Archives for April 10, 2017

Bersiap is een nooit erkend trauma

PAULA BRUNSVELD-VAN HULTEN is geboren in Surabaya, Indonesie en kwam in 1961 naar Nederland
29 november 2013 – De Volkskrant.

Nederlands-Indië
Dat nu, met grote wijsheid en betweterigheid achteraf, de moordende Indonesische vigilantes ‘vrijheidsstrijders’ worden genoemd, is onverteerbaar.

Bersiap: klaar staan… Een traumatische, zwarte herinnering voor oudere Indische Nederlanders, deze moordperiode op de blanda’s, de Nederlanders, kwetsbaar vlak na hun bevrijding in 1945 uit vier jaar honger en ellende in de jappenkampen. Indonesische vigilantes, opgehitste jongelui, overvielen en vermoordden zomaar, vaak ‘s nachts, Nederlanders met bamboe roentjing (bamboe spiesen) of ander wapentuig. Bij duizenden zijn ze vermoord, mannen, vrouwen, kinderen… ‘De kali was rood van het bloed, er dreven altijd wel lijken in, ook van kinderen, verschrikkelijk’, vertelden ook mijn ouders later aan hun kinderen. Waar we moord en brand over schreeuwen als het in Afrika of Azië gebeurt, daar doen wij hier koeltjes over. Sterker nog, dat de Nederlandse militairen toen hardhandig in actie kwamen tegen de desa’s en kampongs (de vigilantes waren altijd anoniem, net als de moslimfundamentalisten in Irak) is begrijpelijk, al is overschrijding van de grenzen van menselijkheid nooit goed te praten. Maar de heftigheid van sommige soldatenoptreden, gevoed door emoties als wraak en ontzetting over wat met eigen ogen was gezien, is begrijpelijk. Ook in deze oorlog – want dat was het – gebeurden over en weer verschrikkelijke dingen.

Voor de mensen die het hebben meegemaakt is het onverteerbaar dat wereldverbeteraars zonder historisch geheugen het Nederlandse optreden nu met betweterigheid en grote wijsheid achteraf afdoen als ‘oorlogsmisdaden’, de berichtgeving van toen betitelen als ‘propaganda’ en de moordende Indonesische vigilantes als ‘vrijheidsstrijders’. Ook is het onverteerbaar voor hun kinderen en kindskinderen, die dit als een nooit herkend en erkend trauma van hun ouders hebben meegekregen.

‘De moord op duizenden (Indische) Nederlanders in de Bersiaptijd is door Nederland altijd gelaten geaccepteerd, terwijl het zich het best laat omschrijven als volkerenmoord’, aldus de Amerikaanse historicus William H. Frederick in een interview op 18 november in Trouw. Hij spreekt van ‘postkoloniaal geheugenverlies’ van de Nederlandse autoriteiten.

Indonesië zit niet te wachten op al die zelfincriminatie door Nederland over zijn acties destijds, waarmee allerlei mensenrechtelijke claims worden gestimuleerd bij de lokale bevolking, die – zo blijkt na Rawagedeh – het smartengeld aan de enkele overlevenden op bevel van de dorpsoudste verdeelt onder de hele gemeenschap (niet onterecht, vind ik). Indonesië ziet de bui al hangen: al die nabestaanden van de Bersiap-genocide – zo noemt historicus Frederick die periode – gaan de Indonesische staat aanklagen.

Ik ben niet anti-Indonesië, integendeel. Het vrijheidsstreven en het succes van Indonesië met Soekarno als grote man, heb ik altijd bewonderd. Zo ben ik ook opgevoed.

Ik ben blank en blond, geboren in Surabaya op dag één van de Tweede Politionele Actie; mijn vader had moeite om naar het ziekenhuis te komen door de acties. Pas op mijn 13de, eind 1961, ben ik in Nederland gekomen. In de jaren vijftig had Soekarno verordonneerd dat Nederlanders moesten kiezen: vertrekken naar Nederland of blijven, maar dan Indonesisch staatsburger worden. Mijn ouders kozen voor het laatste, en ik wist niet beter dan dat Indonesië mijn land was. Ik zat ook op een Indonesische school, leerde en sprak daar Bahasa, zong op het schoolplein met alle kinderen het volkslied Indonesia Raja. Met Nederland had ik niets te maken, daar kwam de Bijenkorfbrochure voor Sinterklaas vandaan. Opa’s en oma’s waren in het jappenkamp gestorven.

Indonesië begon eind jaren vijftig met het terug claimen van Papoea Nieuw-Guinea, immers het ontbrekende deel van de archipel, dat ook door de Nederlandse kolonisator was bezet. In mijn ogen – ik was 11, 12 – was dat volkomen terecht en was Nederland de bad guy, die wilde blijven vasthouden. Luns, met zijn belachelijke snorretje, was de personificatie van dat foute Nederland voor mij en voor de rest van Indonesië. Wij stonden helemaal aan de Indonesische kant in ons gevoel.

Toch heeft dit conflict geleid tot ons vertrek uit Indonesië, het land waar ik dacht mijn hele leven te leven, naar dat koude, vijandige Nederland. Ik heb nog steeds begrip voor de vijandigheid van de bevolking tegen ons; we zagen er erg ‘blanda’ uit. Die vijandigheid nam bedreigende vormen aan, zowel fysiek als sociaal. Wij zijn uiteindelijk eind 1961 als spijtoptanten in Nederland gekomen.

Hier werd ik geconfronteerd met een heel ander beeld van dat conflict. Hier was Soekarno de grote boosdoener, Nederland de vermoorde onschuld. Ik heb daarvan voor het leven geleerd dat de waarheid zoals je die in de media en politiek ziet en hoort relatief is. Er zijn meer waarheden.

Dit geldt ook voor de oplaaiende discussie rond de Nederlandse oorlogsacties na de Tweede Wereldoorlog in Indonesië.