Archives for August 2015

Chili peppers are healthy

Eating hot and spicy help one live longer

Most of us Indo-Dutch like to eat spicy and we eat sambal in all kind of mixtures and dishes.
But what do we know about the hot peppers?

International researchers found out comparing people who ate spicy foods less than once a week, those who at them at least three to five times per week were live likely 14% longer.
Those who ate spicy meals once or twice a week were 10% less likely to die during the study period of the researchers.

International researchers and scientists have already recognized that spices do have a beneficial health effect. And special capsaicin, the ingredient that gives you the hot bites when eating the chili peppers, have been shown to fight all kind of inflammations, high blood pressure, obesity and cancer, to mention some ills.

According to the researchers the effect of eating spicy foods have the same result on men and women. Among the study volunteers, those who reported eating fresh chili peppers had a better result than did volunteers who ate only dried chilies.
The difference could be that fresh chili pepper contains more capsaicin and nutrients like potassium and vitamins C, A, K and B6.
The study included nearly half a million volunteering people between the age of 30 and 79 and for a period of 7.2years.

To measure the heat units of a chili is based on the Scoville Scale.
Here are a few examples of peppers and their heat units:
Anaheim pepper                  500 to 2500
Jalapeno pepper               2,500 to 8,000
Serrano pepper               10,000 to 23,000
Cayenne pepper             30,000 to 50,000
Thai pepper                    50,000 to 100,000
Habanero pepper        100,000 to 350,000
Ghost pepper               855,000 to 1,041,427

Kamp slachtoffers tijdens de bersiap

Met al de ‘Bersiap-slachtoffers” hoop ik niet, dat deze ”Perlindoengan kampen” in de vergetelheid raakt
Artikel bij G.W. Keller (siBo)

De lokale besturen, Kommitee Nasional Indonesia, hadden bevel gekregen de Indo-Europeanen te interneren. Dit werd uitgevoerd door de laskars, de verzamelnaam voor al die honderden ongeregelde groepen, maar ook door de lokale, inheemse, politie, door de BKR, (Badan Keamanan Rakjat, Volks-Veiligheidsleger). Dat wijst erop dat de Indonesische achterban van Soekarno en Hatta niet zo ongeorganiseerd was.

Drie redenen worden er aangevoerd waarom de Indonesiërs tot internering over gingen. De weerbare mannen en jongens waren potentiële tegenstanders. De geïnterneerden werden gebruikt als gijzelaars om uitgewisseld te worden tegen gevangen Indonesiërs. Deze eerste twee redenen zullen min of meer een rol gespeeld hebben.
Zelf noemden de Indonesiërs ze: kamp Perlindoengan (beschermingskamp d.i. bescherming tegen de fanatieke pemoeda’s). Velen hebben hun verblijf in de Indonesische interneringskampen toch als een gijzelaarssituatie beleefd.

In eerste instantie werden alleen de weerbare mannen en jongens geïnterneerd. Plaatselijk zijn er grote verschillen. Jongens van 15,14 maar ook elders van 12 en 11 jaar worden opgehaald. Men werd vaak opgeroepen onder het mom van registratie. En dan ter plekke gevangen genomen en met trucks naar de gevangenis gebracht.
In het algemeen werden eerst de mannen en pas later de vrouwen en kinderen geïnterneerd. In Solo pas eind november. Begin december in Djokja. En in januari het laatste deel van Djokja. Vrouwen zouden minder gevaar lopen. Ook mochten in veel gevallen de vrouwen hun ingesloten mannen, zoons, familieleden, pakjes brengen. Of voedsel, matrassen, tikars, kleren.

Op sommige plaatsen werd wel iedereen tegelijk, mannen, vrouwen, kinderen geïnterneerd. Dat gebeurde in de gebieden waar het ook voor de Japanse bezetting al onrustig was. Pekalongan bijvoorbeeld. De meeste van deze kampen bevonden zich in de minder toegankelijke, bergachtiger, gebieden van Midden- en Oost-Java. In het uiterste Westen en Oosten van Java waren er vrijwel geen.
In sommige kampen werd men bewaakt door Indonesiërs tegen de pemoeda’s. In een kamp in Klatèn werden mensen door de Indonesische politie met hun geweren naar buiten gericht beschermd. Men werd onder gebracht in barakken, hotels, scholen, kerken, buitenverblijven, stadswijken, gevangenissen, allerlei ondernemingen, koffie, kokos, kretek, rubber, suiker, tabak, thee.

