Archives for April 2017

George Wilhelm (Bo) Keller

De Levensloop van een Indisch Nederlander
Geschreven door Menke de Groot
Aangepast door Ron Geenen aan zijn web

George Wilhem (Bo) Keller

Vroege jaren

George Wilhelm (Bo) Keller (Sawah-Lunto, 6 september 1928) werd op Sumatra geboren als zoon van Gerrit Keller, mijnopzichter bij de Ombilinkolenmijn. Deze mijn, in 1868 ontdekt door mijningenieur W.H. de Greve, lag in een afgelegen gebied van de Padangse Bovenlanden (Sumatra’s Westkust). De mijn werd bij wet van 28 december 1891 van staatswege geëxploiteerd. Gerrit Keller was een der weesjongens van Sumatra’s Westkust geweest, opgegroeid bij de Paters van Tilburg.

Ombilin Steenkoolmijn in Sawahlunto

Keller werd al jong naar zijn grootouders gezonden, waar hij opgroeide in een kampong. Toen hij in de derde klas van de lagere school zat werd hij teruggestuurd naar zijn ouders. Dat was een enorme overgang voor hem omdat hij van het vrije leven in de kampong terecht kwam in een streng Katholiek gezin, dat woonde in een stenen huis.

Niet lang hierna brak in Europa de Tweede Wereldoorlog uit en werd het moederland, Nederland, bezet. Deze gebeurtenissen leidden tot een enorme toename van patriottische, pro-Nederlandse, gevoelens in Indië.
Japanse bezetting

Als jonge jongen van 13 jaar aanschouwde Keller de restanten van het verslagen Engelse leger en het binnentrekken van van de Japanse overwinnaar in zijn geboorteplaats op Midden-Sumatra.

Toen de Japanners Nederlands-Indië begin 1942 veroverden maakte men de belangrijkste apparatuur van de Ombilinmijn onklaar door deze in het water af te laten zinken. Hierop werden veel mensen gearresteerd en in gijzeling genomen door de Japanners, waaronder ook de jonge Bo Keller.  Nadat hij echter, tot genoegen van zijn belagers, tot drie maal toe Banzai Nippon had geroepen liet men hem gaan.

Pakan Baru Herdenkingsteen

Intussen leed het gezin Keller armoede omdat de Ombilinmijn buiten werking was gesteld. Een poging om dan maar een fiets te verkopen leed schipbreuk omdat alle bezit nu eigendom was geworden van de Japanners. Korte tijd later werd Keller junior in een geblindeerde trein afgevoerd.

De periode tot zijn zeventiende levensjaar en het einde van de oorlog bracht hij door in diverse vrouwen- en mannenkampen, met als “tussendoortje” een eenjarig verblijf in de gevangenis van Padang. Ook in deze tijd werd hij door de Japanners gedwongen mee te graven aan een massagraf, dat in eerste instantie ook voor hem bestemd leek. De bombardementen van Hiroshima en Nagasaki kwamen maar net op tijd.
De Bersiapperiode: de Olo-affaire

Na de bevrijding van Nederlands-Indië kwam er geen rust maar begonnen op grote schaal moordpartijen plaats te vinden; Indo’s en Nederlanders werden zonder aanziens des persoon afgeslacht door bruut optredende bendes nationalisten, hiertoe eerder getraind door de Japanners. Een van de gelegenheden waarbij Keller veel familieleden verloor was de Bersiap-moordpartij op 18 november 1945 te Djalan Olo te Padang.

Monument van de Birma Spoorweg

Een van de (waarschijnlijke) redenen van de slachting aan de Olostraat 27 was dat de daders hoopten de sleutels die toegang gaven tot de Ombilinmijnen te vinden. Tijdens de verschrikkelijke gebeurtenissen werd het huis aan de Olo straat in brand gestoken. Tientallen mannen, vrouwen en kinderen werden gedwongen een grote, rechthoekige kuil te graven. Hierna werd hun keel doorgesneden en werden de lijken in de kuil gegooid. Een aantal jonge meisjes werd verkracht, de borsten afgesneden en hierna alsnog vermoord.

