Archives for November 2014

Is een Indo een “Halfbloed”?

 Wat is het juiste woord: halfbloed of gemengbloed?

In het jongstleden verschenen blad “De Indo” van december 2014 stond quote—-Het Indo-Europees ras werd gekwalificeerd. Een ras bestaande uit halfbloeden, een vermenging van Indonesische en Europese rassen. unquote!

Op diverse websites, o.a. de site Indisch4Ever in Nederland werd ook gediscussieerd over het woord “Halfbloed” dat direct in verband wordt gebracht met ons Indo’s. Ik heb dat met interesse gevolgd, maar zelf niet aan meegedaan.
Echter ik heb er al lang mijn eigen gedachten over en ik moet zeggen dat de meesten hun mening gaven waar ik mee kan leven en er volledig achter kan staan.
Hier volgt een paar meningen in het kort.
—Het woord ‘halfbloed’ stamt uit de koloniale tijd.
—Het is een term die ook gebruikt wordt in de dierenfokkerij.
—De term suggereert dat iemand ‘half’ is en dus niet ‘heel’.
—Het woord “Halfbloed” bestaat niet, want in ieder mengsel bloed onder welke huid dan ook is de kleur rood en in elk lichaam is er ongeveer de zelfde hoeveelheid bloed, namelijk 5 a 6 liter. —-Ook zijn wij 100% volbloed, anders zouden wij bloedarmoede hebben.
—Het is eigenlijk allemaal stompzinnig om de termen te gebruiken, die gebaseerd zijn op racistische stereotypen.
Het woord “Halfbloed” klinkt dan ook erg minderwaardig, denigrerend, discriminerend, en uiteindelijk erg beledigend. Mijn bloed is ook rood en ik behoor tot de bloed groep “O” net als vele mensen op deze wereld waar dan ook. Mijn bloed is dus niet half “O” en de ander helft “A”, or what ever.

In tegendeel ik kan best leven met het woord “mengbloedig”.

Stille gedwongen integratie in Nederland

Wel integreren, nooit assimileren!

In Nederland is de laatste tijd het woord “racisme” weer een heet hang ijzer aan het worden. Dit vooral veroorzaakt door de veelal in Nederland geborenen van Marokkaanse, Turkse afkomst en van de West Indies. Vooral zwarte Pieten van het kinderfeest Sinterklaas moeten het ontgelden.

Het bovenstaande is des te meer opmerkelijk, omdat in de begin jaren 50 tot 1968 de Indische Nederlanders zowel door een deel van het Nederlandse volk als de overheid behoorlijk gediscrimineerd werden en dat toen heel normaal werd gevonden. Apen, pinda-poep-chinees, ze kunnen ook Nederlands praten, waar hebben jullie dat geleerd?
Het is daarom des te opmerkelijker dat vanuit de Indische hoek er ook weinig over werd geschreven en zelf werd er niets over gerept over de stille dwangmatige integratie.
Heden ten dage wordt de stille integratie van toen door Nederland misbruikt om het welslagen van haar minderheden dan wel multiculturele retoriek te rechtvaardigen.

Weet U nog van toen na dat wij in Holland aankwamen en van boord stappen.
————Het was altijd steenkoud
————Je mocht maar een keer baden en heel kort
————Het pension was te gierig om vlees op tafel te serveren
————Soep dat werd verdund met water
———–Ik dacht altijd dat het een gunst was om hier te komen
———–Ik was goed bezig en niemand had last van mij
———-Wij werden zomaar ergens geplaatst en hadden geen inbreng
———-Het meubel voorschot moest besteed worden door de sociale dienst, die een paar winkels had geselecteerd. Later bleek dat de gemeenten commissie betaalden aan de meubelzaken en de sociale diensten
———Wij wisten pas later dat we het meubelvoorschot moesten terug betalen
———Kledingpakketten kosten 300 gulden, een groot bedrag in die tijd en voor dat geld mochten we zelf niets kopen
——–We werden gediscrimineerd en gekleineerd door allerlei instanties