Deze onderkomens waren vaak niet op die grote aantallen berekend. Veel kampen waren veel te vol. Dus te weinig toiletten. En te weinig water. Te weinig voeding. Zeer wisselend. Bij mannen in de gevangenis van Klatèn, Sragen, Langenhardjo, was in het begin de voeding zo slecht dat er mensen stierven. De bewoners van dit kamp werden na drie maanden door de politie overgebracht naar andere kampen.

Het Internationale Rode Kruis dat 80 kampen heeft bezocht constateerde dat de mensen in het algemeen niet ondervoed waren. In nagenoeg alle kampen mocht je wel eten bijkopen. Maar er zijn ook verhalen van mensen die alles aten wat er over de grond kroop. De binnenbast van pisangbomen werd gegeten.
De voedseltoestand verschilde niet veel van die van de gemiddelde Indonesiër buiten de kampen. De rijsttransporten waren door de Japanners geheel gedesorganiseerd en in deze revolutietijd was dat nog niet zo snel hersteld. In de omgeving van Bodjonegoro, waar altijd al te weinig rijst was, daar kon wegens gebrek aan banden en onderdelen voor de trucks met moeite voeding naar toe vervoerd worden.
Dus in de kampen Soemobito, Winodjo, Tjèwèng was te weinig eten. Maar ook daar buiten was het slecht. Ook de sterftecijfers, doodsoorzaken, ziekten binnen en buiten de Indonesische interneringskampen vertonen overeenkomsten.

Het ideaal van internationale erkenning waar de top van de Republiek met de Kamp Perlindoengan naar streefde was duidelijk niet bij iedereen in de lagere, uitvoerende, regionen bekend. Theorie en praktijk van de beschermingskampen liepen zeer uiteen.
Voorbeelden van bescherming en van het tegendeel worden naast elkaar gezien. Op diverse plaatsen werden mensen niet alleen geïnterneerd maar ook in het betreffende kamp vermoord. Dat gebeurde in de buurt van Brebes, Tegal, Koeningan, Poerworedjo.
In de gevangenis van Pledang werden mannen vastgezet en bewaakt door ex-gevangenen. Toen er mensen uit Depok bijkwamen moesten die spitsroeden lopen tussen rijen met kapmessen bewapenden bewakers. Daar werden elke nacht een paar weggehaald en vermoord.

In Soerabaja hadden de Indonesiërs na een bestorming van de Japanse kazernes, ten koste van zware verliezen, zeer veel wapens en voertuigen buit gemaakt. Ook Rode Kruis werkers werden daar opgepakt. Deze waren evenals RAPWI mensen een door de pemoeda’s geliefd doelwit. In de Simpang sociëteit, de Werfstraat gevangenis en de Boeboetan gevangenis ging het dramatisch toe.
Op 28 oktober valt een transport van vrouwen en kinderen vanuit Goebeng in een Indonesische hinderlaag. Bijna 200 vermist of gedood, waaronder ca. 50 Ghurka’s.

Op 10 november waarschuwde de Ambonees Patiradjawani de Engelsen dat de gevangenen in de Werfstraat de volgende dag gedood zouden worden. De Nederlander Jack Boer nam actie en met behulp van 10 Ghurka’s en een tank werden 2384 mensen bevrijd. Uit de Boeboetan gevangenis kwamen ruim een week later 75 van de 1100 gevangenen vrij. De rest was ontvoerd of gedood.

Op 21 november 1945 werden 2500 Indo-Europeanen, Ambonezen, Menadonezen, mannen, vrouwen en kinderen door de Engelsen zonder bescherming in de kaderschool van Magelang achtergelaten omdat zij te weinig mankracht hadden om de kampen in Ambarawa en Banjoe Biroe te beschermen èn deze vluchtelingen voor het Indonesisch geweld te beschermen.