De grootvader van Keller werd tijdens de Bersiap periode elders op Java vermoord.
Politionele Acties

Keller trad, mede door al deze gebeurtenissen, al snel in militaire dienst bij het KNIL, waar zijn vader in middels benoemd was tot instructeur. Hij was echter nog te jong en werd weggezonden. Op 11 september 1946 verbond hij zich als vrijwilliger te Padang voor een jaar als vrijwilliger aan het KNIL. In de rang van soldaat der tweede klasse werd hij aldus als rekruut geplaatst bij het Depot Compagnie te Padang. Aldaar was hij een van de weinige soldaten met een Europese achtergrond.

Militaire staat van dienst

Op 5 november 1946 werd Keller overgeplaatst bij het Centraal Depot te Medan.  Met ingang van 3 september 1947 werd hij geplaatst bij het zesde Bataljon Infanterie en op 8 januari 1948 bevorderd tot soldaat der eerste klasse. Tijdens de Eerste Politionele Actie was Keller, onder overste Maris, met het zesde bataljon, actief op Noord-Sumatra.

Op 8 maart 1948 ging Keller, ter nadere indeling, over bij het Territoriale tevens Troepencommando Riouw en op 16 juli 1948 werd hij ingedeeld bij het tweede bataljon infanterie te Cheribon. Op 10 augustus 1948 ging hij over bij het Plaatselijk Militair Commando aldaar en wat later dat jaar werd hij geplaatst op de Infanterie Kaderschool te Tjimahi. Vlak voor de Tweede Politionele Actie begon vond de plaatsing bij het tweede bataljon infanterie plaats.

Deze periode van strijd was moeilijk voor Keller omdat hij zich, tijdens de Tweede Politionele Actie, min of meer gedwongen voelde tegen zijn eigen mensen te vechten. Dat was omdat het gevechtsterrein zich toen bevond in de geboortestreek van Keller.
Naar Nieuw-Guinea

Na de Politionele Acties werd Keller met ingang van 7 april 1950 overgeplaatst bij het Centraal Doorgangskamp te Batavia en met ingang van 24 juli 1950 verrichtte hij tijdelijke dienst bij de Koninklijke Landmacht. Twee dagen later werd hij, in verband met de reorganisatie van het KNIL na de soevereiniteitsoverdracht, eervol uit de militaire dienst van het KNIL ontslagen.

M.S. Waterman

Deze soevereiniteitsoverdracht had op 27 december 1949 plaatsgevonden. Alle Indo’s binnen het KNIL waren door de Nederlandse regering voorbestemd voor het Tentara Nasional Indonesia (TNI), het Indonesische Nationale leger. Deze lotsbestemming vernam Keller in Batavia, toen hij en andere militairen door Hollandse officieren tijdens een bijeenkomst hieromtrent werden voorgelicht. Er brak bijna een massale vechtpartij uit toen de altijd zeer loyaal gebleven KNIL-militairen van deze discutabele beslissing van de Nederlandse overheid kennis namen.

Uiteindelijk maakte generaal R.C. Luchsinger een einde aan de zeer dreigende situatie door mede te delen dat de KNIL-militairen naar Nieuw-Guinea zouden worden gezonden. De manschappen (2.000 mannen, vrouwen en kinderen, die daarnaast kippen, geiten en hak- en kapmateriaal) werden naar de Waterman gedirigeerd, waar zij hun wapens, die zij eerder niet hadden willen afgeven, in de riolen aldaar verstopten.  Aldus werd omstreeks 2.000 man naar Nieuw Guinea verscheept, waar hen een bestaan als kolonist zou wachten. Keller zelf kwam te wonen in Manokwari, waar hij RMWO Mauritz Christiaan Kokkelink ontmoette. Jaren later zou hij op Bronbeek met de nalatenschap van Kokkelink te maken krijgen.
De strijd in Korea

Keller werd met ingang van 26 juli 1950 bij het Regiment Van Heutsz als vrijwilliger voor onbepaalde tijd bij de Koninklijke Landmacht aangenomen en tewerk gesteld bij de Landmacht op Nieuw-Guinea. Met ingang van 16 augustus 1951 werd hij ontheven van deze tewerkstelling en ingedeeld bij het Nederlands Detachement Verenigde Naties, dat op die datum per vliegtuig vanuit Biak via Japan naar Puaan vertrok, waar het op 23 augustus aankwam.