De eerste jaren in Nederland waren voor ons Indische mensen een verschrikkelijke tijd. Er was niemand die echt in opstand kwam, want we waren hier net en we moesten ons toch aanpassen.
De DMZ of te wel Dienst Maatschappelijke Zorg gedroeg zich als een een gecombineerde eenheid van de GESTAPO en de Kempeitai.
Ondanks dat de meeste Indische Nederlanders erg koninklijk gezind waren en velen hun leven hebben opgeofferd voor een vaderland, dat ze nog nooit hebben gezien, moesten ze vaak bewijzen dat ze hun Nederlanderschap bezaten. Daarnaast moesten zij in het nieuwe vaderland de meest vernederende behandelingen ondergaan.

Als een Indische afhankelijk is van een gunstige beoordeling van een maatschappelijk werker voor het verkrijgen van huisvesting en van een baan, dan ga je je toch aanpassen en dan laat je je toch vernederen!
Je hebt geen keuze, nietwaar.
Maar ondanks het overweldigend succes van de zwijgzame aanpassing van ons Indo’s, tenminste in de ogen van de overheid, vertrokken ruim 60000 Indo’s als door-emigranten naar Amerika,Brazilië, Canada en Australië.
Blijkbaar wordt het in Nederland als normaal beschouwd dat ongeveer 24% van de emigranten/Indische Nederlanders/apen/pinda poep chinees of hoe ze ook werden genoemd, zomaar de Nederlandse gastvrijheid opgaven en naar een nog onbekender vaderland zijn vertrokken en niet zijn terug gegaan.
Eenmaal in Amerika kregen diverse Indo’s wel een schrijven van de Nederlandse overheid om het meubel voorschot alsnog terug te betalen.

Halal Prostitutie in Indonesie

Halal Prostitutie in de Puncak, buiten Jakarta

De Puncak is met recht een vakantie en toevluchtsoord waar men tot rust komt in een groene omgeving waar de temperatuur ideaal is. Maar dit rustoord is niet alleen een trekpleister voor de Jakartaanse middenklasse om tot rust te komen. Vooral Arabieren, zoals Saudiërs, hebben dit plaatsje ontdekt en brengen er graag hun zomers door. Vooral ook omdat het een vertrouwd islamitische omgeving is.
Maar boven de mooie natuur heeft dit gebied ook nog een bijzonder aantrekkelijks, dat voor de Arabieren een groot voordeel is. Ze kunnen en mogen hier een tijdelijk huwelijk aangaan met Indonesische moslim meisjes. Zo’n tijdelijk huwelijk, Nikah Mutah, is net als een kontrakt voor een paar uur, een week, een paar maanden en zelf voor een paar jaar.
Vele Indonesiërs denken zelf dat het een eer is omdat de islam afkomstig is uit de Arabische wereld. Zelf bij zwangerschap van het Indonesisch meisje heeft de dan aanwezige echtgenoot geen enkele verplichting tot het meisje en het kindje, dat nog moet geboren worden en hoeft de vader het kind niet te erkennen.

Officieel wordt dit tijdelijke huwelijk in Indonesië wettelijk niet erkent, maar de plaatselijke dorpshoofden en geestelijke leiders werken er actief aan mee, want ze worden er goed voor betaald. Het zijn meestal de simpel en arme meisjes uit de kampongs, die het slachtoffer zijn.
Vaak is dit ook de enige mogelijkheid voor de familie om uit de armoede te geraken.
De bruidsschat is voor deze Indonesiërs heel wat en de bedragen, afhankelijk van de duur van het huwelijk, varieert van een paar honderd tot een paar duizend dollars. En wanneer het jonge meisje nog maagd is stijgt het uitbetalende bedrag vaak aanzienlijk.