“Only the white Dutch women and their children” mochten mee op de vrachtwagens naar Ambarawa. In de twee volgende dagen werden er 460 van de 2400 achtergeblevenen gedood.

(Mevr Groen, P.M.H. Patience and Bluff)
Literatuur geraadpleegd voor de Historische Omgeving

The other side of Holland (By Saskia Rossi)

Holland.
The small, friendly country famous for its tulips, windmills, cheese, and weed. A rich cultural heritage (Rembrandt, Van Gogh, Vermeer), a climate of tolerance and innovation, and liberal beliefs. I am proud of the way it takes care of its seniors and of the vulnerable groups in society such as the disabled, the homeless, and the jobless. I am less enthusiastic when it comes to the way it has been treating its Dutch-Indonesian citizens.
My parents came from Indonesia, which implies that they experienced the invasion and the occupation of their country, the Dutch East Indies, then colony of the Netherlands, by the Japanese. Many of the Dutch-Indonesian people, who were all Dutch citizens, served in the Army and Navy. Most of them were taken prisoner and spent years in internment camps. Thousands of them did not survive and those who did, had to face more hardships.
After the capitulation of Japan on August 15, 1945, Indonesia did not want to be under foreign rule any longer. A violent struggle for freedom ensued. In this gruesome period, called the Bersiap, again thousands of Dutch(-Indonesian) men, women, and children lost their lives. In 1947, the Netherlands sent troops to Indonesia in order to reestablish their rule, that is, to preserve their profitable colony. Finally, in 1949, under great international pressure, the Netherlands had to recognize the independence of Indonesia.
What did this mean for the Dutch-Indonesian people? Being Dutch citizens, but living in a country that was no longer Dutch, they only had a few options. The majority chose to depart for the unknown. Roughly between 1950 and 1960, some 300,000 Dutch-Indonesian people embarked on a long journey that would take them to their new home, the Netherlands. Here, they had to start all over again. Of course they met with prejudice, silly regulations, and blatant racism. They had to accept (and pay for) inadequate housing, take jobs that did not reflect their qualifications, and undergo constant social scrutiny.
Much later, in 2000, in an attempt to counterbalance the chilly welcome, the Dutch government made a financial reparation, Het Gebaar, the Gesture. The name itself is poorly chosen; it suggests magnanimity on part of the giver, while it was no more than a band-aid. It did not heal the raw wound underneath.
Recently, the pain and frustration have become unbearable. Since 2013, de Indische Kwestie, the Dutch-Indonesian Issue, has been on the political agenda of The Hague. The much anticipated public hearing in de Tweede Kamer, the House of Representatives, scheduled on July 1, 2015, was adjourned one day before the assembly, a few days before the summer recess. Once again, the aging Dutch-Indonesian beneficiaries are supposed to wait just a little longer.
De Indische Kwestie, the issue that stirs up a lot of emotions in the Dutch-Indonesian community, has two components: Back Pay and Compensation for material war damages.
In a nutshell:
Back Pay:
Unlike their Dutch counterparts, interned or held hostage by Nazi Germany, Dutch-Indonesian government officials and military personnel were not paid for the 41 months under Japanese occupation. An exception was made for Navy personnel; the then Minister of the Navy felt morally obliged to pay his men. Their salaries were retroactively paid in full. All others who proudly served their country, fought for the Queen, and remained loyal to the Dutch flag under the most trying circumstances never received a dime.
Compensation for material war damages:
The Dutch government paid 5.9 billion guilders (precursor to the euro) to Dutch individuals who suffered damages during the occupation of Holland by Nazi Germany. Dutch-Indonesian citizens were strictly excluded from this settlement. The Allies in the war against Japan, like the United States, Great Britain, and France did take financial responsibility for their fellow citizens in Asia. The Netherlands has never acknowledged any financial or legal liability; from the beginning, unhindered by a sense of duty or codes of honor, it has pointed at Indonesia to deal with this matter.
Seventy years have passed since the end of World War II. My father, who served in the Army, passed away a long time ago, all my uncles, who served in the Army and Navy, passed away too. For them it is too late. But others are still alive, still hoping and waiting for recognition, for formal apologies, for justice. Will Holland step up to the plate and finally do what is the right thing to do or will colonial history repeat itself?