Heuvel in Korea

Aldaar werd Keller tijdelijk, met ingang van 15 oktober 1951, benoemd tot korporaal. Tijdens een gevecht op 18 februari 1952 raakte hij (niet ernstig) gewond. Een paar maanden later, 6 juli 1952, vertrok Keller per Generaal le Roy Eltinge naar Japan, vanwaar hij per vliegtuig terugkeerde naar Nieuw-Guinea. Op 16 juli 1952 werd hij eervol ontheven van zijn tewerkstelling bij het Nederlandse Detachement Verenigde Naties en met ingang van die datum tewerk gesteld bij de landmacht op Nieuw-Guinea.
Werkzaamheden in Nederland

Keller werd met ingang van 21 februari 1954 ontheven van zijn tewerkstelling bij de Landmacht Nieuw-Guinea en vertrok per vliegtuig naar Nederland, waar hij werd opgevangen in de paardenstal in de legerplaats te Oldebroek. In de rang van soldaat der eerste klasse werd hij geplaatst bij het Bewakingskorps Koninklijke Landmacht (24 maart 1954). Met ingang van 5 november van dat jaar volgde de bevordering tot korporaal.

Brief van Keller aan de Koningin

Begin januari 1955 ging Keller over naar het Regiment van Heutsz, waar hij werd ingedeeld bij het twaalfde regiment. Enige jaren later deed hij de onderofficierenschool om opgeleid te worden voor de rang van sergeant der infanterie (1957) en in 1958 volgde een detachering bij de Opleidingsschool voor administratief kader. Pas op 8 augustus 1959 verkreeg hij bij wet de “hoedanigheid van Nederlander”.
Nieuw-Guinea en latere loopbaan

In mei 1962 keerde Keller naar Nieuw-Guinea terug, waar hij met ingang van 1 juni 1962 benoemd werd tot pelotonssergeant. Dat was wegens de militaire confrontatie in West-Papoea.  In deze functie bleef hij werkzaam tot november van dat jaar, toen hij terugkeerde naar Nederland, waar hij op 4 november 1962 aankwam. In de loop van de jaren die volgden werd hij diverse malen overgeplaatst en volgde verschillende opleidingen. Hij nam verder onder meer deel aan de parate- en wachtdiensten in Nederland en Duitsland.

Keller verliet de militaire dienst in 1983 in de rang van adjudant-onderofficier.
Gids op Bronbeek

Keller was gedurende vele jaren na zijn pensionering als vrijwilliger werkzaam als gids van Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek. In 2010/2011 zorgde hij er persoonlijk voor dat de Kokkelink-vlag, symbool voor het verzetswerk van de groep Kokkelink tijdens de bezetting van Nieuw-Guinea door Japan, een meer eervolle plaats, in een eigen vitrine, in de permanente tentoonstelling “Het verhaal van Indië” kreeg.

Bo Keller notities rondleiding Bronbeek

Hij heeft in de loop der jaren, helaas met wisselend succes, bij de collectiebeheerders van Bronbeek, steeds met argumenten en feiten onderbouwd, vasthoudend en volhardend gewezen op ergerlijke fouten en onjuistheden in de opstellingen.

Wat moet Nederland trots zijn op deze man, die zowel in de Oost, als op Nieuw-Guinea, op Korea, in Nederland, maar ook na zijn pensionering, de naam van ons leger hoog hield. Die zelfs nu hij de tachtig ver gepasseerd is de vinger aan de pols van de presentatie daarvan op Bronbeek en elders houdt. Die ook digitaal steeds een belangrijke verdediger van onze militaire eer is. Hulde aan adjudant onderofficier bd. George Wilhelm Keller!


