olo straat 27 en vonden Indo-mannen en vrouwen in de grote kuil waarbij hun keel waren doorgesneden. Kretzer werd levend begraven, teruggevonden. Twee meisjes, de zusjes Joke en Lydia Apitule, werden verder de weg op gevonden, verkracht, hun borsten waren afgesneden en vervolgens zijn ze vermoord. Een ander gekidnapte jonge dame, Meli (Amelia) Sapulete werd later levend aangetroffen. De toegetakelde lijken van enkele vrouwelijke leden van het oorspronkelijke gezelschap werden enige tijd later teruggevonden; zij waren aangespoeld op Poelau Pisang.
Mijn oom Andre Uyleman-Anthonijs en familie en ook hun buren, de familie Ungerer zijn vervolgens verhuisd naar een huis in een beschermde omgeving. Een week lang was Peter fysiek niet in staat om te spreken.
Op 22 september 1945 werd uiteindelijk een avondklok ingesteld en werd het RAPWI-gebied (De RAPWI – voluit Recovery of Allied Prisoners of War and Internees – was een geallieerde militaire organisatie die tot taak had de krijgsgevangen- en interneringskampen op te sporen en de ex-krijgsgevangenen en geïnterneerden te helpen en ondersteunen) met prikkeldraad aangegeven.
De Britse Militaire Politie Post slaagde met o.a. de hulp van Peter Havinga er in de moordenaars onder leiding van een kampong hoofd, gevangen te nemen.Alle gevangenen bleven zwijgen op alle vragen, behalve het kampong hoofd, die bleef schreeuwen tegen de Engelsen. Een Schotse politieman maakte er een einde aan door hem met zijn bajonet door zijn hoofd te steken. Vervolgens waren de andere Indonesische daders bereidt te praten. Peet Havinga was een sterke jongeman van 19, die toestemming kreeg van de Engelsen om de gevangen moordenaars flink af te straffen. Als gevolg van de gruwelijke slachtpartij nam hij wraak. De moordenaars werden gemarteld om zodoende achter de namen te komen van de anderen die bij de slachtpartij betrokken waren.
Peter Havinga heeft in aanwezigheid van de Engelsen de zakken met de slachtoffers geopend, die door de Indonesiërs in de banjir werden gegooid ergens achter zijn ouderlijk huis aan de Ujung Gurun.
Vervolgens werkte Peter met een Intel eenheid van de Britten om informatie te krijgen over de mensen die achter de bersiap zaten. Wat er verder met de gevangen Indonesische moordenaars is gebeurd, is mij tot nu toe onbekend. Echter Daan Ungerer had in Jakarta in de krant een artikel over de moorden gelezen en waarbij de daders door de Padangse Landraad werden veroordeeld. Een ander persoon liet mij weten dat politie commissaris ”Goldman” het onderzoek naar de Olo moorden had verricht en een uitvoerig rapport had opgesteld, dat hij naar Nederland had gestuurd. Tot op heden heb ik nog niets kunnen vinden betreffende dat rapport. Peter heeft alleen alle ervaringen met zijn boezem vriend Gerrit Witveen gedeeld en beiden zijn heengegaan zonder maar een woord over te spreken. Wij kunnen rustig aannemen dat het een duistere periode betrof uit wraak voor de vrienden en kennissen, die voor zijn ogen werden vermoord.
De heer S.W. Velds uit Zoetermeer schreef een artikel over “Het massagraf bij Padang”. Hij en vrouw Helena Brouwer, die werkzaam was in het Carolus-Ziekenhuis in Batavia, werden overgeplaatst naar Padang, west Sumatra. Haar meest vreselijke ervaring was het massagraf bij Padang aan de Olo straat. Iedereen zocht naar dat graf, maar niemand kon het vinden. Toen kwam er een bevriende tani naar me toe. “Toean, ik weet het te liggen, ja……….. Ik heb alles gezien”. Hij had zich tijdens de executies boven in een boom schuilgehouden. Hij vertelde dat ze hun eigen graf hadden moeten graven. We vonden de plek. Tientallen vrouwen, kinderen en mannen over elkaar heen gestruikeld. Aan de hand van de gebitten hebben wij , samen met een sergeant-majoor van de Gravendienst, de slachtoffers geïdentificeerd. Afschuwelijk, ik ruik nu nog die lysol-lucht.
Peter, die een onderhoudend spreker was, heeft nooit willen vertellen wat hij als medewerker van de Engelse Intel gedurende de Bersiap periode heeft gedaan. Alleen zijn beste vriend Gerrit Witveen vertrouwde hij zijn doen en laten toe, maar ook hij heeft later niets losgelaten. Met zijn overlijden een aantal jaren geleden is alles het graf ingenomen. Peter Havinga overleed in 1997 in Nederland.
Wijlen Lou Lanzing de Auteur van het boek KURA! “De Noorderzon Boven De Gordel Van Sumatra” bestede ook aandacht aan de Olo moord-partij en vervolgde met het volgende: In tegenstelling tot de reactie op de Olo-moorden waren de Britten buiten zichzelf van woede toen er op 2 november twee Britse matrozen en twee dagen later de Britse majoor Anderson van de generale staf met zijn partner de Britse Red-Cross Female Officer, miss Allingham tijdens een van hun excursies werden vermist. Tien dagen later werden de stoffelijke overschotten en hun jeep in ondiepe graven aan het zelfde strand, waar zij vermoord werden, gevonden. De vondst was het resultaat van recherchewerk van de Nederlands-Indische politie, die ook de daders wist te lokaliseren. Op 9 en 10 december 1945 werd een aantal kampongs in de Boenggoesbaai in de omgeving van Emma haven van waaruit de acties zouden zijn ondernomen en waar de daders zich zouden hebben verscholen, als represaille door de boze Britten volledig in de as gelegd. Diverse Indo getuigen, nu nog in leven, hebben het met eigen ogen waargenomen.
Voor het bovenstaand waar gebeurd verhaal heb ik gebruik gemaakt van informatie van Ron Havinga, zoon van Peter Havinga, die ik als een held ziet, en teksten van uit diverse boeken, waarvan de auteurs hun jeugd hebben doorgebracht in Padang en Sawahlunto. Ook van Meity en Daniel Ungerer, die beide in de leeftijd van 88 zijn en nu in Californië woonachtig zijn. Zij hebben mij als eersten over de Olo slachtpartij verteld en kennen de auteurs van de boeken. Ook de heren Chris Havinga (een jongere broer van Peter) uit Utrecht, Dick Urban en Louis le Febre ben ik dankbaar voor hun aanvullende gegevens. En last but not least de heer Bo Keller, die zelf heel wat familieleden gedurende die periode heeft verloren, ben ik zeer dankbaar voor de vele aanvullende gegevens.

Ronny Geenen
Glendora, Ca