Saskia Rossi
Monrovia, California

Trauma’s bij oorlogskinderen

Traumatische problemen van kinderen opgelopen gedurende een oorlog.

De psychiater J.N. Schreuder stelt dat alle kinderen van de oorlog, ongeacht het gezin waaruit zij voortkomen, een aantal kenmerken vertonen:

1. Het verlies van het basis vertrouwen.
‘Juist het vertrouwen in de goedheid van alle mensen, juist dat wat we het basis vertrouwen van elk mens zouden kunnen noemen, ontbreekt vaak bij volwassenen die kind in de oorlog zijn geweest.’
2. De afhankelijkheid van machtsstructuren.
Schreuder haalt Keilson aan die alle kinderen van de oorlog onder de gemeenschappelijke noemer brengt van de afhankelijkheid van de maatschappelijke machtsstructuur. Dat geldt voor alle kinderen in alle situaties, maar in oorlogstijd is die machtsstructuur tevens destructief.
De Tweede Wereldoorlog leert ons, ‘dat kinderen overgeleverd zijn aan de wereld der volwassenen, die in menig opzicht kind vijandig is en sprakeloos maakt.’
3. Problemen met het leren begrijpen wat hun sociaal-culturele achtergrond is.
‘Alle kinderen van de oorlog zaten met het onontkoombare en onoplosbare dilemma dat ze door een verstoorde ontwikkeling onvoldoende in staat waren te leren en te begrijpen wat hun sociaal-culturele achtergrond was, terwijl zij en hun ouders daarentegen op uitzonderlijke en tevoren niet gekende wijze juist om deze reden werden vervolgd.’
4. De oorlog is ‘afwezig’ of hinderlijk present.
Kinderen worden vaak onwetend gehouden over wat er gebeurd is of er juist overmatig mee geconfronteerd.
‘In beide gevallen verloopt het proces waardoor kinderen iets leren te begrijpen van de hen omgevende werkelijkheid onevenwichtig.’
5. Emotionele beperking.
Mensen kunnen op twee manieren op een trauma reageren, namelijk met vermijding of overspoeld worden. Beide processen staan lange tijd een evenwichtig functioneren in de weg.
‘Het was vaak niet mogelijk op een vrije wijze emotioneel bij anderen betrokken te zijn. Die emotionele beperking was vaak noodzakelijk om staande te blijven, maar werd lang niet altijd doelbewust gekozen.’
6. Vernietiging van de betekenis in het leven.
Schreuder verwijst naar Shamai Davidson, die zegt:
De traumatische ervaring in de binnen- en buitenwereld van het individu veranderde op een manier, dat resulteerde in het verbreken van het besef van de continuïteit van het leven, de vernietiging van het begrip van betekenis in het leven en een ondermijning van het gevoel van veiligheid en van het basis vertrouwen.’
7. Het ontbreken van een goede basis voor opvoeding.
‘Kinderen van de oorlog werden groot te midden van volwassenen van wie de individuele en maatschappelijke existentie in de meest fundamentele zin werd aangetast.’
8. Het afgesneden raken van jeugd en wortels.
Door het vermijden van herinneringen aan het trauma gaan ook de herinneringen aan de tijd ervoor verloren:
‘Op deze wijze werden de kinderen van de oorlog van hun eerste jeugdjaren of van hun wortels afgesneden.’
9. Identiteitsproblemen.
Schreuder noemt een aantal factoren die een belangrijke rol spelen bij het tot stand komen van de identiteit.
‘In het prille begin van het leven zijn voor de ontwikkeling van de identiteit beide ouders onmisbaar. Later gaan andere volwassenen, maar ook oudere broers en zussen meedoen in dat model staan.’ Door de oorlog zijn de meeste gezinnen, tijdelijk of voorgoed, uiteen gevallen.
‘Het moment waarop het geweld en de verstoring van de ontwikkeling plaatsvonden, is bepalend voor de problemen die in de identiteit later worden ervaren.’
‘De twijfel aan de eigen identiteit ondermijnt de waardering voor jezelf, de zekerheid om beslissingen te nemen, het vermogen met anderen een relatie aan te gaan en het kunnen beleven van intimiteit.’
10. Onbeantwoorde vragen beïnvloeden het kind negatief.
‘Wanneer die vragen niet worden beantwoord, niet mogen worden beantwoord, misschien zelfs niet mogen worden gesteld, dan wordt de mogelijkheid om die eigen innerlijke werkelijkheid en de externe werkelijkheid te organiseren, belemmerd. Tijdelijk kan dat zover gaan dat ook het vermogen om vragen te stellen verloren raakt.’
Het kind ontwikkelt hierdoor angst, die later tot depressieve klachten kan leiden.