Decoraties (selectie)

Ereteken voor Orde en Vrede
Kruis voor Recht en Veiligheid met de gesp Korea (12 augustus 1952)
Koreaanse Oorlogsmedaille, toegekend door de Zuid-Koreaanse regering (7 november 1952)
United Nations Service Medal met de gesp Korea (15 december 1952)
Bronzen Medaille (25 december 1952)
Onderscheidingsteken verbonden aan de Koreaanse Presidential Unit Citation (24 maart 1954)
Nieuw-Guinea Herinneringskruis met gesp 1962 (1 oktober 1962)
Zilveren Medaille (11 september 1964)
Gouden Medaille (25 oktober 1974)

 

We are Indische Nederlanders, not Indonesians

Daan van Lent of the Dutch newspaper NRC.nl wrote on April 13, 2017 the following article:

“It must be right first time ‘
Wendelien of Oldenborgh represents the Netherlands next month at the Venice Biennale with the project “Cinema Olanda”. She made a new film.
“One of the subjects of that movie was about and I quote:”
—————— “A third story, the Indonesian migrants who came to the Netherlands after World War II. ”300,000 Eurasians and Moluccans. Now, in 2017, they seems to have been seamless integrated and have become almost pet immigrants. But they were not then. ”

Many “Indische Nederlanders” in the Netherlands and other parts of the world, like California are not please because of the constant stupidity and arrogant attitude shown by many Dutch people, especially those from the press and politicians.

Here below is the story written by Anneke van de Casteele on the same sickening topic.
The Dutch version from her hand
: http://annekevdcasteele.blogspot.nl/2017/03/wij-zijn-indische-nederlanders-geen.html

‘We are Indische Nederlanders, not Indonesians!’

Last Tuesday night, February 28, 2017, Dutch D66 democrat party leader Alexander Pechtold was one of the guests on TV talkshow ‘Pauw and Jinek’. We saw him verbally wipe out a competitor in the upcoming Dutch elections, because of his contradictory statements, rightly so. However, we also heard him make a mistake, which he later described on Twitter as ‘careless’. He referred to the group of approximately 1.7 million Indische Nederlanders (Dutch Indos) living in the Netherlands today, as ‘Indonesians’. The Dutch Indo community was in an uproar. Also rightly so.
Did I cringe when I heard it? You know me, so yes. Was I surprised? Well, no. Pechtold is not the first and certainly not the only one who calls us ‘Indonesians’ (or worse: Dutch Indians).
Is it Dutch ignorance? Well, that could be very well possible. Were it not that even Dutch Indos often make the same mistake, especially the younger generation often describes itself as ‘Indonesian’ or even uses both terms, carelessly. This is where education comes in.
Is it just an innocent slip of the tongue? A slip of the tongue could be easily forgiven. However, ‘innocent’ it certainly is not. With the use of only one single word, the largest and oldest group ‘Dutch with a migration background’, as it is called nowadays, is put into a box where it does not belong. For many Dutch Indos this ‘slip of the tongue’ has grave connotations.
After almost 75 years of our presence in the Netherlands, The Hague still does not see us. It is the well-known blind spot. They know full well that we are there, but they do not want to see it, for then they would obviously have to address the never fully realized restitution of justice for the Dutch Indo community. From us, they expect ‘silence’ and ‘assimilation’: the ancient misconception that The Hague should really have to get rid of after all this time.
Hey, what’s that? These Dutch Indos no longer remain silent. What the hell. They make themselves heard. “We are not Indonesians!” It was as if I heard my father speak out some 40 years ago, when an office worker of Civil Affairs, while renewing my Dad’s passport, stated that my Dad was born in Indonesia.
“I was born in the former Dutch East Indies, Madam, not in Indonesia.”
The blonde innocence itself behind the desk replied, “But that’s completely the same thing?” She was being a bit dumb, sorry Alex (Pechtold, not Willy).
What our democratic people’s representative does not realize – and anyone who makes the same mistake – is that that the one word ‘Indonesians’ is the whole reason that we Dutch Indos are here in this country and not in Indonesia.
I am not going to explain for the 1000th time what a ‘Indische Nederlander’ is. What I will do, is indicate why it is not an innocent slip of the tongue to refer to us as Indonesians, but an error, which holds a denial – and in public – of our existence, of our identity and our history, of our Dutch citizenship.
In a nutshell: to use the label ‘Indonesians’ is not only technically wrong, it is also laden. It rips open old wounds. Using this label ‘stands for’ the bersiap, the rapes and massacres, the revolution, the ‘sale guerre’ which the Netherlands led until 1949. It stands for the insults, threats, poverty, and unemployment due to the Indonesian government nationalizing Dutch companies.
It stands for fleeing to the country of the nationality stated in everyone’s passport, it meant forever leaving your native land, home and hearth. It stands for anxiety and trauma. It stands for the scandalous reception in the Netherlands, boarding houses, skyrocketing debts and the never heard war trauma, starting all over again from scratch.
It stands for the never materialized restitution of justice, such as the never paid KNIL wages and salaries (the back pay issue). It stands for the suffering of our parents and grandparents. It stands for forced assimilation, racism and discrimination.
So, For many Indische Nederlanders so very much is concealed in the ‘careless’ choice of words of Dutch politician Mr. Pechtold.
But perhaps even more important in Pechtold’s decision to call us Indonesians is the absence of the ‘Indisch’ (Dutch Indo) story in Dutch education. When I say ‘Indisch’, I mean Indisch. Our story needs to be told by us, not through the rose colored glasses with the white lenses, worn by The Hague. We are perfectly capable to tell our own story and we have been doing so for years and years. If you would have been paying attention, you would have seen it, Mr. Pechtold.