In de islam is buitenechtelijke seks haram (slecht), maar de opgezette methode Nikah Mutah heeft dat weten te omzeilen. Anti-activisten en critici noemen deze vormen van schijnhuwelijken dan ook “Halal Prostitutie” en de geestelijken en kampong hoofden zijn de pooiers. Deze kortstondige betaalde huwelijken vertegenwoordigen de lusten zonder de lasten.
Het grote probleem voor deze jonge meisjes echter is dat het bijna onmogelijk voor hun is als gescheiden Indonesische een nieuwe partner te vinden.
Sporadisch wordt er door de Indonesische overheid tegen deze Halal huwelijken opgetreden.

Gegevens uit artikel van Sophie Merle, die jarenlang in Indonesië woonde. Ze is sociaal wetenschapper en beeldend kunstenaar.

Commissie Werner discrimineerde

DE RAPPORTEN VAN DE COMMISSIE WERNER EN DE DISCRIMINERENDE GEVOLGEN DAARVAN.

In 1950/1951 werd het eerste discriminerende eindrapport van de Commissie Werner aan het Nederlandse kabinet aangeboden. In dit eindrapport, dat is vernoemd naar de voorzitter ervan, secretaris-generaal P.H.M. Werner, die als jurist op het ministerie van Maatschappelijk Werk werkzaam was,  stond het advies voor het te voeren beleid ten aanzien van de Indische Nederlanders waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen westers (blanke totok) en oosters (bruine) georiënteerde Indische Nederlanders. De oosters georiënteerde Indische Nederlanders zouden door hun lage arbeidstempo geen kans van slagen hebben op de Nederlandse arbeidsmarkt. Ook op andere terreinen zou er weinig hoop zijn voor een succesvolle integratie in de Nederlandse samenleving. De verwachting was dat deze mensen tot de asociale elementen van de Nederlandse samenleving zouden gaan behoren. In een rede die Werner hield noemde hij het dwaasheid om de Indische Nederlanders naar Nederland te laten komen. Nederland was overbevolkt, er was geen werk en huisvesting voor hen. Nederland had geen financiële middelen om zo´n omvangrijke operatie te betalen.
De Nederlanders die toen nog in Nederlands-Indië woonden, werden door de commissie opgesplitst in blanken met het recht van overtocht en de Indische Nederlanders, die dat recht niet hadden.

In regeringsstukken uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw staat de uitlating van de KVP-er (welke party nu in het CDA is opgegaan) van Thiel te lezen: “De regering heeft de overtuiging dat de belangen van het overgrote deel van de in Indië geboren en getogen personen van Nederlandse Nationaliteit (ongeveer 350.000) het beste gediend zou zijn met een voortgezet verblijf in Indonesië. De ervaring heeft geleerd, dat de overkomst naar Nederland van Indische Nederlanders, zowel voor ouderen als voor jongeren vaak een ontworteling betekend die onherstelbaar is.(deze bewering was natte vinger werk van de Nederlandse regering).

Dhr. J. Verboom van de Stichting “Pelita” oordeelde, dat de bedoeling van het rapport van de commissie Werner etc. was, om op zo´n goedkoop mogelijke manier van het probleem van Indische Nederlanders uit het voormalig Nederlands Oost Indië af te komen.
Nederland wist dat deze groep van circa 350.000 Indische Nederlanders in ruim 400 Indonesische kampen geïnterneerd waren geweest, waarbij ze al hun bezit verloren, werden mishandeld, honger leden en zelfs werden gedood, dat de kans op hun verblijf in Indonesië na de overdracht van het land daarom al was uitgesloten.

In 1950 werd door mijn moeder Claire Elisabeth Geenen, weduwe doordat haar man Eddie Geenen door de mishandelingen gepleegd door Japanners en Indonesiërs in Japanse concentratie kamp, al was overleden, een aanvraag ingediend om naar Nederland te mogen verhuizen. In 1950 ontvingen we een brief met goedkeuring, maar ruim een maand later werd via een tweede schrijven van de Nederlandse Staat de goedkeuring naar Nederland te mogen vertrekken, ingetrokken, want de Nederlandse overheid acht het beter voor mevrouw Geenen en haar 4 kinderen om te blijven en Indonesiërs te worden. Dit was volledig tegen haar wil, want ook meeste van onze familieleden zaten al in Nederland. De familie Geenen was een van de eerste slachtoffers van het beleid van de toenmalige regering.