Zeer jonge kinderen
Over traumatisering bij jonge kinderen merkt Bruggeman op:
‘Door de oorlogstrauma’s werden vooral de zeer jonge kinderen het sterkst getroffen. In iedere ontwikkelingsfase van een kind moeten mogelijkheden geboden worden om fasespecifieke ervaringen op te doen. Door de scheiding van de ouders tijdens onderduik – of kampomstandigheden, met daarbij ondervoeding en ziekte werden de vroegste ontwikkelingsfasen meestal ernstig geschaad, hetgeen een basis vormde voor latere stoornissen in de karakterontwikkeling.’

Verder merkt hij op dat de jongste kinderen geen herinneringsgebonden materiaal hebben, hooguit wat vage indrukken van bijvoorbeeld kleuren. Vaak zeggen ouders dat zij te klein waren om iets van de oorlog te weten, terwijl zijzelf alles bewust hebben meegemaakt. De ervaringen van de ouders tellen, die van het kind niet. Hier ligt een kernconflict voor kinderen van de oorlog. Het basis-gevoel wordt tevens gekrenkt omdat de ouders net doen of er geen akelige dingen gebeurd zijn of dat het kind geen angsten heeft doorstaan vanwege het feit dat de kinderen het zich niet herinneren, terwijl dat wel degelijk het geval is.
Bovenstaand is ontleent uit Kombi, waarbij uitgebreide beschrijvingen van algemene en specifieke problematiek bij oorlogskinderen, door een tiental deskundigen en professionele hulpverleners wordt beschreven.

Posthumous honored with the Mobilization War Cross

Johannes Jacobus WINSSER has been posthumous honored with the Mobilization War Cross!

The family Francois Marie Winsser-Laarhuis consisted out of father, mother and 5 children, 3 girls and 2 boys. All the 5 children were born in the home town of their parents, the city of Semarang in the former Dutch-Indies.
Grandfather Frans Winsser has first served as a military in the Royal Dutch Indies Army and made it to Non-Commission Officer (NCO). After his military service he joined the police corps of Semarang and became superintendent of police.

Grandpa Frans Winsser

Grandpa Frans Winsser

Family Winsser-Laarhuis, standing beside his mother is Jan Winsser

Family Winsser-Laarhuis, standing beside his mother is Jan Winsser

 

Grandfather Frans Winsser Family Francois Marie Winsser-Laarhuis
standing beside his mother is Jan Winsser
His youngest son Johannes Jacobus Winsser was born on March 30, 1913 in Semarang.
Jan Winsser decided to join the KNIL as a professional and hold the position of European Brigade Titular in the Dutch Infantry.
At the age of 24 he got married to his lovely wife Suze Pauline Jeekel. Suze Pauline Jeekel herself was born in Delanggu, in the region Klaten, which is located on Mid-Java between Jogjakarta and Surakarta.
What exactly happened during the Japanese occupation, but Jan (Johannes Jacobus) Winsser became a Japanese prisoner of war on March 8, 1942.
He was one of the many chosen Dutch KNIL soldiers transported like cattle by the Japanese under terrible heat and with nearly no food and water by open trucks trains and boats to Burma where they had to build and work like slaves on the Burma Railway at the orders of the Empire of Japan. This railway, which is 258 miles long (415 km) long, is also known as the Death railway between Ban Pong, Thailand and Thanbyuzayat, Burma.
After above mentioned ordeal he was moved by the Japanese military to a Japanese concentration camp in Raha, South Celebes where he died on April 11, 1945, just a couple months before the end of the war.