If Dutch education had not made us invisible, the Dutch people would have known their own country’s history, including Dutch colonial history. Then the Dutch – including Mr Pechtold – would have known who we are, why we are here and that we are not Indonesians.

Please Note: Dutch citizens with roots in the former Dutch East Indies have a large variety of ethnicities, far more than only the Indo-Europeans or Indos. The words ‘Indische Nederlanders’ or ‘Dutch Indos’ popped up extensively in the discussion and I used these for simplification.

Geplaatst door Anneke van de Casteele op 17:37 op haar blog

This article is placed with the permission from Anneke van de Casteele

 

Bersiap is een nooit erkend trauma

PAULA BRUNSVELD-VAN HULTEN is geboren in Surabaya, Indonesie en kwam in 1961 naar Nederland
29 november 2013 – De Volkskrant.

Nederlands-Indië
Dat nu, met grote wijsheid en betweterigheid achteraf, de moordende Indonesische vigilantes ‘vrijheidsstrijders’ worden genoemd, is onverteerbaar.

Bersiap: klaar staan… Een traumatische, zwarte herinnering voor oudere Indische Nederlanders, deze moordperiode op de blanda’s, de Nederlanders, kwetsbaar vlak na hun bevrijding in 1945 uit vier jaar honger en ellende in de jappenkampen. Indonesische vigilantes, opgehitste jongelui, overvielen en vermoordden zomaar, vaak ‘s nachts, Nederlanders met bamboe roentjing (bamboe spiesen) of ander wapentuig. Bij duizenden zijn ze vermoord, mannen, vrouwen, kinderen… ‘De kali was rood van het bloed, er dreven altijd wel lijken in, ook van kinderen, verschrikkelijk’, vertelden ook mijn ouders later aan hun kinderen. Waar we moord en brand over schreeuwen als het in Afrika of Azië gebeurt, daar doen wij hier koeltjes over. Sterker nog, dat de Nederlandse militairen toen hardhandig in actie kwamen tegen de desa’s en kampongs (de vigilantes waren altijd anoniem, net als de moslimfundamentalisten in Irak) is begrijpelijk, al is overschrijding van de grenzen van menselijkheid nooit goed te praten. Maar de heftigheid van sommige soldatenoptreden, gevoed door emoties als wraak en ontzetting over wat met eigen ogen was gezien, is begrijpelijk. Ook in deze oorlog – want dat was het – gebeurden over en weer verschrikkelijke dingen.

Voor de mensen die het hebben meegemaakt is het onverteerbaar dat wereldverbeteraars zonder historisch geheugen het Nederlandse optreden nu met betweterigheid en grote wijsheid achteraf afdoen als ‘oorlogsmisdaden’, de berichtgeving van toen betitelen als ‘propaganda’ en de moordende Indonesische vigilantes als ‘vrijheidsstrijders’. Ook is het onverteerbaar voor hun kinderen en kindskinderen, die dit als een nooit herkend en erkend trauma van hun ouders hebben meegekregen.

‘De moord op duizenden (Indische) Nederlanders in de Bersiaptijd is door Nederland altijd gelaten geaccepteerd, terwijl het zich het best laat omschrijven als volkerenmoord’, aldus de Amerikaanse historicus William H. Frederick in een interview op 18 november in Trouw. Hij spreekt van ‘postkoloniaal geheugenverlies’ van de Nederlandse autoriteiten.