Nederland en haar ambassades in Indonesië bleven de repatriëring van Indische Nederlanders met alle middelen (ook via krantenberichten) tegenwerken. De Indische Nederlanders werden aan het lijntje gehouden, foutief geïnformeerd en in de richting van het Warga Negara Indonesia schap gedreven met beloften die Nederland nooit zou kunnen waar maken.
Het Hoge Commissariaat had van Den Haag duidelijk instructies gekregen er bij de Indo-Europeanen op aan te dringen vooral niet naar het koude en overbevolkte Nederland te komen, waar de woningnood nog steeds ‘volksvijand no. 1’ was. Bovendien kostte de komst en de opvang van die tienduizenden repatrianten de staat veel te veel geld. Zo cru werd het dan wel niet gezegd, maar voor iedereen was dit impliciete argument volkomen duidelijk.
De propaganda – een woord dat in notawisselingen tussen Den Haag en het Hoge Commissariaat regelmatig gebruikt werd – had niet het beoogde resultaat.
De verwachting van Den Haag en de Hoge Commissaris in Jakarta was dat 75 procent van de Indo-Europeanen eind 1951 voor het Indonesische staatsburgerschap zou hebben geopteerd, maar in de praktijk bleken dat er niet meer dan 31 duizend te zijn, dus maar zo’n vijftien procent.

Toen bleek dat het gestroomlijnde omsmelten van Indo-Europeanen in Indonesische staatsburgers op een fiasco was uitgelopen diende het ontmoedigingsbeleid voor een enkele reis naar Nederland te worden voortgezet. Dat nieuwe beleid was grotendeels gebaseerd op een zeer vertrouwelijk rapport uit 1953 (het tweede Werner Rapport). Het bevatte een verslag en aanbevelingen van een commissie die onder leiding stond van P.H.M. Werner, het
hoofd van het Rijksarbeidsbureau van Sociale Zaken. De Commissie Werner had in 1952 een bezoek aan Indonesië gebracht ‘ter bestudering van het Indo-Europese vraagstuk’. De Commissie maakte zonder scrupules onderscheid tussen wat zij noemde ‘sociaal gewenste’ en ‘sociaal ongewenste’ Indo-Europeanen. Tot de tweede categorie behoorden mensen die de Commissie aanduidde als ‘oosterse Nederlanders’.

In 1956 zegde Indonesië het verdrag tussen Indonesië en Nederland eenzijdig op, en stopte alle betalingen.
Dit was voor minister Marga Klompe het sein om omstreeks begin 1957 het ontmoedigingsbeleid van de Nederlandse regering om te zetten in aan actieve repatriëringspolitiek.
Iedere Indische Nederlander kreeg een laatste kans met een voorschot voor de kosten van repatriëring naar Nederland te vertrekken. In die periode was de informatievoorziening in Indonesië over dit nieuwe beleid mede door gebrek aan communicatiemiddelen zeer summier. Vele Indische Nederlanders waren door onwetendheid, sociale motieven, ziekte en andere oorzaken niet bij machte om van deze mogelijkheid te vernemen.
Ongeveer 6000 Indische Nederlanders bleven hierdoor in Indonesië achter en werden gedwongen WNI-ers te worden. Onder het bewind van president Soekarno hebben zij hun namen moeten vervangen door Indonesische namen en werden ook zo geregistreerd in de bevolkingsregisters.
Het was gewoon kadaver-politiek tegen de Indische Nederlanders van zowel de Nederlandse regering onder leiding van Den Uyl als de Indonesische onder leiding van Soekarno.