Johannes Jacobus Winsser was honored with the MOK

Johannes Jacobus Winsser was honored with the MOK

Meanwhile his wife Suze Pauline Jeekel and her 3 children, the girls Gertrude and Sylvia and their son Ronny, had to survive a horrible and cruel war. They were welcome by Aunt Jeane Riekerk, who had a large house in the country just outside Cimahi.
Directly after world war two was ended and the Japanese capitulation was a fact the bersiap broke out and especially young Indonesian, part trained by Japanese, want their independence and went after the Dutch-Indo’s, most women and children. Suddenly news was spread; that a British ship did arrived in Semarang with prisoners of war from the Thailand-Burma railway and Suze Pauline decided also to go with her 3 children to Semarang. At the harbor they found out that the ship had no prisoners of war, but British and Indian military personnel and soldiers, who had to stabilize the peace in Semarang and surrounding areas.
Moments later the Indonesian permudas attacked the people in Semarang and at the harbor and for the safety of the women and their children they were all moved to board a British ship (possibly the Sussex). Suze Pauline and her children were then transported to Thailand. In Thailand she found out that her husband was no longer a laborer and much later also that he had died. She then was shipped back to Batavia, and from there to the Netherlands. Meanwhile she got remarried to Mr. Somers and together they had another 5 children. Then the opportunity came and they decided to leave the Netherlands for America and arrived in California.
Today Suze Pauline Somers-Jeekel still lives at the age of 97 among her family.
Huib Otto, the son of one of the sisters of Jan Winsser, have never met uncle Jan. But he found it important for the family to apply for the MOK.
Per The Minister of Defense a letter dated June 11, 2015, including the Mobilization War Cross and Certificate, was sent by certified mail to the daughter of J.J. Winsser, Mrs. Sylvia P. Kailola-Winsser in Cerritos, California.
Last but not least, like many families before, the Winsser families were honored because of the tirelessness work and devotion of Jacques Z. Brijl, Luitenant-kolonel bd, drg. “Bronzen Leeuw”.

Het hertje en mijn vader

Peggy praat met het hertje bij het graf van onze vader Eddie Geenen

Peggy praat met het hertje bij het graf van onze vader Eddie Geenen

Mijn naam is Peggy Geenen, geboren op Sumatra tijdens de 2de wereld oorlog in het Japanse concentratiekamp te Padang. In het Fraterhuis op 8 oktober 1943 zag ik het levenslicht als één van de laatst geboren baby`s, die in leven zijn gebleven. Ik was nog geen 3 pond in gewicht. Werd in leven gehouden door 18 maanden borstvoeding van een uitgemergelde moeder, een beetje gestolen rijstwater uit de keuken en wat gesmokkelde thee, die mij gevoerd werd met een theelepeltje door Moesje, mijn oma.

In 1996 besloten mijn vriend Jacob van der Weide, ik en nog 6 andere personen een reis van 2 maanden naar Indonesië te maken en onze “roet” terug te vinden en op te zoeken.
De vruchtentijd oktober-november werd gekozen voor onze reis. Van mijn toen nog in leven zijnde moeder Claire Elisabeth Chevalier, kreeg ik de opdracht bepaalde plekken te fotograferen, o.a. ook het eerste huisje op palen in Sawahlunto op west Sumatra wat ze van opa en oma Geenen gekregen hebben en natuurlijk ook het graf in Jakarta van mijn overleden vader Eddie Geenen.