Indonesië zit niet te wachten op al die zelfincriminatie door Nederland over zijn acties destijds, waarmee allerlei mensenrechtelijke claims worden gestimuleerd bij de lokale bevolking, die – zo blijkt na Rawagedeh – het smartengeld aan de enkele overlevenden op bevel van de dorpsoudste verdeelt onder de hele gemeenschap (niet onterecht, vind ik). Indonesië ziet de bui al hangen: al die nabestaanden van de Bersiap-genocide – zo noemt historicus Frederick die periode – gaan de Indonesische staat aanklagen.

Ik ben niet anti-Indonesië, integendeel. Het vrijheidsstreven en het succes van Indonesië met Soekarno als grote man, heb ik altijd bewonderd. Zo ben ik ook opgevoed.

Ik ben blank en blond, geboren in Surabaya op dag één van de Tweede Politionele Actie; mijn vader had moeite om naar het ziekenhuis te komen door de acties. Pas op mijn 13de, eind 1961, ben ik in Nederland gekomen. In de jaren vijftig had Soekarno verordonneerd dat Nederlanders moesten kiezen: vertrekken naar Nederland of blijven, maar dan Indonesisch staatsburger worden. Mijn ouders kozen voor het laatste, en ik wist niet beter dan dat Indonesië mijn land was. Ik zat ook op een Indonesische school, leerde en sprak daar Bahasa, zong op het schoolplein met alle kinderen het volkslied Indonesia Raja. Met Nederland had ik niets te maken, daar kwam de Bijenkorfbrochure voor Sinterklaas vandaan. Opa’s en oma’s waren in het jappenkamp gestorven.

Indonesië begon eind jaren vijftig met het terug claimen van Papoea Nieuw-Guinea, immers het ontbrekende deel van de archipel, dat ook door de Nederlandse kolonisator was bezet. In mijn ogen – ik was 11, 12 – was dat volkomen terecht en was Nederland de bad guy, die wilde blijven vasthouden. Luns, met zijn belachelijke snorretje, was de personificatie van dat foute Nederland voor mij en voor de rest van Indonesië. Wij stonden helemaal aan de Indonesische kant in ons gevoel.

Toch heeft dit conflict geleid tot ons vertrek uit Indonesië, het land waar ik dacht mijn hele leven te leven, naar dat koude, vijandige Nederland. Ik heb nog steeds begrip voor de vijandigheid van de bevolking tegen ons; we zagen er erg ‘blanda’ uit. Die vijandigheid nam bedreigende vormen aan, zowel fysiek als sociaal. Wij zijn uiteindelijk eind 1961 als spijtoptanten in Nederland gekomen.

Hier werd ik geconfronteerd met een heel ander beeld van dat conflict. Hier was Soekarno de grote boosdoener, Nederland de vermoorde onschuld. Ik heb daarvan voor het leven geleerd dat de waarheid zoals je die in de media en politiek ziet en hoort relatief is. Er zijn meer waarheden.

Dit geldt ook voor de oplaaiende discussie rond de Nederlandse oorlogsacties na de Tweede Wereldoorlog in Indonesië.

 

Robert’s Fermin Memoirs

Robert was born in the former colony The Dutch-Indies, today called Indonesia.  Between 3-1942 and 8-1945 the Japanese occupied the Dutch colony. On December 27, 1949 Indonesia became an independent country.
Here are his memoirs of the war period and few years after.

Robert Fermin’s memoirs

Mijn Verhaal – door Ad Fermin

Mijn verhaal over de Japanse bezetting van Nederlands-Indie gedurende 1942-1945 te vertellen aan leerlingen van  MO-scholen.
MIJN VERHAAL 2017 tekst-Ad Fermin

De Indische Kwestie

Peggy Stein is een actieve strijder voor de Indische zaak en heeft het volgende artikel op haar Blog geplaatst.

Beste politicus, ambtenaar en jurist,

Ik schrijf u namens mijn ouders en grootouders en namens de duizenden mensen die ik de afgelopen tijd heb gesproken in verband met de al 71 jaar slepende en onopgeloste ‘Indische Kwestie’ omtrent compensatie oorlogsschade én de ‘backpay’ van salarissen uit de oorlogsjaren Nederlands-Indië.

Nederlands-Indië: de onbetaalde rekening