In Medan begon onze reis naar Padang met 2 busjes. Het huisje op palen in Sawahlunto heb ik na een lange zoek periode, uiteindelijk, gevonden.
Na de rondreis Medan-Padang-Medan en 3 dagen Bali, kwamen we aan op Oost-Java.
In Malang bleven we een week, waarna wij met een busje van oost naar west via Jogjakarta, Bandung, Buitenzorg naar Jakarta trokken. Een onvergetelijke tijd van vele steden, dorpen, prachtige sawa’s, die wij passeerden. De Borobudur en vele andere tempels, die wij bezochten, waren heel indrukwekkend.

De laatste week in Jakarta brak aan. Mijn moeder, vader en haar 4 kinderen werden direct na de oorlog naar het toenmalige Batavia per boot vervoerd. Onze vader Eddie Geenen, die vele martelingen had ondergaan, had namelijk heel urgent medische behandelingen nodig. En dat kon alleen het beste in het CBZ ziekenhuis te Batavia gegeven worden. Wij kregen toen een woning aan de Tjilamajaweg nr.:13 in Tjideng, dat ik meteen opzocht. Helaas, ik was te laat! De woning was gesloopt en alleen wat puin en fundamenten waren er nog over. Ons rest nu nog het graf of de tegel van mijn overleden vader te vinden. Diverse kerkhoven hebben we bezocht en uiteindelijk vonden wij een klein ommuurd Nederlandse kerkhof.

Er was een vriendelijke bewaker, die meteen naar ons toekwam. Ik vertelde hem dat ik de tegel of de begraafplaats van mijn vader “Eddie Geenen” zocht, die hier waarschijnlijk in 1948 is begraven. Hij liep meteen naar de langste muur en wij volgenden en bekeken alle tegels die ingemetseld waren. De bewaker was reeds verdwenen en aangezien het al 1:00 in de middag was, brandde de zon op onze hoofden. Jaap was alleen vooruit gelopen en sneller langs de tegels gegaan. Plotseling draaide hij zich naar mij toe, greep mij bij mijn schouders en zei:” Hier is de tegel van je vader”. Een onbeschrijfelijke ontroering overviel mij, want na lang zoeken hadden wij het toch gevonden! Olga en Jaap lieten mij even alleen met mijn vader en raapten in de tussentijd wat witte gevallen bloemen van de Cambodjaboom op en drapeerden het boven mijn vaders tegel op het muurtje. Na een poosje moesten wij voorlopig afscheid nemen en terug gaan naar het hotel. Wij liepen naar de poort, maar tot onze verbazing was die op slot. De bewaker was in geen velden of wegen te zien. Onze chauffeur van het busje konden wij ook niet bereiken. Olga en ik besloten uiteindelijk op twee smeedijzeren bankjes tegenover elkaar te zitten om wat te praten, Japie was een opening aan het zoeken. Plotseling zei Olga tegen mij:”Kijk Peg, een hert”. Ik keek richting haar wijzende vinger en zag tot mijn stomme verbazing een hinde over het pad lopen. Van af het eind van het grasveld begon ik foto’s te maken van deze hinde. Jaap die inmiddels achter mij stond, hielp mij over de puinhoop heen. Samen liepen wij voorzichtig verder in de richting van het hertje. Ze was op een kapotte zerk gaan staan waar wat gras groeide. Het diertje liet ons rustig naderen. Ik gaf mijn fototoestel aan Jaap en vroeg hem foto’s te blijven maken. Zelf knielde ik bij het hertje neer en begon haar over haar flank te strelen voordat ik haar kopje begon te aaien. Ze liet het me allemaal rustig toe, keek mij strak en liefdevol bijna menselijk aan, met haar mooie warme reebruine ogen, ze knipperde niet met haar ogen. Op een gegeven moment keek ik naar links en tot mijn verbazing stonden wij precies in het verlengde van mijn vaders tegel. Ik keek het hertje weer aan en vroeg:”Zit papa Ed misschien in jou? “Papa Ed, geef mij een teken dat jij in dit hertje zit”. Tot mijn verbazing verscheen er in beide ogen een geel lichtje alsof er een lampje aangestoken was.

Mijn gevoelens zijn met geen pen te beschrijven. Ik bleef haar strelen, haar kopje, tot ik dacht dat zij er genoeg van had. Maar nee, want ze legde zelfs haar kopje in mijn schoot. Onbeschrijfelijk!
Toen was het moment aangebroken om afscheid te nemen. We liepen naar de poort die inmiddels weer open was. Het hertje liep met mij mee. Ik nam met een omhelzing afscheid van het hertje. Tot mijn verbazing bleef het beestje binnen de poort en keek ons na. Terug in het hotel bleef ik echter nadenken over de bijna onleesbare tekst op de grafsteen van mijn vader. `s Avonds sprak ik er over met Olga. Ik wilde nog een keer terug naar die grafsteen. Ik wilde de woorden op de steen duidelijker maken, tenslotte kon ik schilderen. Een fijn kwastje en wat inkt of verf was genoeg. Olga zei:”Dat het wel over 3 dagen nog zou kunnen”.

Drie dagen later was het zover. Jaap zei meteen, dat hij naar het hertje ging zoeken en wilde weten of het hertje echt naar een dier rook. Aangekomen ging ik meteen naar de grafsteen en Jaap naar het hertje dat in de schaduw lag te herkauwen. Hij vroeg aan het hertje of hij even aan haar mocht snuffelen. Ze liet het hem rustig toe. Ze rook totaal niet naar een dier. Jaap zei tegen het diertje:”Ga je mee, Peggy is ook hier”. Het hertje stond meteen op en volgde hem naar mij, waar ik al druk bezig was de letters van papa`s Ed zijn naam duidelijker te maken. Waarom ik juist met zijn naam begonnen was, wist ik op dat moment nog niet. Dat werd pas duidelijk toen ik halverwege de achternaam Geenen was. Toen kwam Olga naar mij toe (ze stond met de oppasser te praten), ik moest ophouden. Ze deden het liever zelf, want dit kerkhof was van monumentenzorg. Ik vroeg wel of ik de naam van mijn vader mocht afschilderen. En dat mocht (Jaap gaf de oppasser later wat roepia’s om er zeker van te zijn dat het goed kwam en ik deed er nog een schepje boven op, om hem de omstandigheden van mijn vader, de oorlog, mijn moeder en ons leven in Holland te vertellen. Olga hielp mij met het vertalen in het Indonesisch. Toen ik klaar met de naam Geenen was kwam Jaap eraan met het hertje naast zich. Ik zag dat het hertje over de puinhopen naar mij toe wilde komen. “Nee, zei ik “ik kom wel naar jou toe, want anders breek je straks nog je pootjes”. Tot mijn stomme verbazing trok het hertje zijn pootje van de losse puinstukken weg en wachtte geduldig op mij. Vervolgens stond ze me weer toe om haar te aaien en te knuffelen. Ze liep weer mee naar de poort en daar nam ik weer voor de tweede keer afscheid van het hertje en tevens van mijn vader.

Natuurlijk werd, bij aankomst thuis, alles in geuren en kleuren en met foto’s aan de familie verteld. Ook schreef ik Olga een brief met een verzoek om een foto te maken van de opgeknapte graftegel. De man had het inderdaad weer duidelijk gemaakt.

Veertien dagen later reed ik met mijn jongste dochter Glenda, haar man en haar negen maanden oude baby Roxanne naar Duitsland om heerlijk buiten te eten. Daarna reden we weer terug van Waldfeucht naar Nederland. Het was inmiddels donker geworden. Zeker langs de weg tussen de bossen waar geen verlichting was. Al stoeiende met mijn kleindochter keek ik lachend op en zag tot mijn verbazing in de voorruit van de auto het lachende gezicht van mijn vader, papa Ed, verschijnen als of hij iets wilde zeggen, Twijfel niet… “Ik was in het hertje”. Meteen waarschuwde ik Japie mijn vriend, die alles met mij in Indonesie heeft meegemaakt, dat ik papa Ed zag. Maar toen hij keek, was papa`s Ed gezicht weer verdwenen. Het was kennelijk alleen voor mijzelf bedoeld.

Dit is het waargebeurde verhaal van het hertje en mijn vader Eddie Geenen.
Peggy is mijn jongere zus en Eddie Geenen ook mijn vader